Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
J. W. [Translator] Gerhard and Sidney [Illustrator] Heath
Wereld Bibliotheek Onder Leiding Van L. Simons
Aladdin En De Wonderlamp (Verhaal Uit De Duizend En Een Nacht)
IN HET NEDERLANDSCH VERTAALD DOOR J. W. GERHARD, MET 24 ILLUSTRATIES VAN SIDNEY H. HEATH
UITGEGEVEN VOOR DE MIJ. VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR DOOR G. SCHREUDERS AMSTERDAM
Aladdin En De Wonderlamp.
In een zeer rijke en groote hoofdstad van China, welker naam ik mij op 't oogenblik niet herinner, leefde een kleermaker, Moestafa genaamd, die zich van andere menschenkinderen door niets anders onderscheidde dan door zijn beroep. Deze kleermaker Moestafa was zeer arm, en zijn arbeid bracht hem nauwelijks zooveel op, dat hij, zijn vrouw en een zoon, dien God hun geschonken had, daarvan leven konden.
De opvoeding van dezen zoon, die Aladdin [1] heette, was zeer verwaarloosd geworden, zoodat hij allerhande slechte neigingen aangenomen had. Hij was boosaardig, eigenzinnig en ongehoorzaam jegens vader en moeder. Nauwelijks was hij den kinderschoenen ontwassen, of zijn ouders konden hem niet meer in huis houden. Hij ging reeds 's morgens vroeg de deur uit, en deed den ganschen dag niets, dan op straten en pleinen met kleine dagdieven spelen, die jonger waren dan hij.
Toen hij den leeftijd bereikt had, dat hij een handwerk moest leeren, nam zijn vader, die niet in staat was, hem een ander te laten leeren dan het zijne, hem bij zich op het werk, en begon hem in het hanteeren van den naald te onderrichten. Maar alles was vergeefsch: noch goede woorden, noch bedreigingen van den vader vermochten den wispelturigen zin van den zoon te veranderen. Hij kon het niet zoover brengen, dat hij zijn gedachten bijeen hield en vlijtig en aanhoudend aan den arbeid bleef, zooals hij het wenschte. Nauwelijks had Moestafa hem den rug toegekeerd, of Aladdin snapte weg en liet zich den heelen dag niet meer zien. De vader tuchtigde hem, maar Aladdin was onverbeterlijk, en Moestafa moest hem ten laatste tot zijn groote droefheid maar aan zijn lichtzinnig leven overlaten. Dit veroorzaakte hem groot harteleed, en de kommer daarover, dat hij zijn zoon niet tot zijn plicht terugroepen kon, bezorgde hem een hardnekkige ziekte, waaraan hij na eenige maanden stierf.
Daar Aladdin's moeder zag, dat haar zoon niet van plan was, zijns vaders ambacht te leeren, zoo sloot zij de werkplaats, en maakte al het gereedschap te gelde, om zoowel daarvan als van het weinige, dat zij met boomwolspinnen verdiende, met haar zoon te kunnen leven.
Aladdin, die thans niet meer door vrees voor zijn vader binnen de perken gehouden werd, bekommerde zich zoo weinig om zijn moeder, dat hij zelfs de onbeschaamdheid had, haar bij de geringste vermaningen te dreigen, en werd voortdurend lichtzinniger. Hij zocht nog meer dan vroeger jongelieden van zijn leeftijd op, en speelde met hen voortdurend nog hartstochtelijker dan tot nu toe. Dezen levenswandel zette hij tot in zijn vijftiende jaar voort, zonder voor iets anders zin te hebben, en zonder te bedenken, wat eens uit hem worden moest.
Op zekeren dag, toen hij als naar gewoonte met een troepje schooljongens op een vrije plaats speelde, ging er een vreemdeling voorbij die staan bleef en naar hem keek. Deze vreemde was een beroemd toovenaar, en de geschiedschrijvers, die dit verhaal voor ons opgeschreven hebben, noemen hem den Afrikaanschen toovenaar. Wij willen hem eveneens met dezen naam aanduiden, en des te liever, daar hij werkelijk uit Afrika geboortig en eerst sedert twee dagen hier aangekomen was.
't Zij nu, dat de Afrikaansche toovenaar, die veel van de gelaatkunde afwist, in Aladdin's gezicht iets opmerkte, dat tot uitvoering van het plan, 'twelk hem hierheen gevoerd had, zeer dienstig leek, 't zij dat hij een anderen grond mocht hebben, genoeg, hij won inlichtingen in, zonder dat het iemand opviel, naar zijne familie, zijn stand en zijn neigingen. Toen hij van alles, wat hij wenschte, behoorlijk op de hoogte was, ging hij op het jongemensch toe, nam hem eenige passen van zijn kameraden af terzijde, en vroeg hem: "Mijn zoon, is jouw vader niet de kleermaker Moestafa?"
"Ja, beste heer," antwoordde Aladdin, "maar hij is reeds lang dood."
Bij deze woorden viel de Afrikaansche toovenaar Aladdin om den hals, omarmde hem en kuste hem al zuchtend herhaalde malen met tranen in de oogen. Aladdin zag deze tranen en vroeg, waarom hij weende.
"Ach mijn zoon," riep de Afrikaansche toovenaar, "hoe zou ik mij kunnen goed houden? Ik ben je oom, en uw vader was mijn geliefde broeder. Ik ben reeds vele jaren op reis, en in het oogenblik, dat ik hier kom, vol hoop, hem terug te zien en door mijn terugkomst te verblijden, zeg je mij, dat hij dood is! Ik verzeker je, dat het mij bitter leed doet, mij beroofd te zien van den troost, dien ik verwachtte. Wat mijn droefheid alleen nog een weinig verzachten kan, is, dat ik, voor zoover ik mij herinner, zijn trekken op jouw gezicht terugvind, en ik zie, dat ik mij niet vergist heb, toen ik mij tot je wendde."
Hij vroeg hierop Aladdin, terwijl hij zijn beurs te voorschijn trok, waar zijn moeder woonde. Aladdin lichtte hem terstond in en de Afrikaansche toovenaar gaf hem tegelijk een handvol klein geld met de woorden: "Mijn jongen, ga spoedig naar je moeder, groet haar van mij en zeg haar, dat ik, voor zoover de tijd het mij veroorlooft, haar morgen bezoeken zal, om mij den troost te verschaffen, de plek te zien, waar mijn lieve broeder zoo lang geleefd en zijn dagen geëindigd heeft."
Zoodra de Afrikaansche toovenaar den neef, dien hij zich zooeven zelf bezorgd had, verlaten had, liep Aladdin, vol vreugde over het ontvangen geld, dat zijn oom hem geschonken had, naar zijn moeder.
"Moedertje", zeide hij bij 't binnentreden, "zeg mij asjeblieft, of ik een oom heb."
"Neen, mijn jongen," antwoordde de moeder, "je hebt geen oom, noch van je vaders kant noch van mijn kant."
"En toch", ging Aladdin voort, "heb ik zooeven een man gezien, die zich voor mijn oom van vaders zijde uitgaf en verzekerde, dat hij een broer van vader was. Hij heeft zelfs geweend en mij omhelsd, toen ik hem vertelde, dat mijn vader dood was. Ten bewijze, dat ik de waarheid spreek," voegde hij er bij, terwijl hij het ontvangen geld toonde, "zie eens, wat hij mij geschonken heeft. Hij heeft mij bovendien opgedragen, u uit zijn naam te groeten en u te zeggen, dat hij, wanneer hij tijd heeft, morgen bij u zijn opwachting zal maken, om het huis te zien, waar vader geleefd heeft en waar hij gestorven is."
"Mijn zoon", antwoordde de moeder, "het is waar, je vader had een broeder, maar die is reeds lang dood en ik heb hem nooit hooren zeggen, dat hij nog een anderen had."
Daarmee werd het gesprek over den Afrikaanschen toovenaar afgebroken.
Den volgenden dag naderde deze Aladdin voor de tweede maal, toen hij op een ander plein in de stad met andere kinderen speelde. Hij omarmde hem, als daags te voren, en drukte hem twee goudstukken in de hand, met de woorden: "Mijn zoon, breng dit aan je moeder, zeg haar, dat ik haar vanavond zal komen bezoeken, en zij moet daarvoor iets koopen voor het avondmaal, opdat wij te zamen eten kunnen. Maar zeg mij nu eerst, hoe ik het huis vinden kan."
Aladdin duidde 't hem uit, en de Afrikaansche toovenaar liet hem gaan.
Aladdin bracht de twee goudstukken aan zijn moeder, en zeide haar, wat zijn oom van plan was te doen. Zij vertrok, om het geld te besteden, kwam met goeden mondvoorraad terug, en daar het haar aan een groot deel van 't noodige tafelgereedschap ontbrak, leende zij dat bij hare buurvrouwen. Zij besteedde den heelen dag aan de voorbereiding van het maal en 's avonds, toen alles gereed was, zeide zij tot Aladdin: "Mijn zoon, je oom weet wellicht ons huis niet te vinden, ga hem tegemoet, en breng hem hierheen, wanneer je hem ziet."
Ofschoon Aladdin den Afrikaanschen toovenaar het huis had uitgeduid, wilde hij zich toch juist verwijderen, toen men aan de deur klopte. Aladdin opende en herkende den Afrikaan, die met verscheidene wijnflesschen en vruchten van allerlei soort binnentrad.
Nadat de Afrikaansche toovenaar dit alles aan Aladdin overhandigd had, begroette hij zijn moeder en verzocht haar, hem de plek op de sofa te wijzen, waar zijn broer gewoonlijk zat. Zij wees hem dien. Nu wierp hij zich terstond op den grond neer, kuste de plek verscheidene malen en riep met tranen in de oogen uit: "Arme broeder, hoe ongelukkig voor mij, dat ik niet tijdig genoeg gekomen ben, om je voor je dood nog eenmaal te omarmen!"
Hoe Aladdin's moeder hem daarom ook verzocht, hij wilde toch niet op deze plaats gaan zitten.
"Neen", zeide hij, "ik zal wel oppassen, maar veroorloof mij, dat ik daar tegenover plaats neem, opdat ik, wanneer mij ook al het genoegen ontzegd is, hem persoonlijk als vader uwer mij zoo dierbare familie te zien, mij ten minste inbeelden kan, dat hij daar nog zit."
Aladdin's moeder drong nu niet verder bij hem aan, maar liet hem plaats nemen, waar hij wilde.
Toen de Afrikaansche toovenaar plaats genomen had, waar 't hem behaagde, ving hij een gesprek met Aladdin's moeder aan.
"Lieve zuster", zeide hij tot haar, "verwonder je niet, dat je mij gedurende al den tijd, dat je met mijn broeder, zaliger gedachtenis, gehuwd was, nooit gezien hebt. Het is nu al veertig jaar geleden, dat ik dit land, dat zoowel mijn geboortegrond als die van mijn zaligen broeder is, heb verlaten. Sedert heb ik reizen gedaan naar Indië, Perzië, Arabië, Syrië en Egypte, mij in de mooiste steden dezer landen opgehouden, en ben toen naar Afrika vertrokken, waar ik langen tijd verbleef. Daar het echter den mensch aangeboren is, zijn geboortegrond, zoowel als zijn ouders en gezellen der jeugd ook in de verste gewesten nooit uit 't geheugen te verliezen, zoo heeft ook mij een zoo geweldig verlangen aangegrepen, mijn vaderland weder te zien en mijn geliefden broeder te omarmen, thans, nu ik nog kracht en moed voor zoo'n verren tocht in mij voelde, dat ik zonder verder uitstel mijn toebereidselen nam, en mij op weg begaf. Ik zeg je niets van den duur der reis, noch van de hindernissen, die mij in den weg kwamen, noch van de vermoeienissen en ontberingen, die ik te overwinnen had, eer ik hier aankwam. Ik zeg je alleen, dat mij op al mijn reizen niets zoo diep gekrenkt en bedroefd heeft, als het bericht van den dood eens broeders, dien ik steeds met echt broederlijke vriendschap bemind had. Ik ontdekte eenige trekken van hem op het gezicht van mijn neef, jouw zoon, en dit maakte, dat ik hem uit alle overige kinderen, waarmee hij speelde, herkende. Hij heeft je wellicht verteld, hoezeer het treurige bericht van den dood mijns broeders mij aangreep. Doch, wat God doet, is welgedaan; ik troost mij, hem in zijn zoon terug te vinden, die zoo'n opvallende gelijkenis met hem heeft."
Toen de Afrikaansche toovenaar zag, dat Aladdin's moeder bij de herinnering aan haar man geroerd werd en opnieuw zich bedroefde, brak hij het gesprek af, wendde zich tot Aladdin, en vroeg hem naar zijn naam.
"Ik heet Aladdin", antwoordde deze.
"Welnu, Aladdin", ging de toovenaar voort, "wat voert gij uit? Versta je ook een ambacht?"
Bij deze vraag sloeg Aladdin zijn oogen neer en werd verlegen. Zijn moeder echter nam nu het woord en zeide, "Aladdin is een deugniet. Zijn vader heeft, zoolang hij leefde, al 't mogelijke gedaan, om hem zijn ambacht te leeren; maar hij kon zijn doel niet bereiken, en sedert hij dood is, zwerft die jongen, ondanks al mijn dagelijksche vermaningen, den ganschen dag op de straten rond en speelt met kinderen, zooals gij gezien hebt, zonder te bedenken, dat hij geen kind meer is; wanneer gij hem derhalve niet beschaamd en hij zich uwe vermaning niet ten nutte maakt, dan geef ik alle hoop op, dat er nog ooit iets goeds uit hem wordt. Hij weet, dat zijn vader geen vermogen heeft nagelaten, en ziet zelf, dat ik met den heelen dag boomwol spinnen nauwelijks het brood voor ons beiden verdienen kan. Ik ben besloten, de volgende dagen eens de deur voor hem gesloten te houden en hem weg te zenden; dan moet hij zijn onderhoud maar ergens anders zoeken."
Toen Aladdin's moeder onder vele tranen aldus gesproken had, zeide de Afrikaansche toovenaar tot den jongen: "Dat is niet goed, mijn neef; gij moet er aan denken, je zelf voort te helpen en je levensonderhoud te verdienen. Er zijn immers zoovele beroepen in de wereld; denk er eens over, of er niet één onder is, waarvoor je meer neiging gevoelt, dan voor de andere. Wellicht bevalt alleen dat van je vader je niet en zou je meer plezier in een ander vinden; verberg mij je wenschen hieromtrent niet, ik wil immers alleen je eigen best."
Toen hij zag, dat Aladdin niets antwoordde, ging hij voort: "Bevalt het je soms heelemaal niet, een handwerk te leeren en wil je een aanzienlijk man worden, zoo wil ik voor je een winkel met kostbare stoffen en fijne linnen goederen inrichten; je kunt dan deze waren verkoopen, met het geld, dat je daarvoor ontvangt, weer den inkoop van nieuwe waren bestrijden en op deze wijze een behoorlijk bestaan vinden. Vraag jezelf nu af, en zeg mij openhartig, wat je denkt. Je zult mij steeds bereid vinden, mijn belofte na te komen."
Dit aanbod streelde Aladdin zeer; elk handwerk verfoeide hij, en des te meer, wijl hij opgemerkt had, dat zulke winkels, waarvan zijn oom gesproken had, steeds aardig en sterk bezocht en de kooplieden goed gekleed en zeer geacht waren.
Hij verklaarde daarom den Afrikaanschen toovenaar, dat zijn neiging meer naar deze zijde gericht was, dan naar elke andere, en dat hij hem zijn heele leven lang dankbaar zou zijn voor de weldaad, die hij hem bewijzen wilde.
"Daar dit beroep je aanstaat", antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "zal ik je morgen meenemen, en je zoo fraai en rijk laten kleeden, als het een der eerste kooplieden in deze stad betaamt; overmorgen willen wij er dan aan denken, zulk een winkel te huren, als ik in gedachten heb."
Aladdin's moeder, die nog maar niet geloofd had, dat de Afrikaansche toovenaar de broeder van haar man was, twijfelde er na zulke schitterende beloften niet meer aan. Zij bedankte hem voor zijn goede gezindheid, en nadat zij Aladdin vermaand had, zich de weldaden, die zijn oom hem in 't vooruitzicht stelde, waardig te toonen, diende zij het avondmaal op. Het gesprek tijdens den ganschen maaltijd liep steeds over hetzelfde onderwerp, totdat eindelijk de toovenaar zei, dat de nacht al ver verstreken was. Hij nam afscheid van moeder en zoon en ging naar huis.
Den volgenden morgen verzuimde de Afrikaansche toovenaar niet, volgens afspraak weer een bezoek bij de weduwe des kleermakers Moestafa te brengen. Hij nam Aladdin met zich mede naar een grooten koopman, die alleen gemaakte kleeren van alle mogelijke stoffen en voor menschen van elken leeftijd en stand verkocht. Hij liet zich verscheidene hiervan toonen, die voor Aladdin pasten, en nadat hij had uitgezocht, wat hem het beste beviel en de andere, die niet zoo mooi waren, als hij wenschte, op zij geschoven had, zei hij tot Aladdin: "Beste neef, kies nu uit al deze kleeren dat uit, wat je het beste bevalt." Aladdin, die over de mildheid zijns nieuwen ooms heelemaal verrukt was, koos er een uit, en de toovenaar kocht het met alles, wat erbij behoorde, tegen bare betaling, zonder af te dingen.
Toen Aladdin zich van het hoofd tot de voeten zoo prachtig gekleed zag, bedankte hij zijn oom met de grootste hartelijkheid en de toovenaar beloofde hem, hem ook voor 't vervolg niet te verlaten, maar hem steeds bij zich te houden. Werkelijk bracht hij hem nu in de drukste buurten der stad, vooral in die, waar de winkels der rijkste kooplieden waren, en in de straat waarin de winkels met de mooiste stoffen en het fijnste linnengoed zich bevonden, zeide hij tot Aladdin: "Wijl je spoedig ook zulk een koopman zult zijn, als deze hier, is het goed dat je hen bezoekt, opdat ze je leeren kennen." Hij wees hem ook de prachtigste en grootste moskeeën en bracht hem in de "Chan" [2] waar de vreemde kooplieden woonden, en naar alle plaatsen in het paleis van den Sultan, waar men vrijen toegang had. Eindelijk nadat zij te zamen de schoonste deelen der stad doorkruist hadden, kwamen zij in de "Chan", waar de toovenaar woonde. Daar waren eenige kooplieden met wie hij sedert zijn aankomst kennis gemaakt had, en die hij opzettelijk uitgenoodigd had, om hen goed te onthalen en hen zijn zoogenaamden neef voor te stellen.
Het gastmaal eindigde eerst in den laten avond. Aladdin wilde van zijn oom afscheid nemen, om naar huis terug te keeren, maar de Afrikaansche toovenaar wilde hem niet alleen laten gaan, en geleidde hem zelf tot zijne moeder terug. Toen deze haar zoon in zulke prachtige kleeren zag, was zij buiten zich zelven van vreugde, en hield maar niet op, zegeningen over het hoofd des toovenaars af te smeeken, die voor haar zoon zooveel geld uitgegeven had.
"Grootmoedige zwager", zeide zij tot hem, "ik weet niet hoezeer ik u voor uw goedheid danken zal, maar dat weet ik, dat mijn zoon de weldaden, die gij hem bewijst, niet verdient, en hij zou ze volkomen onwaardig zijn, zoo hij niet dankbaar ware, en de goede bedoelingen welke gij met hem hebt, hem een zoo schitterende zaak te geven, niet beantwoordde. Ik voor mijn persoon," voegde zij er bij, "dank u van ganscher harte en wensch u een lang leven om getuige te zijn van de dankbaarheid van mijn zoon, die haar niet beter aan den dag kan leggen, dan wanneer hij zich door uw goede raadgevingen leiden laat".
"Aladdin is een goede jongen," antwoordde de Afrikaansche toovenaar; "hij luistert naar mij en ik geloof, dat wij iets flinks van hem maken kunnen. Het doet mij slechts leed, dat ik al niet morgen mijn belofte houden kan. Het is immers Vrijdag, waarop alle winkels gesloten zijn, en men er niet aan behoeft te denken, er een te huren en van waren te voorzien; want de kooplieden denken op dezen dag slechts aan allerlei genietingen. Daarom zullen wij de zaak tot Zaterdag moeten uitstellen. Overigens zal ik hem morgen weer meenemen en in de tuinen laten wandelen, waar men gewoonlijk de groote wereld aantreft. Hij heeft wellicht nog geen begrip van de genoegens, die men daar geniet; tot nu toe was hij steeds nog maar met kinderen te zamen, thans moet hij ook volwassen menschen zien".
De Afrikaansche toovenaar nam eindelijk afscheid van moeder en zoon en vertrok. Aladdin echter, die reeds zoo uitermate blij was met zijn mooie kleederen, verheugde zich bij voorbaat in de heerlijke wandeling in de omgeving der stad. Inderdaad was hij nog nimmer buiten de poort geweest en had hij nog nimmer de omstreken gezien, die bijzonder mooi en bekoorlijk waren.
Den anderen morgen stond Aladdin zeer vroeg op en kleedde zich aan, om klaar te zijn als zijn oom hem zou komen afhalen. Nadat hij, zooals hij dacht, lang gewacht had, opende hij eindelijk vol ongeduld de deur en ging naar buiten om te zien of hij er nog niet aankwam. Zoodra hij hem bemerkte, zeide hij het aan zijn moeder, nam afscheid van haar, sloot de deur en snelde hem tegemoet.
De Afrikaansche toovenaar verwelkomde Aladdin allervriendelijkst.
"Komaan, mijn beste jongen", zei hij met een lachend gezicht tot hem, "vandaag zal ik je mooie dingen laten zien".
Hij voerde hem een poort uit, voorbij groote en mooie huizen, of liever langs prachtige paleizen, waarvan elk een zeer mooien tuin had, waarin men vrij mocht rondwandelen. Bij elk paleis dat zij voorbij kwamen vroeg hij Aladdin, of het hem beviel, en Aladdin, die hem gewoonlijk vóór was, zeide, zoodra hij weer een ander zag: "Oh! lieve oom! dit is nog veel prachtiger dan alle vorige!"
Ondertusschen gingen zij steeds verder en de listige toovenaar, die dit slechts deed, om het plan, dat hij in zijn hoofd had, te kunnen uitvoeren, trad eindelijk een dezer tuinen in. Hij zette zich neer naast een groot bekken, waarin door een bronzen leeuwenmuil kristal-helder water stroomde, en hij hield zich vermoeid, opdat Aladdin eveneens zou gaan uitrusten.
"Beste neef", zeide hij tot hem, "je zult wel even vermoeid zijn als ik; laat ons hier wat gaan uitrusten, om nieuwe krachten te verzamelen; wij zullen daarna met nieuwen moed onze wandeling kunnen voortzetten."
Toen zij zich gezet hadden, haalde de Afrikaansche toovenaar uit een doos, die aan zijn gordel bevestigd was, koeken en allerlei soorten van vruchten, die hij als mondvoorraad meegenomen had, en spreidde alles op den rand van het bassin uit. Hij deelde een koek met Aladdin, en uit de meegebrachte vruchten liet hij hem naar welgevallen kiezen. Tijdens dit kleine maal maande hij zijn zoogenaamden neef aan, zich los te maken van den omgang met kinderen, daarentegen zich aan te sluiten bij wijze en verstandige mannen, naar dezen te luisteren en uit hunne gesprekken leering te putten. "Spoedig", zei hij tot Aladdin, "zul je een man zijn, gelijk zij, en je kunt je er niet vroeg genoeg aan gewennen, naar hun voorbeeld verstandig te redeneeren."
Toen zij den kleinen maaltijd geëindigd hadden, stonden zij op en zetten hun wandeling dwars door de tuinen voort, die van elkaar slechts door smalle greppels gescheiden waren, welke de grens vormden, zonder nochtans de verbinding te belemmeren. Het wederzijdsch vertrouwen, dat de bewoners dezer stad jegens elkaar hadden, deed hen alle verdere voorzorgsmaatregelen om booswillige benadeelingen te voorkomen, als onnoodig beschouwen. Ongemerkt voerde de Afrikaansche toovenaar Aladdin tamelijk ver buiten de tuinen en doorwandelde met hem de vlakte, die hen langzamerhand in de nabijheid der bergen voerde.
Aladdin, die in zijn leven nog nooit zoo'n verren weg afgelegd had, voelde zich door dezen marsch zeer vermoeid en zeide tegen den Afrikaanschen toovenaar: "Waarheen gaan wij dan, lieve oom? Wij hebben de tuinen reeds ver achter ons gelaten en ik zie niets meer dan bergen. Wanneer wij nog langer zoo voortgaan, weet ik niet, of ik nog kracht genoeg zal hebben, om naar de stad terug te keeren."
"Verlies den moed maar niet", antwoordde de valsche oom; "ik wil je nog een anderen tuin laten zien, die alle, welke je tot nu toe gezien hebt, verre overtreft; hij is slechts een paar schreden hier vandaan, en wanneer wij eenmaal daar zijn, dan zul je zelf zeggen, dat het je erg gespeten zou hebben, als je hem niet gezien had, na er zoo dicht bij te zijn gekomen." Aladdin liet zich overreden, en de toovenaar voerde hem nog zeer ver, terwijl hij hem met allerlei aardige verhalen onderhield, om hem den weg minder vervelend en de vermoeidheid dragelijker te maken.
Eindelijk kwamen zij tusschen twee bergen van middelmatige hoogte, die tamelijk gelijk en slechts door een smal dal gescheiden waren. Dit was 't merkwaardige oord, waarheen de Afrikaansche toovenaar Aladdin had willen brengen, om een groot plan met hem uit te voeren, ter wille waarvan hij van het uiterste eindje van Afrika naar China gereisd was.
"Hier zijn we, waar wij wezen moeten", zeide hij tot Aladdin; "ik zal je hier buitengewone dingen toonen, die alle overige stervelingen onbekend zijn. Wanneer je ze gezien zult hebben, zul je er mij dankbaar voor zijn, dat ik je tot getuige van zoovele wonderdingen gemaakt heb, die behalve jij nog nooit iemand gezien heeft. Terwijl ik nu met het staal vuur maak, leg je hier zooveel droge takjes op elkaar, als je slechts vinden kunt, opdat wij een vuur kunnen aanmaken."
Er lag hier zooveel droog hout, dat Aladdin weldra een meer dan voldoenden hoop ervan bijeen had, terwijl de toovenaar een zwavelstokje aanstak. Hij maakte daarmee het vuur aan, en op het oogenblik, dat het hout opvlamde, wierp de toovenaar er allerlei reukwerken op, die hij reeds gereed had gehouden. Een dikke rook steeg omhoog, dien hij nu eens dezen, dan weer genen kant uitwendde, terwijl hij allerlei tooverwoorden uitsprak, waarvan Aladdin niets verstond.
Plotseling dreunde de aarde een beetje, opende zich voor den toovenaar en Aladdin, en liet een steen te voorschijn komen, die omstreeks anderhalve voet in 't vierkant, ongeveer een voet dik was, en waterpas lag, met een in het midden vastgemaakten bronzen ring, om hem daaraan op te tillen. Aladdin schrok hevig van alles, wat voor zijn oogen gebeurde, en wilde op de vlucht gaan. Maar hij was voor deze geheimzinnige handeling noodwendig en daarom hield de toovenaar hem vast, schold hem duchtig uit en gaf hem een zoo harde oorvijg, dat hij op den grond viel; het scheelde weinig, of hij had hem de voorste tanden uitgeslagen en zijn mond bloedde hevig. Sidderend en met tranen in de oogen riep de arme Aladdin: "Maar oom, wat heb ik dan gedaan, dat gij mij zoo gruwzaam slaat?"
"Ik heb er mijn redenen voor", antwoordde de toovenaar. "Ik ben je oom, die thans je vader's plaats bij je inneemt, en je mag mij in niets tegenspreken. Maar", voegde hij er op wat zachteren toon bij, "je behoeft niet bang te zijn, mijn zoon; ik verlang alleen, dat je mij stipt gehoorzaamt, indien je je de groote voordeelen die ik je schenken wil, wilt waardig maken en ze gebruiken".
Deze mooie beloften van den toovenaar stelden den verschrikten en vertoornden Aladdin een beetje gerust, en toen de toovenaar hem weer heel goed geluimd zag, ging hij voort: "Je hebt gezien, wat ik vermag door de kracht van mijn reukwerk en de woorden, die ik sprak. Verneem nu, dat hier onder dezen steen een schat verborgen ligt, die voor jou bestemd is, en je eenmaal rijker zal maken, dan de grootste koningen der aarde. Dit is zoo zeker waar, dat het geen mensch op de gansche wereld buiten jou geoorloofd is, dezen steen aan te raken, of op te tillen, om hier binnen te komen. Ja, ik zelf mag hem ook niet aanraken of ook zelfs een voet in dit schatgewelf zetten, wanneer het geopend zal zijn. Derhalve moet gij precies en punt voor punt doen, wat ik zeg, zonder iets te verzuimen. Deze zaak is zoowel voor jou als voor mij van groot belang."
Aladdin, immer nog vol verwondering over alles wat hij zag, en den toovenaar van een schat hoorende spreken, die hem voor altijd gelukkig maken zou, vergat alles wat er was voorgevallen.
"Welnu, lieve oom", zeide hij tot den toovenaar, terwijl hij opstond, "wat moet ik doen? Beveel slechts, ik ben bereid te gehoorzamen."
"Het verheugt mij zeer, lieve kind", zeide de Afrikaansche toovenaar, terwijl hij hem omarmde, "dat gij hiertoe besloten zijt. Kom hier, grijp dezen ring en til den steen in de hoogte."
"Maar oom", antwoordde Aladdin, "ik ben te zwak, om hem op te tillen; gij moet mij daarbij helpen."
"Neen", sprak de Afrikaansche toovenaar, "jij hebt mijn hulp niet noodig en wij zouden beiden niets uitrichten, wanneer ik je hielp; jij moet hem heelemaal alleen opheffen. Spreek slechts den naam van je vader en van je grootvader uit, als je den ring in de hand neemt, en til hem in de hoogte; je zult zien, dat hij zonder moeite zal meegeven!"
Aladdin deed, zooals de toovenaar hem gezegd had, hief den steen met gemak op en legde hem terzijde.
Toen de steen weggenomen was, zag hij een drie tot vier voet diep hol met een kleine deur en een trap, om nog verder af te dalen.
"Mijn zoon", sprak thans de Afrikaansche toovenaar tot Aladdin, "let nu goed op alles wat ik je ga zeggen. Daal in dit hol af en wanneer je beneden op de laatste trede gekomen bent, dan zul je een open deur zien, die je in een groote gewelfde ruimte zal voeren, welke in drie groote, op elkaar volgende zalen verdeeld is. In elk daarvan zal je rechts en links vier bronzen vazen, zoo groot als tobben, vol goud en zilver zien staan; maar zorg er wel voor, er niets van aan te raken. Eer je de eerste zaal binnentreedt, til je je mantel op en sluit hem eng om je lichaam. Wanneer je daar binnen bent, ga dan zonder je op te houden, recht door naar de tweede, en vandaar, eveneens zonder stil te staan, naar de derde zaal. Pas voor alles op, niet te dicht bij de wanden te komen, of ze zelfs met je kleeren aan te raken; want in dat geval zou je op de plaats dood blijven. Daarom heb ik je gezegd, je mantel dicht tegen je aan te drukken. Aan het einde der derde zaal is een deur, die je in een met prachtige en rijk beladen vruchtboomen beplanten tuin voeren zal. Ga dan steeds rechtuit, en dwars door den tuin zal een weg je naar een trap van vijftig treden voeren, langs welke je op een terras klimmen kunt. Zoodra je boven op het terras gekomen bent, zul je een nis voor je zien en daarin een brandende lamp. Neem deze lamp op, blusch haar uit, gooi de pit benevens de brandbare vloeistof op den grond, stop haar dan tusschen je kleeren op de borst, en breng ze mij. Vrees niet, je kleeren daardoor vuil te maken, want de vloeistof is geen olie, en de lamp zal terstond droog zijn, zoodra je haar leeggegoten hebt. Heb je trek in de vruchten in den tuin, dan kun je er gerust van nemen zooveel ge lust; dit is je niet verboden."
Zoo sprekende, trok de Afrikaansche toovenaar een ring van zijn vinger, en stak hem aan den vinger van Aladdin.
"Dit", zeide hij, "is uw voorbehoedmiddel tegen alle ongeluk, dat je zou kunnen treffen, indien gij slechts stipt alle voorschriften in acht neemt. En ga nu, mijn zoon", voegde hij er bij, "daal onbevreesd den trap af. Dan hebben wij beiden voor ons gansche leven geld als water."
Aladdin sprong met lichten voet het hol in en ging den trap af. Hij vond de drie zalen, die hem de Afrikaansche toovenaar beschreven had, en ging er uiterst behoedzaam doorheen, wijl hij anders vreesde te moeten sterven, indien hij niet precies deed, wat hem was voorgeschreven. Zonder uit te rusten, ging hij den tuin door, klom naar het terras op, nam de brandende lamp uit de nis, gooide de pit en de brandbare vloeistof op den grond, en toen hij haar droog zag, zooals de toovenaar hem gezegd had, verborg hij haar op zijn borst en daalde den trap weer af. In den tuin verwijlde hij bij 't aanschouwen der vruchten, die hij voorheen slechts in 't voorbijgaan gezien had. De boomen in dezen tuin droegen alle zeer buitengewone vruchten, en wel ieder weer van een andere soort. Men zag er witte, helglinsterende en als kristal doorzichtige; roode, deels donker, deels hel; groene, blauwe, violette, gele, en zoo van alle mogelijke kleuren. De witte waren parelen, de helglinsterende en doorzichtige diamanten, de donkerroode robijnen, de groene smaragden, de blauwe turkooizen, de violette amethysten, de gele saffieren enz. En deze vruchten waren alle zoo groot en volkomen, dat men op de gansche wereld niets dergelijks gezien heeft. Aladdin, die hare waarde niet kende was om den aanblik dezer vruchten, die niet naar zijn smaak waren, weinig verheugd; vijgen, druiven en andere edele fruitsoorten, die in China inheemsch zijn, waren hem liever geweest. Hij had echter ook nog niet den leeftijd bereikt, dat men van zulke zaken veel verstand heeft, en zoo verbeeldde hij zich, dat deze vruchten slechts geschilderde glazen waren, en verder geen waarde hadden. Trots dat alles wekte de verscheidenheid der mooie kleuren en de buitengewone grootte en schoonheid van elke vrucht, de begeerte bij hem op, van iedere soort eenige te plukken. Hij nam daarom van elke kleur verscheidene, vulde daarmee zijn beide zakken en twee heel nieuwe tasschen, die de toovenaar tegelijk met de kleeren, die hij hem geschonken had, gekocht had, opdat hij niets anders dan nieuwe zaken hebben zou; en daar de beide tasschen geen plaats meer vonden in zijn zakken, die reeds geheel vol waren, maakte hij ze aan zijn gordel vast, aan elke zijde één. Ook stopte hij nog enkele vruchten in de vouwen van zijn gordel, die van blauwe zijde en dubbel gevoerd was; en borg voorts nog ettelijke op zijn borst tusschen zijn kleed en het hemd.
Nadat hij zich zoo, zonder het te weten, met rijkdommen beladen had, keerde Aladdin snel door de drie zalen weer terug, om den Afrikaanschen toovenaar niet te lang te laten wachten; hij ging met dezelfde behoedzaamheid als de eerste maal, klom weer op, waar hij eerst was afgedaald en vertoonde zich aan den ingang van het hol, waar de Afrikaan hem met ongeduld wachtte. Zoodra Aladdin hem zag, riep hij hem toe: "Lieve oom, ik bid u, geef mij een hand, en help mij eruit."
"Mijn zoon", antwoordde hem de Afrikaansche toovenaar, "geef mij eerst de lamp; ze kan je hinderlijk zijn."
"O neen, beste oom, ze hindert mij volstrekt niet", zeide Aladdin; "ik zal ze u geven, zoodra ik boven ben."
De Afrikaansche toovenaar stond er op, dat Aladdin hem eerst de lamp zou overhandigen, eer hij hem uit het hol hielp, en Aladdin, die de lamp met alle vruchten, die hij bij zich gestoken had, verpakt had, weigerde volstrekt, ze hem te geven, eer hij uit het hol was. Toen geraakte de Afrikaansche toovenaar, van ergernis over de weerspannigheid van den jongen Aladdin in een vreeselijke woede, wierp eenig reukwerk op het vuur, dat hij zorgvuldig onderhouden had, en nauwelijks had hij twee tooverwoorden gesproken, of de steen, die als deksel voor de opening van het hol diende ging van zelf, benevens de aarde daarover, op zijn vorige plaats terug, zoodat alles weer in denzelfden toestand kwam als vóor de aankomst van den Afrikaanschen toovenaar en Aladdin.
De Afrikaansche toovenaar was inderdaad geen broeder van den kleermaker Moestafa, waarvoor hij zich uitgegeven had, en derhalve ook niet Aladdin's oom. Hij was werkelijk geboortig uit Afrika, en daar Afrika een land is, waar men meer dan ergens anders op tooverij verzot is, zoo had hij zich van zijn jeugd af daarop toegelegd, en nadat hij zich ongeveer 40 jaar lang met tooneelkunsten, met de punteerkunst, [3] met reukoffers en met de lectuur van tooverboeken had bezig gehouden, was hij eindelijk tot de ontdekking gekomen, dat er in de wereld een tooverlamp was, welker bezit hem machtiger dan alle koningen der aarde maken zou, indien hij haar in zijn bezit kon brengen. Door een laatste proef met de punteerkunst had hij gevonden, dat deze lamp zich op een onderaardsche plaats midden in China bevond, en wel in de streek en met al de omstandigheden die ons reeds bekend zijn. In het vast geloof aan de waarheid zijner ontdekking was hij, zooals gezegd is, van het uiterste einde van Afrika gereisd en na een langen, moeitevollen tocht in de stad gekomen, welke in de nabijheid van zijn schat lag. Maar ofschoon de lamp zich zeer zeker op die bewuste plaats bevond, was 't hem toch niet veroorloofd, haar zelf te halen of persoonlijk in het onderaardsche verblijf te treden, waar zij te vinden was. Een ander moest er in afdalen, haar halen en hem overhandigen. Daarom had hij zich tot Aladdin gewend dien hij voor een onbeduidenden jonkman hield, zeer geschikt, hem den noodigen dienst te bewijzen; daarbij was hij vast besloten, zoodra hij de lamp in handen zou hebben, het laatste reeds genoemde reukoffer te doen, de twee tooverwoorden uit te spreken, die de reeds bovengenoemde werking zouden hebben, om zoo den armen Aladdin aan zijn hebzucht en zijn boosheid op te offeren, en geen getuige meer in hem achter te laten. De oorvijg dien hij Aladdin gaf, en het gezag dat hij zich op hem aangematigd had, moesten dezen er alleen aan gewennen hem te vreezen en hem stipt te gehoorzamen, opdat hij hem de beroemde tooverlamp terstond zou overhandigen, zoodra hij het verlangde.
Intusschen gebeurde juist het tegendeel van dat, wat hij beoogd had. Bovendien haastte de boosaardige zich alleen daarom zoo zeer, den armen Aladdin in het verderf te storten, wijl hij vreesde, wanneer hij nog langer met hem twistte, dat wellicht deze of gene het hooren kon, en zijne belangrijke geheimen openbaren.
Toen de Afrikaansche toovenaar zich in zijn stoutste en schoonste verwachtingen voor immer teleurgesteld zag, bleef hem niets anders over dan naar Afrika terug te keeren, 't geen hij dan denzelfden dag ook deed. Hij maakte een omweg om niet meer de stad aan te doen, welke hij met Aladdin verlaten had; want hij moest werkelijk vreezen, dat meerdere personen die hem met dezen jongen hadden zien heengaan, het nu vreemd zouden vinden, hem thans alleen terug te zien komen.
Naar alle waarschijnlijkheid was Aladdin verloren. Maar hij, die hem in 't verderf poogde te storten, had er niet aan gedacht, dat hij hem zelf een ring aan den vinger gestoken had, die tot zijn redding dienen kon.
En werkelijk werd Aladdin, door dezen ring, welks kracht hij niet kende, gered, en het is te verwonderen, dat dit verlies, te zamen met dat der lamp, den toovenaar niet in de grootste wanhoop gestort heeft; maar toovenaars zijn zoo zeer aan tegenspoeden en aan het niet verwezenlijken hunner wenschen gewoon, dat zij, zoo lang zij leven, niet ophouden zich te verblijden met luchtkasteelen en hersenschimmen.
Aladdin, die na zoovele liefkoozingen en geschenken op deze slechtheid van zijn zoogenaamden oom in 't geheel niet verdacht was, bevond zich in een ontsteltenis, die zich gemakkelijker denken, dan met woorden beschrijven laat. Toen hij zich zoo opeens levend begraven zag, riep hij duizendmaal zijn oom bij den naam en verklaarde, dat hij hem de lamp gaarne zou geven; maar zijn roepen was tevergeefs, hij kon niet meer gehoord worden en moest alzoo in zwarte duisternis blijven. Eindelijk, nadat hij zijn tranen gedroogd had, klom hij weer langs den trap van het hol naar omlaag, om in den tuin, waardoor hij reeds gekomen was, en in het heldere daglicht te geraken. Maar de muur, die zich voor hem door tooverij geopend had, had zich intusschen door een nieuwe tooverij weer gesloten en bijeen gevoegd. Hij poogde meermalen rechts en links vooruit te komen, zonder nochtans een deur te vinden. Nu begon hij opnieuw te huilen en te snikken en zette zich eindelijk op de treden van het hol neer, zonder hoop, ooit weer het daglicht te zien, maar integendeel met de treurige zekerheid uit de duisternis, waarin hij zich thans bevond, in die van een spoedigen dood over te gaan.
Twee dagen bleef Aladdin in dezen toestand zonder te eten of te drinken. Eindelijk op den derden dag, toen hij zijn dood als onvermijdelijk beschouwde, hief hij de gevouwen handen omhoog en riep met volle gelatenheid in Gods wil uit: "Er is geen kracht en geen macht dan bij God den allerhoogsten en grootsten!"
Terwijl hij zoo de handen gevouwen had, wreef hij, zonder er bij te denken, tegen den ring, dien hem de Afrikaansche toovenaar aan den vinger gestoken had en welks kracht hij nog niet kende. Weldra steeg voor hem een geest als uit de aarde, van ongehoorde grootte en schrikwekkend uiterlijk, die met zijn hoofd den bovenrand van 't hoogste gewelf aanraakte en sprak de volgende woorden tot Aladdin: "Wat wilt gij? Ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als de slaaf van al degenen, die den ring aan den vinger hebben, zoowel ik als de andere slaven van den ring."
Op elken anderen tijd en bij iedere andere gelegenheid zou Aladdin, die aan dergelijke verschijningen niet gewoon was, bij den aanblik eener zoo buitengewone gestalte door schrik zijn aangegrepen, zoodat hij de spraak verloren zou hebben. Thans echter, nu hij alleen aan het gevaar dacht, waarin hij zweefde, antwoordde hij zonder schroom: "Wie gij ook zijn moogt, verlos mij uit dit oord, indien het in uw macht staat." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de aarde opende zich, en hij bevond zich buiten het hol, juist op de plaats, waarheen de toovenaar hem gevoerd had.
Men zal het niet bevreemdend vinden, dat Aladdin, die zoolang in de diepste duisternis gebleven was, in het eerst het daglicht nauwelijks verdragen kon. Eerst langzamerhand gewende hij zich er aan, en toen hij rondkeek, was hij zeer verbaasd, geen opening in de aarde te zien; het was hem onbegrijpelijk, op welke wijze hij zoo ineens uit haren schoot te voorschijn was gekomen. Slechts aan de plek, waar het hout verbrand was geworden, herkende hij de plaats weer, waaronder het hol zich bevond. Toen hij zich hierop naar de stad toekeerde, zag hij haar te midden der haar omringende tuinen, en herkende ook den weg langs welken hem de Afrikaansche toovenaar hierheen gevoerd had. Hij wandelde dienzelfden weg weer terug en dankte God, dat hij zich nog eens op de aarde terugzag, nadat hij reeds de hoop opgegeven had, meer daarop terug te komen. Zoo bereikte hij de stad en sleepte zich met veel moeite voort tot aan zijn woning. Toen hij in de kamer zijner moeder trad, viel hij uit vreugde over het wederzien, verbonden met de door zijn driedaagsch vasten veroorzaakte zwakte, in een onmacht, die eenigen tijd duurde. Zijn moeder, die hem reeds als verloren of als dood beweend had, liet het thans, nu zij hem in dezen toestand zag, aan geen oppassen en aan geen middel ontbreken, om hem weder in 't leven terug te brengen. Eindelijk kwam hij weer bij, en zijn eerste woorden waren: "Lieve moeder, geef mij asjeblieft vóór alles wat eten; ik heb sedert drie dagen nog niets over de lippen gehad." Zijn moeder bracht hem, wat zij juist had, zette 't hem voor en zeide: "Beste jongen, eet niet te haastig, want het kan je schaden; eet heel langzaam en op je gemak, en neem je wel in acht, hoe hongerig je ook bent. Ik verlang niet eens, dat je al tegen mij zult spreken. Je hebt immers nog tijd genoeg, mij je lotgevallen te vertellen, wanneer je weer heelemaal hersteld bent. Na de groote droefheid, waarin ik sinds Vrijdag verkeerd heb, en na de onzeggelijke moeite, die ik mij gegeven heb, om onderzoek naar je te doen, toen het nacht werd en je niet naar huis kwam, ben ik volkomen tevreden, je maar weer te zien."
Aladdin volgde den raad zijner moeder, at langzaam en kalm, en dronk evenzoo. Toen hij klaar was zeide hij: "Lieve moeder, ik kon u eigenlijk bittere verwijten doen, dat ge mij zonder eenige bedenking aan een man toevertrouwd hebt, die het plan had, mij in 't verderf te storten, en op dit oogenblik er vast van overtuigd is, dat ik niet meer in leven ben, of tenminste elk oogenblik sterven kan; doch gij hebt geloofd, dat het mijn oom was, en ik geloofde dit ook. Hoe hadden wij ook anders kunnen denken van een man, die mij met liefkoozingen en geschenken overlaadde en mij zulke schitterende beloften deed. Gij moet echter weten, lieve moeder, dat hij een verrader, een booswicht, een schurk is. Hij heeft mij alleen daarom zooveel geschenken en beloften gegeven, wijl hij mij in 't verderf wilde storten, zonder dat gij noch ik in staat waren, de oorzaak te raden. Ik van mijn kant kan verzekeren, dat ik hem nimmer de minste reden gegeven heb, mij te mishandelen. U zult dit zelf kunnen beoordeelen uit 't juiste verhaal dat ik u thans van alles vertellen zal, wat van onze scheiding of tot de uitvoering van zijn heilloos plan voorgevallen is."
Aladdin begon zijn moeder te vertellen, wat er met hem sedert Vrijdag gebeurd was; waar de toovenaar hem afgehaald had, om de paleizen en tuinen buiten de stad met hem te bezien; verder, wat hem onderweg tot aan de plaats tusschen de twee bergen, waar de groote tooverij gebeuren zou, overkomen was, en hoe tengevolge van een reukwerk, dat in 't vuur geworpen werd en eenige tooverwoorden de aarde zich oogenblikkelijk geopend had, en de ingang van een hol zichtbaar geworden was, dat naar een onmetelijken schat gevoerd had. Ook de oorvijg vergat hij niet, en de manier, waarop de toovenaar, nadat hij weer wat kalm geworden was, hem door groote beloften en door de schenking van een ring overgehaald had, in het hol af te dalen. Daarna vertelde hij uitvoerig, wat hij op zijn heen- en terugweg in de drie groote zalen, in den tuin en op het terras gezien en hoe hij daar de lamp gehaald had. Tegelijkertijd haalde hij haar uit zijn boezem te voorschijn en toonde haar aan zijn moeder, benevens de doorzichtige en bontgekleurde vruchten, die hij op zijn terugweg in den tuin afgeplukt had. Ook gaf hij haar de twee volle buidels, waarom zij echter weinig gaf. En toch waren deze vruchten edelgesteenten, welker flonkerende glans bij het schijnsel der lamp, dat de kamer verlichtte, op hun groote waarde opmerkzaam had moeten maken; maar Aladdin's moeder had van dergelijke dingen even weinig verstand als haar zoon. Zij was in groote armoede opgegroeid en haar man was niet vermogend genoeg geweest, haar zulke kostbaarheden te schenken; ook bij haar buurvrouwen en vriendinnen had zij nooit zulke zaken gezien. Geen wonder alzoo, dat zij ze voor waardelooze dingen aanzag, die hoogstens daarvoor goed waren, de oogen te verlustigen door de verscheidenheid hunner kleuren; vandaar ook, dat Aladdin ze weglegde achter een der kussens van de sofa, waarop hij zat. Hij voltooide daarna het verhaal zijner avonturen, en zeide, hoe hij weer uit het hol had willen komen, hoe de toovenaar de lamp opgeëischt had, en hoe daarna, op zijn weigering door het reukwerk, dat de toovenaar in het nog brandende vuur geworpen had, en eenige daarbij gesproken woorden, de opening van het hol zich oogenblikkelijk weer gesloten had. Niet zonder tranen kon hij haar den ongelukkigen toestand schilderen, waarin hij zich bevonden had, toen hij zich in het fatale hol levend begraven zag, tot het oogenblik, dat hij tengevolge van de aanraking met den ring, welks eigenschappen hij nog niet gekend had, weer te voorschijn en om zoo te zeggen voor de tweede maal op de wereld gekomen was. Toen hij zijn vertelling geëindigd had, zeide hij tot zijn moeder: "Het overige behoef ik u niet te vertellen, het is u bekend. Gij ziet thans welke avonturen en gevaren ik sedert onze scheiding beleefd heb."
Aladdin's moeder had geduldig deze wonderbare en zeldzame, tevens echter voor een moeder, die haar zoon trots al zijn gebreken teeder liefheeft, zoo droevige geschiedenis aangehoord.
Alleen bij de roerendste gedeelten, waar de boosheid van den Afrikaanschen toovenaar zoo duidelijk aan 't daglicht kwam, kon zij haar afschuw niet verbergen. Thans echter, nu Aladdin geëindigd had, liet zij zich in duizend smaadwoorden tegen den bedrieger uit; zij noemde hem een verrader, een schurk, een onmensch, een sluipmoordenaar, leugenaar, toovenaar, een vijand en verderver van het menschelijk geslacht. "Ja, mijn zoon", voegde zij er bij, "het is een toovenaar, en de toovenaars zijn een ware pest der menschheid; zij hebben, dank zij hun toovenarijen en hekserijen, verkeer met de booze geesten. God zij geloofd, die verhoed heeft, dat zijn vreeselijke slechtheid haar doel bij je bereikte. Gij zijt hem voor de genade, die hij je bewezen heeft, grooten dank schuldig; je dood ware onvermijdelijk geweest, wanneer je je zijner niet herinnerd, en hem om hulp aangeroepen hadt." Zoo sprak zij nog veel meer, om haar afschuw over het verraad van den toovenaar uit te drukken. Eindelijk echter bemerkte zij, dat Aladdin, die sedert drie dagen niet geslapen had, de rust noodig behoefde; zij bracht hem daarom te bed en legde zich spoedig daarop eveneens neder.
Aladdin, die in het onderaardsch verblijf, waar hij moorddadigerwijze begraven geweest was, geen rust genoten had, sliep den ganschen nacht vast en ontwaakte den volgenden morgen eerst zeer laat. Hij stond op, en het eerste, dat hij tot zijn moeder zeide, was, dat hij honger had, en dat zij hem geen grooter genoegen kon doen, dan wanneer zij hem een ontbijt gaf.
"Ach, beste jongen", antwoordde zij, "ik heb ook geen enkelen hap brood; je hebt gisteravond 't weinige dat nog in huis was, opgegeten. Maar heb slechts even geduld, dan zal ik spoedig iets brengen. Ik heb wat boomwol gesponnen, dat wil ik verkoopen om brood en iets voor het middagmaal aan te schaffen."
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "bewaar uw wol voor een anderen keer en geef mij de lamp, die ik gisteren meebracht. Ik wil haar verkoopen, en wellicht krijg ik er zooveel voor, dat wij ontbijt en middageten, en misschien nog zelfs iets voor den avond er voor koopen kunnen."
Aladdin's moeder haalde de lamp en zeide tot haar zoon: "Daar heb je ze, ze is echter vuil. Ik zal haar eerst wat oppoetsen, dan zal ze nog wel wat meer waard zijn." Zij nam water en fijn zand om haar blank te maken, maar nauwelijks was zij begonnen de lamp te wrijven, toen oogenblikkelijk in tegenwoordigheid van haar zoon een afschuwelijke geest van reusachtige grootte voor haar verscheen en met donderende stem tot haar sprak: "Wat wilt gij? Ik ben bereid, u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als de andere slaven der lamp."
Aladdin's moeder was niet in staat te antwoorden. Haar oogen konden de afschuwelijke en verschrikkelijke gestalte van den geest niet verdragen en zij was al bij zijn eerste woorden van angst in onmacht gevallen.
Aladdin daarentegen, die reeds in het hol een dergelijke verschijning gezien had, raapte snel, zonder den tijd of de bezinning te verliezen, de lamp op, en antwoordde in plaats van zijn moeder op vasten toon:
"Ik heb honger, breng mij wat te eten."
De geest verdween, maar kwam in een oogenblik weer terug met een groote zilveren schaal op het hoofd, waarin zich twaalf gedekte schotels van hetzelfde metaal, vol met de uitgezochtste spijzen, benevens zes brooden van het fijnste meel bevonden, en twee flesschen met den kostelijksten wijn, benevens twee zilveren drinkschalen in de hand. Hij plaatste alles te zamen op de sofa en verdween terstond.
Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin's moeder nog niet tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was, haar water in 't gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen; maar 't zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren, 't zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets toe bijdroeg, in 't kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.
"Lieve moeder", zeide Aladdin tot haar, "er gebeurt verder niets meer, sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken en tevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke spijzen niet koud laten worden, maar eten."
Aladdin's moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal, de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit alle schotels opsteeg.
"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "waar komt deze overvloed vandaan, en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons thans aan tafel zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben."
Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak, als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene tafel bevonden hadden.
Onder den maaltijd kon Aladdin's moeder niet ophouden, de schaal en de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.
Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen te nuttigen, zaten op 't uur van 't middagmaal nog aan tafel. De heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen, wanneer zij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was, bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.
Toen Aladdin's moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats en zeide tot hem: "Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult."
Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht tusschen den geest en hem voorgevallen was.
Aladdin's moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal van haar zoon en de verschijning van den geest.
"Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?" vroeg zij. "Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het schattenhol verschenen is?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "de geest, die aan u verschenen is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren, dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik aan den vinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide, dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof echter niet, dat u 't gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in onmacht viel, zoodra hij begon te spreken."
"Wat!" riep Aladdin's moeder, "dus je lamp is schuld, dat deze verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels en onze profeet heeft het gezegd."
"Met uw verlof, lieve moeder", antwoordde Aladdin, "zal ik er thans wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn, te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet, wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik, zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toeval ons haar geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan, als ik haar noodig heb, wijl gij zulk 'n grooten angst voor de geesten hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien, en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!" Daar Aladdin's opmerking zeer juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.
"Lieve zoon", zeide zij tot hem, "je kunt doen, wat je voor goed houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit meer met je daarover spreken zal."
Den volgenden dag, na 't avondeten, was er van al de heerlijke spijzen, die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.
De koopman, een sluwe en doortrapte kerel, onderzocht hem, en daar hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin, wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel 't best zou weten wat 't ding waard was, en dat hij zich heelemaal op zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid door Aladdin's openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam 't geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat hij Aladdin's volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel, en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.
Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan, kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.
Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor den eersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen; deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.
Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.
Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op, welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond verscheen weer dezelfde geest, die zich reeds eenmaal vertoond had; wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder, sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger: "Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik, als de andere slaven der lamp."
Aladdin antwoordde hem: "Ik heb honger; breng mij te eten." De geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en verdween weder.
Aladdin's moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende, met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.
Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman, dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte hem, en riep hem toe, binnen te treden.
"Mijn zoon", zeide hij toen tot Aladdin, "ik heb je reeds verscheidene malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien koopman opzoeken en spoedig daarna met leege handen terugkomen. Dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag, en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien, wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen."
In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem den goudsmid. De grijsaard, die op 't eerste gezicht al zag, dat hij van 't fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.
"Ha! die schurk!" riep de goudsmid uit. "Mijn zoon", voegde hij erbij, "wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken; maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel, die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft."
De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.
"Daar heb je", zeide hij, "het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is, dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk."
Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo'n groot voordeel getrokken had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar 't gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten, zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had, lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.
In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels der voornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen, kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten, welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had, een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet, en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk te danken, tot hetwelk wij hem in 't vervolg onzer geschiedenis zullen zien opklimmen.
Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest, totdat de prinses Bedroelboedoer [4], de dochter van den sultan, die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn. [5]
Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel, dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht tot aangezicht zien moest.
Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon, zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord, dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.
Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de onjuistheid in van zijn tot nog toe gekoesterde meening, dat alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond, rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied inboezemde.
Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning, en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was, en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te verlaten en zich te verwijderen.
Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet zoo verbergen, dat zijn moeder er niets van merkte. Zij was zeer verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten, voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was, plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg, zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak van deze buitengewone verandering mede te deelen.
Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in 't minst tevreden gesteld te hebben.
Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen, dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn moeder, die tegenover hem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het volgende gesprek aanving.
"Lieve moeder", zeide hij tot haar, "ik wil thans het stilzwijgen verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan, dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.
"Het is", ging Aladdin voort, "in deze buurt niet bekend geworden, en zoo kan u 't ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het, toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit, dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid, haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge, moeder, dat is de oorzaak van den toestand, waarin gij mij gisteren gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt, zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben, haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken."
Aladdin's moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide tot hem:
"Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat je zulke dingen zeggen kunt?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik kan u verzekeren, dat ik niet waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen."
"Waarlijk mijn zoon," antwoordde de moeder zeer ernstig, "ik kan niet nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je het kan wagen, je verzoek te laten doen."
"Door niemand anders dan door uzelf," antwoordde de zoon zonder bedenken.
"Door mij!" riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; "en aan den sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk 'n onderneming in te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen", voer zij voort, "dat je de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering te komen?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik heb u reeds gezegd, dat ik alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden, noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren, wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male het leven te schenken."
Aladdin's moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan vasthield.
"Mijn zoon", zeide zij nogmaals tot hem, "ik ben je moeder en als een goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig was, voor jou de dochter van een onzer buren tot vrouw te begeeren, die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en je armoede te denken, wil je je op 't hoogste toppunt van het geluk verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft, want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had, ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan, wanneer men om gerechtigheid smeekt, en dat hij ze zijn onderdanen gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook, dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt, zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man, jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon, waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan, wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat, dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben, in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert, dat je onmogelijk verkrijgen kunt."
Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk het woord en sprak: "Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang, bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht, welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen, wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.
"U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe, dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft, dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer zeker veel vreugde zullen bereiden. Ik spreek namelijk van de steenen in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven: alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat, en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn, dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past; breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken."
Aladdin's moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking, welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden; want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts als speelgoed beschouwd en ze alleen om deze reden meegenomen zonder eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.
Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden, nam Aladdin weder het woord en zeide: "U heeft thans geen uitvlucht meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal."
Ofschoon Aladdin's moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam zij steeds weer op Aladdin's verzoek terug, dat door het geschenk gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.
"Mijn zoon", sprak zij tot hem, "ik begrijp wel, dat je geschenk een goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal; maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.
"Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen, dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en je zult zien, dat het zoo uitkomt."
"Maar", liet zij erop volgen, "onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt, dan zal toch zeer zeker de sultan zich vroolijk over mij maken en mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn."
Aladdin's moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.
Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen, dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.
"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "wanneer de sultan mij zoo welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan denkt naar je vermogen en je stand te vragen--en dat zal hij voor alles wenschen te vernemen--zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons niet van te voren om een zaak bekommeren, die wellicht heelemaal niet zal voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat, wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal."
Aladdin's moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide tot haar: "In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen."
Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin's gemoed vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.
Aladdin's moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen en sneeuwwitten, en toen in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden, was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang; zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen, op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend, en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist, tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terug naar zijn kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in 't ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak in een volgende zitting zou voorkomen.
Toen Aladdin's moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in 't eerst niet, wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw, die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en oprechtheid aldus tot hem sprak: "Mijn zoon, ik heb den sultan gezien en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op 't laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren, die nog met hem wilden spreken. Ik was daarover zeer verheugd, want ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van 't lange staan buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren; morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer zoo druk."
Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin's boezem brandde, hij moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien, dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden, moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.
Den volgenden morgen ging Aladdin's moeder weer even vroeg met haar geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs, want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.
Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: "Reeds sinds eenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?"
De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter het antwoord niet schuldig blijven. "Heer", zeide hij, "het is u zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan heeft, dat van even weinig belang is." De sultan was met dit antwoord niet tevreden en zeide: "Wanneer deze vrouw in de volgende zitting weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik haar kan hooren." De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken, als hij dit niet uitvoerde.
Aladdin's moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed, alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.
De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de sultan Aladdin's moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had aangezien, roerde hem. "Opdat je het niet vergeet", zeide hij tot den grootvizier, "daar staat weer de vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en haar zaak in 't reine brengen."
Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.
De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin's moeder en gaf haar een teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon, waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te gaan innemen.
Aladdin's moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen zij opgestaan was, sprak hij tot haar: "Goede vrouw, ik zie je reeds langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde, bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?"
Aladdin's moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij: "Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees koester, het mijn sultan mee te deelen."
Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen, zich uit de divan te verwijderen en hem met den grootvizier alleen te laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.
Aladdin's moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel vreezen moest.
"Groote koning", zeide zij, opnieuw het woord nemend, "ik waag ook nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in 't minste aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en genade schenkt."
"Wat het ook zijn mag", antwoordde de sultan, "ik vergeef het je nu al, en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!"
Nadat Aladdin's moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde, vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe zij hem alles onder 't oog gebracht had, om hem van een hartstocht af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, "inplaats van naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer ik weigeren zou tot u te gaan en voor hem om de hand der prinses te vragen. Desniettemin heeft het mij 'n zeer groote zelfoverwinning gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal, groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis na te streven."
De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en goedheid aan, zonder in 't minste toorn en tegenzin te verraden, of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen, onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.
Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke, kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was, nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich zelven van vreugde: "Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!" Nadat hij alle steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en naar hun meest in 't oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem: "Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele wereld niets kostbaarders en meer volmaakts vinden kan." De vizier was eveneens geheel betooverd.
"Welnu", ging de sultan voort, "wat zeg je van dit geschenk? Is het de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?"
Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij, en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde hem daarom en fluisterde hem in het oor: "Heer, ik moet bekennen, dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop, dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor dezen tijd haar een veel kostbaarder geschenk vereeren kan, dan deze Aladdin, dien gij heelemaal niet kent."
Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin's moeder en zeide tegen haar: "Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan, voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug."
Aladdin's moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten, een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op: ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede, wijl haar gezicht van vreugde straalde.
"Ach, lieve moeder!" riep hij haar tegemoet, "mag ik hopen of moet ik uit wanhoop sterven?"
Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en zeide toen tot hem:
"Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken, maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben."
Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij voegde er aan toe: "uit 't heele gedrag van den sultan kon ik afleiden, dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. "Ik had daarop des te minder gerekend", ging zij voort, "als de grootvizier hem even te voren iets in 't oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde, wilde afbrengen."
Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite, welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte, dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen, en toen zij in de stad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid, zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht, wat dit alles beteekende.
"Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?" gaf deze haar ten antwoord; "weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet, hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de plechtigheid gebeuren zal."
Aladdin's moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis, dat zij bijna buiten adem aankwam. "Ach!" riep zij haar zoon tegemoet, die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid was, "alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van den sultan, maar er komt niets van."
Aladdin schrok hevig en antwoordde: "Lieve moeder, waarom zou de sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?"
"Hedenavond nog", antwoordde zijn moeder, "trouwt de zoon van den grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis." Zij vertelde hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig alle bizonderheden mee, dat hij er niet meer aan twijfelen kon. Bij deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: "Lieve moeder, de zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig, als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u intusschen voor het avondeten."
Aladdin's moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning van den geest, die zijn moeder zoo 'n grooten schrik op 't lijf had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: "Wat wil je? Ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp."
"Luister", zei Aladdin, "je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo dikwijls ik 't noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van echter zijn woord te houden, huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb 't zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou, dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben, wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt."
"Mijn gebieder", antwoordde de geest, "ik zal gehoorzamen. Heb je nog iets anders te bevelen?"
"Voor 't oogenblik niet", antwoordde Aladdin en de geest verdween.
Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de uitvoering van zijn bevel.
Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De laatste, die naar buiten ging, sloot de deur achter zich toe.
Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters, tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en in een oogenblik op Aladdin's kamer bracht.
Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus: "Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in 't geheim gemak, en kom morgen vroeg even voor 't aanbreken van den dag weer terug."
Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op, bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat hij hem een geur had toegeademd, die hij van 't hoofd tot de voeten bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.
Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: "Vrees niets, geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied, dien ik u verschuldigd ben.--Wanneer ik", ging hij voort, "gedwongen geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen, dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan, uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen."
De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde niet goed naar Aladdin's woorden en was niet in staat, hem iets te antwoorden. De schrik en de verbazing over dit plotselinge en onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht, en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.
Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven, om den geest op te roepen. Hij kwam op 't aangewezen uur weer terug en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: "Hier ben ik, wat hebt gij mij te bevelen?"
"Ga", antwoordde Aladdin, "haal den zoon van den grootvizier hier, leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen."
De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit hij het gehaald had.
Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maar namen alleen de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van 't eene oord naar 't andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen, zooals licht te denken is.
Nauwelijks had de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet, of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen, stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.
De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar 's lands gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden en hoe zij hem ontvangen had.
De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker nog vermoeid was na de lange feesten. "Ik wil nu zelf naar haar toegaan", voegde zij er bij, "en het zou me zeer verwonderen, als zij mij evenzoo ontving."
Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte, dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.
"Lieve dochter", zeide de sultane tot haar, "hoe komt het toch, dat gij al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid."
Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen zucht.
"Ach, mijn zeer vereerde moeder", riep zij, "vergeef mij, wanneer ik het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken." Zij schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest, die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar gesproken had. 's Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.
"Dit alles", voegde zij erbij, "was nauwelijks geschied, toen de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind."
De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan, wilde het echter niet gelooven.
"Lieve dochter", sprak zij tot haar, "je hebt er wel aan gedaan, dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op, er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een zottin houden, als men je zoo hoorde spreken."
"Vereerenswaardige moeder", antwoordde de prinses, "ik verzeker u, dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn gemaal; hij zal u 't zelfde vertellen."
"Ik zal er hem naar vragen," antwoordde de sultane, "maar ook, wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven, en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan je zooëven gesproken hebt." Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses, en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden, begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen, om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen; deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.
"Mijn lieve zoon", zeide de sultane tot hem, "zeg mij toch eens, heb je je dezelfde inbeelding in 't hoofd gehaald, als je vrouw?"
"Heerscheres", antwoordde de zoon van den grootvizier, "zou ik eerst mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?"
"Ik ben al tevreden", zeide de sultane, "en behoef niets meer te weten; jij bent verstandiger dan je vrouw."
De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd, om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in, niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag, moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.
Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden, trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen, en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan, waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.
De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin's bevel den volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer van het paleis, waaruit hij het gehaald had.
De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer, om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier, die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde, dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.
De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: "Nu, mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht hebt?"
De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar vol toorn en met getrokken sabel toe: "Wanneer je mij niet bekent, wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!"
De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel, brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: "Geliefde vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel."
Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde, vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de woorden: "Wanneer gij ook maar in 't minst aan mijn verhaal twijfelt, dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal, als ik."
De sultan deelde den diepen kommer, waarin de prinses door een zoo zonderling avontuur gebracht moest worden.
"Lieve dochter", sprak hij tot haar, "het was zeer verkeerd van je, dat je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt, die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe."
Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den grootvizier roepen.
"Vizier," zeide hij tot hem, "heb je je zoon al gezien en heeft hij je niets verteld?"
Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had, vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer vernomen had. "Ik twijfel niet", zeide hij ten laatste "dat mijn dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem, wat er waars aan de zaak is."
De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee, wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets verbergen moest en zeggen, of alles waar was.
"Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader", antwoordde de zoon. "Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling, die ik in 't bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht, zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses, mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen, dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet, of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultan te verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt."
Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had, zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch, daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden, niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was; zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou blootgesteld blijven.
Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken, en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en vermakelijkheden op.
Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar hun eigen huis had zien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag, dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen, om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.
Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.
Aladdin's moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen, of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden: "Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen, gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord."
De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en herkende eveneens Aladdin's moeder. Terstond riep hij den overste der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.
Aladdin's moeder naderde den voet van den troon en wierp zich neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij begeerde.
"Groote koning", antwoordde zij, "ik verschijn ten tweeden male voor uw aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren, dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig, dat gij u de zaak moogt herinneren."
De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de armoede van Aladdin's moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer lage afkomst zijn moest.
De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te zeggen.
"Heer", antwoordde hij hem, "ik meen, dat er een onfeilbaar middel bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin, zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk overwogen heeft."
De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich tot Aladdin's moeder en zeide na even nagedacht te hebben tot haar:
"Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen, zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn, zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden, die door veertig andere buitengemeene schoone en op 't prachtvolst aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter, te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord."
Aladdin's moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze verlangen van haar zoon. "Waarachtig", zeide zij, "waar zal hij zoo vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn."
Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen hem: "Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aan een huwelijk met prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder 't oog had gebracht, dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht, zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord, dat ik je thans zal mededeelen."
Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. "Mijn zoon", sprak zij ten slotte, "hij verwacht een antwoord; maar onder ons gezegd", ging zij lachend voort, "ik geloof, dat hij lang zal moeten wachten."
"Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt", antwoordde Aladdin, "en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde eischen 't mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht, of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen, moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan."
Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin de lamp en wreef haar. Terstond verscheen de geest, en vroeg met de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij bereid was hem te bedienen.
Aladdin sprak tot hem: "De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter, tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde, slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit." De geest zei, dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.
Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen, diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven, zoowel de blanke als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis, dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was, en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde, dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.
Toen Aladdin's moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich zeer, dat zij zooveel menschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit niet toe.
"Lieve moeder", sprak hij tot haar, "wij hebben thans geen tijd te verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt, opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn schoonzoon te worden."
Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg, te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.
Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin's woning, of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren, wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde, om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid, de schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de toeschouwers in zoo'n groote verbazing en bewondering, dat zij niet moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest blijven staan op de plaats, waar hij was.
Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem, om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: "Wij zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is."
Zoo kwam de eerste slaaf aan 't hoofd van den geheelen stoet op 't tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen, die Aladdin's geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was armelijk in vergelijking bij die van Aladdin's afgezanten. Daar men den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven, ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen, waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.
Ondertusschen naderde Aladdin's moeder den voet van den troon, wierp zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: "Heer, mijn zoon Aladdin weet zeer goed, dat het geschenk, 'twelk hij u zendt, ver beneden blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij, dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt, na te komen."
De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin's moeder met opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertig gouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste, schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven, die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van dus den groet van Aladdin's moeder te beantwoorden, keerde hij zich tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele rijkdommen mochten gekomen zijn.
"Welnu, vizier", zeide hij luid tot hem, "wat denk je van hem, wie 't ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt, zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig, mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?"
Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon des sultans worden zou, zoo waagde hij 't toch niet, zijn meening te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin's geschenk meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak: "Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt, onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses, uwe dochter, kon opwegen." De heeren van het hof, die de zitting bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen te kennen, dat zij evenzoo dachten als de grootvizier.
De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden, de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter wenschte. Om daarom Aladdin's moeder volkomen te bevredigen, zeide hij tot haar: "Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt, om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te meer zal hij mij plezier doen."
Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen sport van het geluk te zien, snelde Aladdin's moeder naar huis; de sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit bevel werd terstond uitgevoerd.
Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan, die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijn verhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin's moeder met een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.
"Mijn zoon", zeide zij tot hem, "ge hebt alle reden om tevreden te zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet, wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb, ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen."
Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den dag. "Geest", zei Aladdin tot hem, "ik heb je geroepen, opdat je me aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit een vorst gedragen heeft." Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hief hem op en droeg hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige, ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders, dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald, en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. "Ja", antwoordde Aladdin, "ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek, het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die, welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg, ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ook voor mijn moeder zes slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig, alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had; ga, en haast je."
Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin's moeder, in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles aan Aladdin over.
Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken; ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.
Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin zich gereed, des sultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij vaardigde een zijner slaven af--ik zal niet zeggen den schoonsten, want zij waren allen gelijk--naar het paleis, met het bevel zich tot den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.
Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo'n edele houding, dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval en bewondering door de lucht klonken, in 't bijzonder, toen de zes slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers, die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen, herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder andere eigenschappen ook die bezat, haren bezitter langzamerhand alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk droegen en begeleidden. In 't bijzonder werd ook het paard door kenners bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand, trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd, want hij scheen beide waardig te zijn.
Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte, liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.
Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke en prachtige kleeding, zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als in 't bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats te nemen.
Hierop nam Aladdin het woord en sprak: "Heer, ik neem de eer, welke gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen; veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet, hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door 't een of ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik, dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou, wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien."
"Mijn zoon", antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde, "gij zoudt mij onrecht doen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij voortaan te dierbaar,
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg