1812: Historische roman
Ludwig Rellstab
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op | | https://www.gutenberg.org/cache/epub/48216/pg48216-images.html | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
1812
[Illustratie: Een officier drong door de menigte heen, een papier in de hand houdende.]
1812
Historische Roman
van
L. Rellstab
Uit Het Hoogduitsch
Door
J. J. A. Goeverneur
7e DRUK
Met Platen
[drukkersmerk]
Rotterdam—D. Bolle
Stoomdrukkerij Koch & Knuttel—Gouda
Eerste Boek.
Hoofdstuk I.
Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der zon, naderde Lodewijk Rosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de afhelling van den Simplon gelegene stadje Duomo d'Ossola. Te voet van Baveno, aan den Lago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid, ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen aangeboden had.
Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt, had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome, den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen, waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe? was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling terug; want zijn hart voelde zich gedrongen, de geliefde moeder, welker gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting, welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur, die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.
Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen, ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele lengte overzien; ter linker lagen Duomo d'Ossola's kleine markt en rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke, levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten en in een vertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de wolken opstak.
De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van de zijde van Baveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe. In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare; de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het dal van Aosta afdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane, naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok. Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel, het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven. Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven, op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds, na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier der hoop, onder welke hij zijn intocht hield in Italië's velden. Met onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij, onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de smalle bergwagens kan bereden worden.
Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg, ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine, geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar den gereedstaanden char-à-banc geleidde. Zou zij dan voor altijd aan den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest. In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot. Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen, een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij; „ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken, die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op, die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen, den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking van zachtheid en onschuld op hem gevestigd. Een vriendelijke lach speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen; met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen; zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks, dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen, doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de verbeelding terug.
En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig, dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had. In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld, drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders; daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht, hij wilde de schoone gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over, of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche woorden: „_Voilà mon frère!_” uitriep en op hem toesnelde. Geheel verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar, in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graaf Wallersheim,” lispelde zij hem tevens in het hoogduitsch toe.
Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.” Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag: „Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer. Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster, vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor grensplaatsen als Duomo d'Ossola zóó stipt, dat ik genoodzaakt zou geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen in de richting van Sempione zou hebben uitgezonden, om u van deze belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen, voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult met meerdere vrijheid kunnen reizen.”
Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen. Vrij verward duwde hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijn _bon voyage_. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.
Hoofdstuk II.
Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien. De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus, vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen, welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van het rijtuig ophield. Nu greep de schoone gesluierde met onstuimige hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder! De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een weldadigen stroom van tranen los.
De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid vertoond had, scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed. Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan. Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten, en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige, gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk bepalen aan welken landaard ze behoorden; nu eens waande hij spaansche, dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van den Simplon nu weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.
Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde, dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke, voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen. „Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken, en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had. „Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.
„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden, wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren, ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw bijstand willen verleenen?”
„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar verbonden!”
Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.
„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen, daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik geen gravin Wallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel niet twijfelachtig meer zijn.”
„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.
„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende zijn.”
„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!” herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde, naarmate zij nauwer verbonden schenen.
Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in zijn boezem.
Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gij ~moogt~ mij niet alleen zuster noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar gij ~moet~ het ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon, dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”
De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.
„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden, zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner. Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden. Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand wilde maken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit wraak een verrader geworden.
Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”
„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou maken, dan voor u te wagen.”
Bianca zweeg.
De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl de Veriola schuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw, verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich geboeid houden?
Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat onrust noch zorg haar meer beangstigden.
De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; de Veriola schoot klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk verdoofde een doffe donderslag het gehoor.
Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is dat? Waar zijn wij?”
„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De postiljon klapte met de zweep.
„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden worden?”
„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was Lodewijks antwoord.
„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief den blik op tot de heldere sterren boven haar.
Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.
„_Votre passeport, Monsieur_,” luidde de beleefde, maar korte en beslissende vraag.
„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten moest.
Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.
De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „_Votre serviteur, monsieur le comte._”
„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en murmelend, als uit de verte.
„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.
„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat voert.”
„Dit is de gaanderij van Trissinone,” liet zich de stem hooren van den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te deelen.
Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe, vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien minuten was men weder onder den vrijen hemel.
Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke akelige gewelven?”
„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles, wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag. Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van zijn machtigen wil tot stand gebracht.”
„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen, waarop hare woorden schenen te doelen.
„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur; „op de lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”
„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg Bianca.
Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde, onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.
„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders. Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn hart bloedt, als ik daaraan denk!”
Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en kaatsten het maanlicht glanzend terug.
„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de flonkerende sneeuwtoppen.
Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde borst verlichtte, den vrijen loop.
„Die top links is de Sempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden bediende wendende.
„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.
„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorp Sempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen schijnt, bereikt.
Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts weinig oogenblikken, om zich door eene vluchtig genoten verversching en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten hield de postiljon zijne paarden staande.
„Wat is er?” vroeg Lodewijk.
„Hm, Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden, duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.
„Het zal gaan,” sprak de postiljon en dreef de paarden opnieuw aan.
Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen hadden.
Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.
„_Dio Sànto_!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.
Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht zijne kalmte te behouden en sprak: „Er zal geen gevaar zijn; deze menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”
Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte. De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil, zwijgend en donker als in het graf.
Hoofdstuk III.
„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben nog gelukkig de gaanderij bereikt.”
De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.
„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben; want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen, en dat nog wel in het donker!”
Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik allen tegelijk het leven benomen?
Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon, die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.
„Licht, licht!” riep hij driftig.
„Dadelijk, signore!”
De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg: „Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak: hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder; vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht, door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras, en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend, maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen verzonken: „Wie roept mij toch?”
„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.
„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken, in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft! zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne Margaretha, herkent gij mij?”
Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig: „Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”
Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte, waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig te onderzoeken.
Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit het oog te verliezen.
Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar men zich thans bevond.
„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten afklimmen.”
Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig waren het achterrad te bezichtigen.
„Nu ja, signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel tot Brieg, zullen wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaal rekenen. Achter gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”
Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn. Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”
„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar, dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam, zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout. Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”
„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare genade heeft groote haast.”
De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd, monsignore, maar niet zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn; ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”
Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus vastberaden.
„Dat ware goed en wel, monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”
„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk, terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”
Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.
„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en haalde het gevraagde te voorschijn.
„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon, „de bediende mag bij de dames blijven.”
„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende, half verdrietig.
Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het. Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”
Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne standvastigheid liet haar geene keuze.
„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”
Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon volgde hem.
„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.
De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand. Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep: „Sante Borromeo! Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts, signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort. Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”
Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen gesloten was.
„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.
„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de postiljon.
„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang voor. Zij moesten in Sempione en in het naaste posthuis wel doof zijn, als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland ben.”
Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde. Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had, en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande: „Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”
De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar, signora, men zal er ons wel weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond in Brieg, maak daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven. Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”
Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een doffen knal in de verte.
Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.
„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca klemde zich angstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een verren stroom, die woest over klippen heenbruist.
„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”
Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig waagstuk verijdeld was geworden.
Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,” vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en middelerwijl geladen.
„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden, opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af. Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is het _da capo_, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw, en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”
Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.
De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten. Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven, dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet, als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen, schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering voor die verschrikkelijke natuurverschijnsels niet de smartelijke gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen toe!
Hoofdstuk IV.
Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,” voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang, aan de zijde van Brieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.
Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.
„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit. „Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”
Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal zag men het kleine stadje Brieg, door de kronkelende Rhône met een glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht, die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:
„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart weder.”
„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer zij nog slechts vluchtig de ijskorsten des winters met haren adem aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste Meidag.”
Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te sterker.”
„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”
Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder herstellen.
Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en talrijke mossoorten met groen bekleed waren.
De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand, geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift, die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.
„_Mama, mama_,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes, „_Mama mia! Un signore, una signora!_” De moeder, eene italiaansche vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de vreemdelingen te gemoet.
„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”
„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij hier een ontbijt bekomen?”
„Gewis, signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde, met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „_Una bellissima signora_!”—„Ja wel, Giannettina,” hernam deze, „eene schoone, voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en haar recht van harte kuste.
„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”
„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met kinderen!”
Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men hierboven!” zeide Bianca verwonderd.
„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen ze ons uit Duomo d'Ossola mede. Gelieft de signora plaats te nemen? Ik zal dadelijk het ontbijt brengen.”
Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleine Giannettina op haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen, oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden, dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.
De waardin verscheen met een echt zwitsersch ontbijt. Op het schenkblad stond eene reusachtig groote kan met koffie, een andere met chocolade; versche boter, kaas, honig, ingemaakte vruchten en gebak werden haar door een dienstmeisje nagedragen.
Men zette zich aan tafel. Bianca hield de kleine Giannettina bij zich en liet haar mede ontbijten, ten einde, door zich geheel met het kind bezig te houden, een angstvallig gespannen gesprek te vermijden, dat zij met Lodewijk op den vertrouwelijksten toon had moeten voeren.
Korten tijd had men nog slechts vertoefd, toen de wagen kwam aanrollen, die met behulp van eenige landlieden van de bekomen schade weder eenigszins hersteld was. IJlende spoed nog altijd noodzakelijk achtende, nam Bianca overhaast en vriendelijk afscheid van de lieve kleine, die bitterlijk begon te weenen, toen de schoone signora haar verlaten wilde. „Ik kom spoedig terug, mijne Giannettina,” sprak deze vleiend; maar het kind weende voort en scheen niet tot bedaren te brengen. Bianca kuste het, gaf het aan de moeder over en snelde naar buiten.
„Hoe elk haar bemint en beminnen moet!” zuchtte Lodewijk, toen hij haar naar den wagen geleidde en eene zachte aandoening op hare schoone gelaatstrekken bespeurde.
In snellen draf spoedde men thans over den straatweg voort; want de nieuwe postiljon, die getuige geweest was, hoe rijkelijk Paul zijn voorganger en de landlieden in naam der gravin begiftigde, hoopte insgelijks op een goed drinkgeld. Zoo bereikte men Brieg, in het kanton van Wallis, binnen weinige uren, doch ook slechts te nauwernood, daar 't rijtuig bij elken schok uiteen scheen te zullen springen, zoodat men zich op het laatst nog genoodzaakt zag, zachter te rijden wilde men nieuwe ongelukken verhoeden.
De herberg bereikt hebbende, was het Lodewijks eerste werk voor de herstelling van het rijtuig zorg te dragen. Smid en wagenmaker werden ontboden; zij verklaarden dat ten minste vier uren daarmede zouden verloopen.
Bianca zou gaarne den wagen met een anderen verwisseld hebben, doch hiertoe was in het kleine stadje waarschijnlijk geen gelegenheid te vinden; ook zou het verruilen van dit, overigens voortreffelijk ingericht rijtuig een argwaan verwekt hebben, die gevaarlijker kon worden dan de vertraging zelve. Men vergenoegde zich dus met, door de belofte van een rijkelijke belooning, den ijver der werklieden aan te wakkeren.
Bianca verkreeg met Margaretha een afzonderlijke kamer, terwijl Lodewijk de daaraan grenzende betrok. Paul bleef beneden in de schenkkamer, waar hij zich vermoeid in een leunstoel nederwierp. Hij had een geneesheer ontboden, die de bloedende, pijnlijke wonde aan het hoofd verbond. Zijne krachten schenen zeer uitgeput; in dit opzicht ook waren eenige uren rust dus wellicht noodzakelijk, wilde men het leven van den reeds vrij bejaarden dienaar niet aan gevaar blootstellen.
Lodewijk, die, hoe sterk eene begeerte hij er ook toe gevoelde, het onvoegzaam oordeelde zijn gezelschap aan de zoo zeer rust en verademing behoevende vrouwen op te dringen, wilde van dit uur gebruik maken, om de gebeurtenissen der laatst voorgaande uren in zijn dagboek op te teekenen. Met schrik echter ontwaarde hij, de brieventasch verloren te hebben, welker bladen hij tot dat einde gewoon was te bezigen. Hij herinnerde zich duidelijk, ze op geringen afstand van Brieg nog gebruikt te hebben; zij moest dus in het huis of op den korten weg daarheen verloren zijn geraakt.
Na vruchteloos zijne kamer doorzocht en bij den waard navorschingen gedaan te hebben, besloot hij te beproeven, of het verloren goed, waarop hij wegens de daarin vervatte papieren grooten prijs stelde, misschien op den weg nog te vinden was. Hij bereikte het einde van het stadje zonder iets te hebben ontdekt, en wandelde nu verdrietig langs den straatweg voort. Thans eerst bemerkte hij, dat de plaats, die hem bij het binnenrijden zoo nabij de stad gelegen scheen, nog een vrij aanmerkelijken afstand daarvan verwijderd was. Bijna een uur had hij in snellen tred afgelegd, en nog niets gevonden. Reeds gaf hij alle hoop op, toen hij eenige schreden voor zich uit iets roods in het gras zag liggen; hij ijlde er op toe en vond inderdaad het vermiste weder. Vroolijk spoedde hij zich naar de stad terug. Omstreeks een vierde uur mocht hij nog van haar verwijderd zijn, toen hij achter zich den hoefslag van een paard vernam. Hij wendde zich om en bemerkte een ruiter, die in vollen galop kwam aanrennen, ettelijke honderd schreden achter dezen zag hij eene, door een tweeden ruiter vergezelde reiskoets den, door de kromming van een weg veroorzaakten hoek omslaan en vervolgens met buitengewone snelheid de straat afrollen. Dit maakte zijne opmerkzaamheid gaande. Hij had echter nog den tijd niet gehad om eenige gissingen te maken, toen de eerste ruiter hem reeds genaderd was, het paard aanhield en in het fransch vroeg:
„Zijt gij uit Brieg, mijnheer?”
„Dat niet,” antwoordde Lodewijk, „ik ben een reiziger en keer van eene kleine wandeling naar de stad terug.”
„Weet gij niet, of daar een wagen met vier paarden, twee dames, een heer, benevens een bediende op den bok is aangekomen?”
Lodewijk wilde juist neen antwoorden, toen de reiskoets naderde en stilhield. De heer, die zich in gezelschap van een Franschen officier daarin bevond, boog zich uit het portier en herhaalde dezelfde vraag. Dit stelde Lodewijk, die terstond een samenhang tusschen deze navorschingen en Bianca's vlucht vermoedde, in staat, zich op eenig, gevaar afleidend antwoord voor te bereiden. Hij herinnerde zich, dat het posthuis vooraan in het stadje lag en men dus van paarden kon verwisselen, zonder tot de herberg door te rijden. Vrij bedaard antwoordde hij dus: „Reeds voor eenige uren heeft die wagen hier stilgehouden. Er was, geloof ik, eene as gebroken, die men eerst weder hersteld heeft. Doch voor ongeveer een kwartier, juist toen ik de stad uitging, zijn die vreemden ook weer weggereden.”
„Duivel!” bromde de heer uit de koets, „welke richting namen zij?”
„De eenige, die zij nemen konden, over Sion naar Genève,” was het antwoord. „Daar ginds ziet gij de straat, op zijde van de Rhône.”
„Kan men niet recht doorrijden?” vroeg de reiziger met drift.—„O ja,” dus nam de postiljon van Lodewijk het woord op, „daar beneden kan men terstond links afslaan en indien uwe genade niet bevreesd is voor een weinig water, dat misschien in den wagen kan komen, zoo rijden wij de beek door en winnen een groot half uur uit, zonder de stad te raken. Wanneer uwe genade daarmee tevreden is, hoop ik de reizigers nog in te halen; want zij moeten op dit oogenblik in het bosch daar beneden zijn, wijl men anders van hier den wagen op de landstraat zien zou.”
„Is de zijweg gevaarlijk?”
„In het minst niet, slechts een weinig hobbelig; in één uur op zijn langst hebben wij de reizigers achterhaald, als uwe genade verantwoorden wil, dat ik het posthuis voorbij rijd.”
„Ik sta voor alles,” riep de officier in den wagen, „en bovendien behoudt gij de twintig gouden napoleons, die ik u beloofde, zoo wij de vluchtelingen vóór Brieg achterhaalden. Kom, voorwaarts!”
De wagen rolde voort.
Lodewijk stond als versteend van schrik; doch spoedig besefte hij, dat hem geen keus overbleef. Buiten adem spoedde hij zich naar het stadje terug, om de vrouwen van het gehoorde te onderrichten. In minder tijds nog, dan voor eenige uren met den wagen, had hij de herberg bereikt en stond hij, hijgend, in Bianca's kamer. „Mijn hemel, wat deert u?” vroeg deze, zijne ontroering en ontsteltenis bespeurende. Ademloos begon hij te verhalen, wat hem bejegend was.
„Barmhartige God,” viel zij hem angstig in de rede, „dan zijn wij verloren! Welk voorkomen had de reiziger? Had hij zwart haar en donkere oogen, een bleek gezicht, zeer witte tanden?”
„Het scheen mij zoo,” antwoordde Lodewijk; „doch daar hij zoo dicht in zijn mantel gewikkeld was, kon ik zijn gelaat niet behoorlijk onderscheiden; ook beken ik, daarop juist geen bijzonder acht geslagen te hebben, daar de zaak zelve mij te zeer ontroerde; doch hoor verder!”—Hij berichtte nu, door welk eene zeldzame aaneenschakeling van omstandigheden de vervolgers op een dwaalspoor waren gebracht.
„God zij gedankt,” riep Bianca en drukte hare voedster nauwer aan het hart. „O, gij zijt onze beschermengel!” ging ze, zich tot Lodewijk wendende, voort en reikte hem de hand.—„Maar wij hebben geen oogenblik te verliezen!” Met deze woorden rees zij driftig op en schelde om Paul.
„Ten minste twee uren moeten er verloopen,” riep Lodewijk, „eer zij hunne dwaling bemerken; want in een groot uur dacht de postiljon de reizigers eerst te bereiken. Hij zal van de eene minuut tot de andere door valsche hoop verder gelokt worden en misschien wel tot de volgende posterij doorrijden. Dan kunnen zij vóór den nacht niet terug zijn, en in dien tijd schaf ik met Gods hulp raad.”
Bianca sidderde hevig en wees den arm van Lodewijk, die haar ondersteunen en naar een stoel geleiden wilde, niet terug. „God heeft ons zóó zichtbaar beschermd,” sprak zij, na van den eersten schrik bekomen te zijn, met meerdere kalmte, „dat ik ook verder op Hem mijn vertrouwen stel. Gij werdt ten tweede male onze redder. Zonder het toeval, dat u op de landstraat voerde,—hetgeen anders hoogst gevaarlijk had kunnen zijn,—waren wij onherstelbaar verloren. Doch de Algoede is kennelijk met ons!” Daarbij richtte zij een onbeschrijfelijken blik, waarin een traan van kinderlijke dankbaarheid met een van angst te zamen smolt, ten hemel.
Paul was naar boven gekomen. Margaretha nam hem ter zijde en fluisterde eenige woorden, die den ouden dienaar bleek en verschrikt deden terugtreden. „Dadelijk vertrekken,” riep hij uit, „geen ander redmiddel blijft ons. Naar den wagen kunnen wij niet wachten; ook zou deze ons niets baten, daar wij geen anderen weg kunnen inslaan, dan dien onze vervolgers reeds genomen hebben. Ongemerkt, elk afzonderlijk en te voet moeten wij de stad verlaten en het gebergte zien te bereiken; dat is alles wat wij doen kunnen. Pak dus het onontbeerlijkste bijeen, genadige gravin, en tracht met vrouw Margaretha buiten de stad te komen. Gij neemt uwen weg het dal door, de Rhône opwaarts en houdt haren linkeroever. Bij het voorbijrijden heb ik gezien, dat een sterk betreden voetpad langs de rivier voortloopt; buiten twijfel strekt zich dat tot het dal uit. Een half uur van hier wacht gij mij op en kiest daartoe eene boschachtige plaats aan den oever, vanwaar gij den weg naar de stad overzien kunt, opdat wij elkander niet misloopen. Ik zal het huis in eene tegenovergestelde richting verlaten; mijnheer de graaf moet schijnbaar een derden weg inslaan, opdat het zooveel mogelijk verborgen blijve, waarheen wij ons gewend hebben. Als wij eens weder bijeen zijn, zullen wij wel gidsen vinden, die ons over het gebergte leiden, en wellicht zijn ook muildieren te bekomen, om onze reis te bespoedigen.”
Paul sprak deze woorden met zulk eene vastheid, dat zij als bevelen klonken; intusschen was zijn raad zoo goed, dat men er daarom alleen reeds onvoorwaardelijk gehoor aan had moeten verleenen. Lodewijk bewonderde de koele vastberadenheid en den klaren, krachtigen spreektrant van den ouden man, die zijne bedaardheid van geest ook aan anderen scheen mede te deelen; want zelfs Bianca liet bij al hare angstvalligheid eene kalmte en zielkracht blijken, welke Lodewijk met recht verbaasde. Zij zocht hare papieren, hare brieventasch en eenige andere kleinigheden bijeen, terwijl Margaretha de noodigste kleedingstukken uitkoos en in hare reticule, in het werkmandje der gravin, gedeeltelijk ook in beider hooge stroohoeden verdeelde. In minder dan vijf minuten waren de vrouwen reisvaardig en verlieten ze het vertrek. Een kamermeisje ontmoette haar in de gang en werd door Bianca aan een venster gebracht, dat naar de zijde van Sion, de tegenovergestelde richting van haar voorgenomen vlucht, een uitgestrekt uitzicht opleverde. „Hoe ver is het wel?” vroeg deze, met den vinger op eene nabijgelegene hoogte wijzende, „van hier tot aan den top van gindschen heuvel? Kunnen wij nog vóór het duister eene wandeling derwaarts doen?”
„Wanneer de dames vlug ter been zijn, zal het nog gaan; maar het is een goed uur,” antwoordde het meisje.
„Dan komen wij niet voor donker, misschien ook wel iets later terug,” zeide Bianca; „zorg dan slechts, dat onze kamer in orde zij, mijn kind.”
„Verkiest uwe genade het avondeten op hare kamer?”
„Zekerlijk; voor drie personen; maar niet vóór negen ure,” luidde Bianca's antwoord, en hierop zweefde zij, aan de zijde harer gezellin, de trappen af.
Lodewijk riep haar met opzet luid na: „Veel vermaak, lieve zuster; ik voor mij voel geen lust, mij nog meer te vermoeien; zoo ik niet liever geheel thuis blijf, zal ik mij met eene kleinere wandeling tevreden stellen.”
Hierop boog hij zich uit het venster en zag, welke richting zij insloegen. Nog vijf minuten liet hij verloopen, toen zocht ook hij het noodwendigste bijeen en verliet, onder het neuriën van een liedje, het huis, als wilde hij slechts een eindweegs de straat opwandelen. Onder het voortdrentelen zag hij nog een paar malen naar Paul om, doch werd hem niet gewaar. Weinig schreden van huis ontmoette hij den stalknecht, wien hij opdroeg, aan Paul te gelasten nog eens naar den smid en wagenmaker te gaan en hen tot spoed aan te manen, daar hij dadelijk na het avondeten vertrekken wilde.
De stalknecht antwoordde: „De kamerdienaar laat juist daar beneden in de straat een horlogeglas voor uwe genade inzetten; wanneer hij terugkomt, zal ik hem de boodschap dadelijk overbrengen.” Lodewijk wist nu ten minste, dat Paul ook reeds onder een geschikt voorwendsel het huis verlaten had.
Hoofdstuk V.
Met een kloppend hart bereikte Lodewijk het vrije veld en hij was er nu slechts op bedacht, de ter bijeenkomst bestemde plaats op de beste en zekerste wijze op te sporen. Dit was echter niet gemakkelijk, want de verschillende bochten der kleine straat, die hij gevolgd was, hadden hem naar de geheel tegenovergestelde zijde van het stadje gevoerd. De binnenweg, dien hij vervolgens insloeg, was aan weerszijden met tuinen omgeven en vergunde hem niet eenmaal het gezicht op de Rhône. Een geruimen tijd hield hij dien weg, verdrietig zich bij voortduring door heggen, heiningen en staketten omringd te zien. Eindelijk toch bereikte hij de vlakte, maar ontdekte tevens zoo diep in de landstreek te zijn doorgedrongen, dat het hem niet mogelijk was te bepalen op welke hoogte hij zich bevond. Op goed geluk af spoedde hij zich dwars over akkers en weilanden in de richting voort, welke hij nemen moest. Voor meer dan een half uur had Bianca het huis reeds verlaten; elke minuut was hem derhalve kostbaar, wilde hij de geliefde niet aan eene angstige onzekerheid overlaten en, door zijn lang achterblijven, aan eenig nieuw gevaar blootstellen. Hij verhaastte zijne schreden en bereikte eindelijk een pad, dat naar eene hoogte opvoerde, vanwaar hij de Rhône moest ontdekken. Deze beklommen hebbende, zag hij zich tot zijne niet geringe ontsteltenis aanmerkelijk verder van de rivier verwijderd, dan hij in den beginne geweest was. De Rhône toch kronkelde zich, eenigszins ter zijde van Brieg, met eene zoo sterke, bijna achterwaarts springende bocht, dat Lodewijk, den oorspronkelijken loop der rivier tot grondslag van zijne richting genomen hebbende, thans dat gedeelte van den oever, dat omstreeks een half uur van de stad verwijderd lag en waar Bianca dus volgens afspraak op hem wachtte, op een vrij aanmerkelijken afstand achter zich zag liggen. Ging hij dus van de plek waar hij zich nu bevond in eene rechte lijn op den vloed af, dan bereikte hij dien ver aan gene zijde der plaats van samenkomst; nam hij zijn koers zoo, dat hij vóór het punt, waar Bianca hem vermoedelijk verbeidde, de rivier raakte, dan moest hij een terugweg maken, grooter dan die, welke hem thans van de stad scheidde, en een geheel uur ging volstrekt verloren. Het raadzaamst was dus rechtstreeks op de rivier af te gaan en haar loop te volgen, tot hij zijne reisgenooten van de tegenovergestelde zijde bereikt had. Hij raapte daarom al zijne krachten bijeen en spoedde voort. Daar breede aardkloven, zandhoogten en enkele moerassige plaatsen hem dikwijls tot kleine omwegen noodzaakten, was er weldra een half uur voorbijgegaan zonder dat hij den oever bereikt had. De zon was reeds achter den rotsmuur der Alpenketen weggezonken en de blauwachtige schaduwen van den avond begonnen zich over het diepe dal van Brieg uit te breiden. Thans hoorde hij de Rhône ruischen; nog eene rotsachtige met distelachtige struiken overdekte, tamelijk steile hoogte, die den vloed als een dam scheen te vergezellen, moest hij beklimmen, dan hoopte hij het oeverpad bereikt te hebben. Moedig begon hij opwaarts te klauteren. De hoogte was echter steiler dan hij bij den eersten, vluchtigen aanblik vermoed had; slangvormige kronkelende braamstruiken spreidden zich als strikken over den grond uit en wondden met hunne scherpe, puntige doornen door de laars heen zijn voet. Eindelijk had hij deze hindernissen met bloedige handen en voeten doorworsteld en de hoogte bereikt. Haastig trad hij voort, om aan de andere zijde af te stijgen, toen hij eensklaps in zijn loop gestuit werd; hij stond voor een afgrond en hoorde onder zich de Rhône in hare diepe bedding voortrollen; hare golven zien kon hij niet, daar de rots waarop hij stond met eene schuine helling voorover neigde. Omkeeren en de hoogte, de rivier afwaarts, volgen, was het eenige dat hem overbleef, nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar voetpad en hij moest dus vreezen, zich nog niet op den weg te bevinden, waarop hij de geliefde hoopte aan te treffen. Hij zag zich intusschen genoodzaakt, langs den stellen oeverkant voort te gaan, die, gestadig dichter met hoog kreupelhout begroeid, hem eindelijk het uitzicht in de verte geheel belette. Tot zijne bemoediging echter ontdekte hij, dat de grond van lieverlede meer gebaand werd en eindelijk in een druk betreden voetpad uitliep. Dit moest voorzeker den weg zijn, dien Paul bedoeld had. Lodewijk trad dus met verdubbelde snelheid langs dien weg voort. De spoed echter deed hem vergeten op het bruisen van den stroom acht te geven, en eerst na een kwartier te zijn voortgegaan, bemerkte hij de doodelijke, zwijgende stilte, die in het rond heerschte en hem deed vreezen, dat hij wederom van de rivier was afgedwaald. Gelukkig werd het pad nu minder dicht begroeid, en dit maakte het vertrouwen bij hem levendig, dat hij nu toch eindelijk de vlakte zoude bereiken, waar hij stellig verwachtte, Bianca spoedig te zullen opsporen. Nauwelijks echter vergunde het lage kreupelhout hem een onbelemmerd uitzicht, of tot zijne levendige ontsteltenis zag hij zich weder ver van de Rhône verwijderd. De bedriegelijke stroom had andermaal door een breede kronkeling zijn loop veranderd. Van spijt en bezorgdheid buiten zich zelf, sloeg de jongeling nu dadelijk rechts af en richtte zich lijnrecht naar de rivier. Geheel ademloos bereikte hij haar en vond inderdaad een betreden voetpad, dat den gekromden oever van de stad af scheen te volgen en verder daar langs voortliep. Hij raadpleegde zijn horloge. Volle twee uren was hij nu reeds op weg en nog slechts een half uur van de stad verwijderd. Enkele donkere groepen van braam- en vlierstruiken vertoonden zich van tijd tot tijd aan den oever en waren buiten twijfel geschikte schuilplaatsen voor de vrouwen geweest om er de komst der mannen te verbeiden. Maar wachtten zij nu, daar het duister reeds begon te vallen, nog op hem? Hadden zij het punt om hem te ontmoeten op de hoogte waar hij zich thans bevond, of wellicht niet ver achter hem gekozen? Dit waren twee vragen, die hem met bange onzekerheid vervulden. Intusschen draalde hij niet met het nemen van een besluit. Hij wilde zoo ver terugsnellen, tot hij verzekerd kon zijn, dat het punt van samenkomst niet meer tusschen hem en de stad lag. Dan ten minste kon hij met zekerheid zijne schreden voorwaarts richten. Zoo snel mogelijk ijlde hij dus weder op de stad toe; in elk naderend boschje hoopte hij de dierbare te zullen ontdekken; telkens bedroog hij zich. Thans zag hij iets wits schemeren; zij moest het zijn! IJdele hoop! Het was een stuk linnen, dat, tegen de afhelling van een grasheuvel te bleeken gespannen, door de bijna ontbladerde heg heenblonk. Nu was hij de stad zoo na genaderd, dat Bianca onmogelijk reeds hier had kunnen wachten. Daar zag hij, niettegenstaande de toenemende duisternis, twee gedaanten zich in het naaste, ongeveer honderd schreden verwijderde boschje bewegen. Zijn hart sprong op van vreugde; hij ijlde er op toe. Het waren vrouwen; zij droegen hooge reishoeden; hij zag een witten doek. Hemel, zij is het! juichte hij ademloos en voelde zijn beklemde hart door de zoetste vreugde verruimd. Naderbij gekomen ontdekte hij, dat zij, in een gesprek verdiept, den blik opwaarts naar de met sneeuw bedekte bergtoppen gericht hadden, die, daar de zon reeds verdwenen was, als bleeke nachtspooksels aan den schemerenden gezichtseinder oprezen.—Paul was niet bij de vrouwen; hare houding verried geenerlei onrust of gejaagdheid; dit bracht Lodewijk aan het twijfelen. Thans wendden zij zich om, door zijne haastige nadering opmerkzaam gemaakt, en hij had zich wederom bedrogen!
Hij stond als verpletterd; met moeite herstelde hij zich in zoo verre van zijn schrik, dat hij vragen kon of zij niet twee dames onder geleide van een bediende gezien hadden. De eene ontkende het, de andere herinnerde zich, voor omstreeks een uur, op hare wandeling dieper in het dal, in de verte twee dames onder mannelijk geleide den weg naar de Rhône te hebben zien inslaan. Lodewijk dankte in haast voor dit naricht, en verheugd nu ten minste eenig spoor ontdekt te hebben, en te weten, werwaarts hij zich wenden moest, snelde hij weer terug, den loop van den schuimenden stroom te gemoet. De angst bevleugelde zijn spoed. Spoedig had hij de plaats weder bereikt, vanwaar hij was uitgegaan en hij volgde nu rusteloos het pad aan den oever. Doch nu was het in het diepe, aan beide zijden door den hoogen muur der Alpen ingesloten dal reeds volkomen duister, en binnen het uur kon men niet verwachten, dat de maan den wandelaar zou te hulp komen. Huiveringwekkende eenzaamheid omringde hem; de landstreek werd spoedig woest en ongebaand. De ruwe bergklompen stapelden zich gestadig steiler en reusachtiger opeen; de glinsterende spitsen der sneeuwkruinen staken hoog boven de zwarte granietwanden uit. Bruisend stuwde de Rhône haar breeden vloed nevens hem voort en bekranste hare zwarte golven met sissend waterschuim. Thans werd de oever aanmerkelijk steiler; dra zelfs boog zich een dreigend rotsblok ver daarover heen. Lodewijk ontwaarde, dat dit de plaats was, waar hij voor meer dan een uur op de hoogte stond; het pad liep onder de hellende rots door. Wellicht was Bianca juist op hetzelfde oogenblik met een angstig beklemd hart hier beneden voorbij gespoed, dat hij daarboven in doodelijken angst voor den afgrond stond en niets hoorde dan den rollenden stroom, die aan zijne voeten door de klippen worstelde.—De weg werd zeer ongebaand en zelfs bij de steeds toenemende duisternis zeer gevaarlijk; want nu eens steeg hij steil tegen de rotswanden op, dan weder daalde hij bijna loodrecht in de diepte neder. Lodewijk getroostte zich gaarne deze hinderpalen en gevaren, daar hij hoopte, dat Bianca daardoor zoolang zoude zijn opgehouden, dat hij haar spoedig moest inhalen. Met bedaarden moed drong hij voort, ofschoon zijne handen bloedden en zijne door den verhaasten loop als vuur gloeiende voeten hem bij elke schrede eene hevige pijn veroorzaakten. Een groot uur bleef de weg even bezwaarlijk; toen steeg hij bij de hoogte op en voerde Lodewijk op een heuvel, waar het laatste spoor van een gebaand pad, deels door het diepe zand, deels door de lage, overhangende struiken geheel onzichtbaar werd. De angst der onzekerheid maakte zich opnieuw van den jongeling meester; want hoe licht kon hij hier zijne richting geheel uit het oog verliezen en, bij de woestheid van het dal, in geheel ontoegankelijke streken uitkomen! Wel is waar bemoedigde hem de gedachte, dat de hoofdrichting van den weg geen andere zijn konde en dat hij dus waarschijnlijk den volgenden morgen zou kunnen inhalen, wat hij heden verzuimde; doch welk een zorg en bekommernis moest die vertraging hem niet doen doorstaan! In allen gevalle won hij iets, wanneer hij zooveel mogelijk voorwaarts trachtte te komen; hij hield dus, voor zoover het duister zulks toeliet, de hoofdrichting in het oog en gunde zich rust noch verademing. Andermaal verstreek er een uur. Daar schemerde hem een lichtstraal in de oogen; hij bevond zich in de nabijheid van een hut, de eerste menschelijke woning, welke hij tot hiertoe op zijn pad had aangetroffen.
Een zoet voorgevoel zeide hem, dat hij daar de geliefde moest aantreffen; want verder konden hare zwakke krachten haar toch onmogelijk hebben gebracht. Haastig trad hij op den vriendelijken glans van het licht toe; binnen weinige minuten had hij het huis bereikt. Hij klopte aan.
„Wie is daar?” deed zich een ruwe mannenstem hooren en twee zware holsblokken rammelden in langzamen tred over den grond.
„Een verdwaald reiziger,” antwoordde Lodewijk.—„Goed vriend; ik zal dadelijk openen,” klonk het van binnen.
Zijn hart sloeg met hevigheid in de hijgende borst; elke seconde, die voor het openen van de deur verliep, folterde hem met onbeschrijfelijken angst.
De grendel werd eindelijk teruggeschoven en een grijsaard met zilverwitte haren en neerhangenden baard stond, door den vlammenden houtspaan, dien hij in de hand hield, wonderbaar verlicht, voor hem en heette hem vriendelijk welkom.
„Hebt gij geen andere gasten, goede Vader?” vroeg Lodewijk.
„Geen mensch,” hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, ouden man hier in de wildernis ook komen opzoeken?—Ik vrees niet eens booze gasten, want bij mij is niets te vinden, dat de hebzucht kan opwekken. Maar wie zijt gij, lieve vriend, en hoe komt gij zoo laat in den avond nog hierheen?”
Er verliepen eenige oogenblikken eer Lodewijk, door deze grievende teleurstelling geheel verbijsterd, in staat was eenig antwoord te geven.
„Ik ben in het gebergte verdwaald en van de mijnen, over wie ik nog in de grootste ongerustheid verkeer, gescheiden. Zij wilden van Brieg het dal door op de Rhône afgaan; ik volgde hen en ben, zonder eenig spoor van hen te vinden, hier eindelijk aan de eerste menschelijke woning gekomen, waar ik hen stellig dacht aan te treffen, daar, naar ik meende, een andere weg zijlings af niet mogelijk was.”
„Zeker wel,” hervatte de oude: „de hoofdweg van het dal loopt langs den anderen oever der Rhône; maar gij hebt vermoedelijk in de duisternis de plaats waar men overgaat niet bemerkt. Dit pad verliest zich in onze wildernis.”
„Kunt gij mij op den rechten weg brengen, goede vader?” riep Lodewijk driftig. „Ik zal u rijkelijk beloonen.”
„Morgen vroeg gaarne, mijn goede heer,” was het antwoord „doch heden avond zijn mijne zwakke, vermoeide krachten er niet meer toe in staat, want de weg is in het donker uiterst gevaarlijk, zelfs voor de beste bergbeklimmers, die hem nauwkeurig kennen.”
Lodewijk had, hoe vermoeid ook, gaarne den geheelen nacht doorgewandeld; maar een blik op den zwakken, sidderenden grijsaard overtuigde hem, dat het onmogelijk was van hem te vorderen, nog dezen zelfden avond den tocht te ondernemen. Hij nam derhalve de gastvrije uitnoodiging om den nacht in de hut door te brengen aan en volgde zijne vriendelijke gastheer in het kleine, bekrompene, door den brandenden houtspaan mat verlichte woonvertrek.
„Het doet mij leed, dat mijn zoon niet te huis is,” sprak de oude; „die zou beter voor u kunnen zorgen. Doch morgen tegen den avond komt hij eerst van Sion terug, waar hij bij zijne moei ter bruiloft genood is. Dus moeten wij ons alleen trachten te behelpen.”
„Goede vader,” sprak Lodewijk, „ik heb slechts rust noodig en die zoude ik toch niet vinden, al kondt gij mij het kostelijkste bed geven.—Het eenige, dat ik u verzoeken wil, is, dat wij morgen vroegtijdig opbreken.”
„Dat zullen wij,” sprak de grijsaard, „daar de maan reeds vóór 3 uur opkomt; neem het thans met een stuk zwart brood en alpenkaas voor lief; ook eene teug melk kan ik u geven. Heden morgen had ik nog een restje wijn, maar dat heb ik waarlijk zelf al leeggeschonken.”
Lodewijk zette zich met den ouden aan den landelijken maaltijd. De eenvoudige kost zoude hem voortreffelijk gesmaakt hebben, wanneer zijn hart niet met kommer en bange zorgen was vervuld geweest. Intusschen deed het genot van rust en verkwikking zijne frissche krachten en met deze zijne zoete verwachtingen langzamerhand terugkeeren. Hij voelde spoedig de zware lichaamsvermoeidheid, welke zijn rusteloos voortsnellen langs onbegaande paden, dat meer dan vijf uren geduurd had, na een slapeloozen nacht en de vermoeiende wandeling van gisteren natuurlijk moest te weeg brengen. De legerstede van geurig alpenhooi, door den vriendelijken oude voor hem uitgespreid, was hem dus van harte welkom en spoedig zonk hij in een diepen slaap, die, hoe dikwijls ook door akelige droomen verontrust, zijne krachten deed terugkeeren en hem tot de nieuwe, moeielijke wandeling sterkte.
Hoofdstuk VI.
Aan Bianca's zijde had de bedriegelijke droomgod den jongeling verplaatst, en hij waande eene bloeiende landstreek met haar te doorwandelen, toen de stem van zijn huiswaard hem wekte.
„Het wordt tijd, mijnheer; de maan komt even boven den Simplon op en schijnt helder in het dal. Wanneer gij haast hebt, moeten wij thans op weg.”
Nog half in den droom verward, hoorde Lodewijk des grijsaards woorden aan en hij kon zich niet bezinnen, waar hij zich bevond; want uit de lachende velden van Italië, uit den helderen zonneschijn, die zijn sluimerend oog had omgeven, zag hij zich thans, daar hij het opende, in eene enge, duistere ruimte verplaatst, waar het bleeke maanlicht zonderling kampte met het roodachtige schijnsel van den mat glimmenden dennespaander. Eerst toen de oude hem de hand reikte om hem op te richten, en de maanschijf hem door het kleine venster vriendelijk in de oogen blonk, kwam hij volkomen tot bewustzijn. „Zoo dadelijk, goede vader; ik was nog half in den droom; zoo dadelijk.”
Met deze woorden sprong hij van zijne harde legerstede op en was binnen weinige oogenblikken geheel reisvaardig.
„Gij moet eerst ontbijten mijn goede heer,” sprak de oude; „ik heb de melk al gewarmd. De morgenlucht is koel en de koude zou u bevangen, als gij zoo nuchteren buiten kwaamt. Een warme dronk is altijd goed.”
Door des grijsaards gulhartige voorzorg getroffen, wilde Lodewijk de aangeboden verversching niet afslaan; echter vergunde hij zich daartoe slechts weinige oogenblikken, daar de onrust van gisteren zich weder geheel van zijne ziel had meester gemaakt.
De grijsaard liet bij het verlaten der hut de deur ongesloten. „Hier berooft ons niemand van ons weinigje bezitting,” zeide hij; „enkel des nachts schuiven wij den grendel toe om wilde dieren buiten te houden, want aan wolven is geen gebrek hier op het gebergte.”
De maan scheen vrij helder op hun pad; weldra bemerkten zij ook de schemering van den dageraad. Lodewijk moest toestemmen, dat de weg inderdaad gevaarlijk was want zelfs nu nog, terwijl men zien kon waar men den voet zette, was behoedzaamheid noodig, wilde men geen gevaar loopen van uit te glijden. Echter scheen hem zijn leidsman al te omzichtig, al te zorgvuldig toe en vooral waar de weg effen was, stelde diens wankelende, slepende grijsaardstred zijn geduld meermalen op de zwaarste proef.
Na ongeveer twee uren wandelens, zeide de oude met zijn stok vooruit wijzende: „Ziet gij, mijnheer? Daar links hebben wij nu de brug over de Rhône.”
Lodewijk zag op eenigen afstand twee sterke, zeer lange boomstammen in de schuinte over de rivier gelegd en herkende ook de plaats weder aan eenige vreemd gevormde rotsklompen, die den vorigen avond zijne aandacht getrokken hadden: in het duister had hij de boomen niet voor eene brug, maar voor een sterk naar het water overhellenden den gehouden, hoedanige hij er meer langs den oever had gezien. Dat het pad zich hier verdeelde, was, vooral bij avond, voor een vreemdeling nauwelijks merkbaar; want naderbij gekomen zag hij, dat men om de brug te genaken, eensklaps ter zijde wenden en alsdan eenige steile rotstrappen beklimmen moest, die, bij dag zelfs, bezwaarlijk voor een pad te onderkennen waren.
Juist wilde Lodewijk aan zijn geleider de vraag doen of hij zich stellig kon verzekerd houden, dat de weg aan de overzijde der Rhône de eenige was, dien de reizigers welke hij zocht, konden zijn ingeslagen, toen een voorwerp, dat bij toeval zijn oog trok, hem met blijde verrassing vervulde. Hij werd namelijk aan een boomstam, juist bij de plaats waar de rotstrap naar de rivier afdaalde, een rozerood lint gewaar, dat in den koelen morgenwind lustig heen en weer fladderde! Vol zoete verwachting snelde hij er op toe en bemerkte met verrukking, dat een strik van Bianca's kleed daaraan was vastgehecht.
„O, dat de nacht dat schoone teeken gisteren voor mij verbergen moest!” riep hij uit en voelde een traan in zijn oog opwellen. „Voorzeker vervulde mijn achterblijven haar met angst en wilde zij mijne schreden richten en voor afdwalen behoeden.”
Hij knoopte het lint van den boom los, verborg het zorgvuldig in zijne brieventasch en trad met vernieuwden moed verder. Aan de overzijde der rivier gekomen, hield de grijsaard hem andermaal staande met de vraag: „En waarheen moet ik u nu verder brengen, mijn goede heer?”
„Wel, het dal door; er is immers maar één weg,” antwoordde Lodewijk.
„Nu ja, een hoofdweg,” hervatte de oude; „maar gij zeidet gisteren, dat uwe vrienden, het gebergte door, Zwitserland dieper in wilden, en dan hebben wij ruime keus, want hier zijn verscheidene wegen, die u over de Alpen in het Berner-bovenland brengen; de vraag is maar, welken gij verkiest.”
Lodewijk stond eene poos besluiteloos. Eensklaps rees de gedachte bij hem op: zij zal mij voorzeker wel een tweede teeken geven en ook verder op het spoor doen blijven. „Voorwaarts maar,” sprak hij; „zoodra de weg zich verdeelt, zullen wij verder zien.”
Zij traden voort en kwamen spoedig op een weg, die voor bergwagens en muilezels bruikbaar begon te worden. Bovenal op spoed bedacht, zoude Lodewijk gaarne zijne schreden verdubbeld hebben, maar de loome tred van den oude, die met moeite de wandeling voortzette, noodzaakte hem zijne vurige drift te beteugelen. Na reeds verscheiden jonge landlieden ontmoet te hebben, wier voorkomen de kracht en vlugheid aanduidde, welke Lodewijk zoo gaarne aan zijn gids had toegewenscht, nam deze eindelijk uit eigen beweging het woord op en zeide: „Ik zie wel mijnheer, dat gij gaarne sneller voort wildet dan mijne zwakke krachten toelaten. Wilt gij niet liever een geleider nemen die wat vlugger ter been is? Zoo dadelijk komen wij aan eene hoeve, waar ik bekend ben en u licht een gids kan bezorgen, die tot Bern of Zurich nauwkeurig den weg weet.”
Lodewijk, wien dit voorstel reeds lang op de lippen zweefde zonder dat hij er, om den goedhartigen oude niet te krenken, voor dorst uitkomen, nam het met blijdschap aan en antwoordde: „Het zal daarom uwe schade niet zijn, oude heer; maar spoed is voor mij van zooveel aanbelang, dat ik desnoods alleen verder zou gegaan zijn om maar haastiger voort te komen. Ik moet, het koste wat het wil, mijne vrienden van daag nog inhalen.”
„Daar komt Jozef waarlijk zelf aan!” viel hem de grijsaard met een vroolijken uitroep in de rede en wees op een jonkman, die met een korf op den schouder, in de verte naderde.
„Ei, Seppi,” riep hij hem op eenigen afstand toe, „gij komt juist van pas; wilt gij dezen heer over het gebergte brengen?”
„Van harte gaarne,” antwoordde de gevraagde met eene krachtige basstem; „was ik dan maar van dit pak bevrijd, dat naar Brieg moet.”
„Geef maar over,” riep de oude; „dat bezorg ik voor u; brengt gij den heer maar verder.”
Lodewijk nam een hartelijk afscheid van den wakkeren grijsaard, en moest zich, door met spoed zijn weg voort te zetten, aan de luide en herhaalde dankbetuigingen onttrekken, waarin eene rijkelijke belooning den oude deed uitbarsten. Zijne eerste zorg was nu bij den nieuwen gids te vernemen of deze misschien ook eenig spoor van de door hem gezochte reizigers ontdekt had.
Het antwoord was ontkennend.
Eene tweede taak was, uit te vorschen welken weg de vreemden, die spoedig en zonder opgemerkt te worden hunne reis wenschten voort te zetten, wel konden genomen hebben om op de veiligste wijze over het gebergte te komen en de Duitsche grenzen te bereiken. Dit was bezwaarlijk, zonder den samenhang der omstandigheden te doen gissen; nochtans verzon hij eene fabel, waardoor hij alle verdenking van Bianca en hare geleiders hoopte af te weren, en zeide op een vertrouwelijken toon: „Ik zal u maar zonder omwegen bekennen, goede vriend, dat vurige liefde voor eene jonge engelsche dame, die ik, van Italië komende, op den Simplon ontmoette, mij tot zulk een haast aanzet. Te Brieg vernam ik, dat zij, niettegenstaande het vroegere jaargetij, besloten had, midden door het gebergte te trekken om de woeste natuur te beter te leeren kennen. Daar hare reis overigens grooten spoed vordert, wilde zij een weg nemen, die haar daartoe het best de gelegenheid aanbood en tevens nader naar Duitschland bracht. Haar mijn geleide aanbieden durfde ik niet, daar zij, alleen door eene kamenier en een oude bediende vergezeld, verder geen gezelschap verlangt, maar vrij en zelfstandig de wereld wil doorreizen, zooals dat wel meer de verkiezing der engelsche vrouwen is. Echter was mijn verlangen om bij haar te blijven zoo groot, dat ik vast besloten had haar heimelijk te volgen en mij dan in het gebergte, waar de wegen niet zoo spoedig weer uiteen loopen, als toevallig bij haar te voegen. Of zij mijn voornemen geraden had en het opzettelijk wilde verhinderen, weet ik niet; doch hoe 't zij, gisteren tegen den middag, terwijl ik eene wandeling deed, heeft zij Brieg verlaten, schoon zij mij gezegd had, niet voor den volgenden morgen te willen vertrekken. Het eenige, dat ik met zekerheid heb kunnen gewaar worden, is dat zij dezen weg langs de Rhône heeft ingeslagen. Wat dunkt u nu, dat ik verder moet doen om haar op het spoor te komen, goede vriend? Was ik gelukkig genoeg haar te vinden, dan zou ik u rijkelijk voor uwen goeden raad beloonen.”
„Ja, mijnheer, dat is waarlijk eene moeielijke zaak, iemand op te zoeken van wien men niet weet, welken weg hij genomen heeft. Er zijn hier eene menigte van wegen. Als wij bij Naters, dat daar beneden voor ons ligt, over de bergen gaan, kunnen wij, de Jungfrau voorbij, in het Bovenland komen. Dat zou de naaste weg naar Bern zijn, maar in dit jaargetij is hij hoogst gevaarlijk en de beste gemzenjager zou hem niet licht uitkiezen. Drie uren verder bovenwaarts loopt nog een pad over de steilte, dat de Jungfrau links laat liggen en waarlangs wij, zoo God wil, Grindelwald bereiken kunnen. Maar dat is ook al een weg, dien men in den zomer neemt; bij wintertij, zooals nu, wordt hij zelden of nooit gebruikt. Die wegen denk ik dus niet, dat de dame genomen heeft, ook zou zij daartoe bezwaarlijk een gids vinden. Nu blijft er nog een pad over, dat bezijden den Grimsel heenloopt, of, willen wij in het Rhônedal blijven, een ander, dat over de Furca naar Realp, Hospital en vervolgens op de Gotthardstraat brengt. Dat zijn de vier hoofdwegen; wie klimmen en klauteren wil en voor omwegen niet bang is, kan nog verscheidene andere nemen, maar met die bijpaden zijn wij landlieden niet bekend, en om daarop te recht te komen, dient men een goed bergjager bij zich te hebben, die dag en nacht in de bergen rondzwerft. Thans echter, in het voorjaar, daar de sneeuw nog zoo hoog ligt en men elk oogenblik lawinen te wachten heeft, thans is het waarachtig niet te wagen, mijnheer! Ik geloof dus zeker, dat de dame òf over de Grimsel òf over de Furca gegaan is en, heeft zij haast, dan is de laatste weg nog de beste; want hij loopt regelrecht op den grooten weg naar Altorf uit en gaat verder door Brunnen en Zug naar Zurich. Nader weg op Duitschland is er niet; er zijn er wel, die meer rechtuit loopen, maar daar ze dikwijls zoo ongebaand en gevaarlijk zijn, vallen zij bij slot van rekening doorgaans nog wel eens zoo lang. Wanneer het weêr bovendien eens onstuimig werd, konden wij licht acht dagen op het gebergte liggen, zonder een voet verder te komen.”
Lodewijk hoorde deze niet zeer troostrijke berichten onder het voortwandelen aan. Hij besloot, tot aan Maienwand het dal te volgen en op ieder zijpad scherp acht te slaan, om te zien, of Bianca hem misschien ook eenig nieuw teeken mocht hebben achtergelaten.
Vrij spoedig bereikte men het kleine dorpje Naters, waar het meisje waarschijnlijk moest overnacht hebben. Lodewijk won overal berichten in, doch niemand wist hem eenig uitsluitsel te geven. Toen hij, het dorp verlatende, aan de plaats kwam waar de weg ter linkerzijde naar het gebergte afsloeg, zag hij te vergeefs naar een lint of eenig ander teeken om: geen spoor van de geliefde was in het rond te ontdekken. Hoe bekoorlijk het dal ook zijn mocht, door hetwelk hij aan de zijde van zijn geleider stilzwijgend voortwandelde, trok toch geene der hem omringende schoonheden zijne oogen tot zich. Zijne gansche ziel was met Bianca vervuld, die hij thans vreezen moest even snel en onverhoeds weder te zullen verliezen als hij haar gevonden had. Elken wandelaar, dien hij ontmoette, ondervroeg hij; in verschillende aan den weg gelegene woonhuizen deed hij onderzoek naar de reizigers; doch al zijne pogingen bleven zonder gevolg. Nauwelijks vergunde hij zich zooveel rust, als hem en zijnen leidsman tot verademing volstrekt noodzakelijk was. Met klimmende beangstheid zette hij zijn tocht voort; de laatste bewoonde plaats die hij aantrof, was Ulrichen. Het was drie uur in den namiddag toen hij daar aankwam; twaalf volle uren had zijn wandeling nu reeds geduurd en de weg was bij tusschenpoozen uiterst vermoeiend geweest. Onbegrijpelijk scheen het hem, dat hij tot hiertoe zelfs niet het geringste spoor van het voorwerp zijner navorsching ontdekt had. Verder toch kon zij, ook bij den grootsten spoed, bezwaarlijk gekomen zijn; ja, al had zij ook den ganschen nacht door hare vlucht voortgezet, het laatste gedeelte van den weg moest zij toch bij helderen dag hebben afgelegd en kon zij dus, daar eene reizende dame in het tegenwoordige vroege jaargetij een zeldzaam verschijnsel was, onmogelijk onopgemerkt zijn gebleven. Dit deed hem meer en meer bevreesd worden, dat zij, om te spoediger de nasporingen harer vervolgers te ontkomen, het gewaagd had een dier gevaarlijke bergpaden te nemen; en zoo kwelde hem nu niet alleen de gedachte van haar gescheiden te zijn, maar ook de bezorgdheid, welke hij voor haar leven moest beginnen te koesteren. De eenige en laatste hoop die hem overbleef, was deze, dat hij aan den Maienwand, waar het steile pad naar den Grimsel opwaarts stijgt, een teeken vinden mocht, dat hem uitnoodde dezen weg te vervolgen, of dien naar den Gotthard in te slaan. Zijne uitgeputte krachten vergunden hem echter niet de reis verder te voet voort te zetten; hij droeg dus aan Jozef den last op, twee muildieren te huren, welke deze hem reeds vroeger gezegd had, dat hier voor vreemdelingen, die zich het beklimmen van den steilen Maienwand gemakkelijk wilden maken, doorgaans wel te bekomen waren. Na verloop van een half uur, terwijl de vermoeide jongeling een vluchtig middagmaal nuttigde, kwam Jozef dan ook reeds met twee goed gezadelde, door een drijver geleide muilezels terug, en onverwijld begaf zich de kleine karavane nu weder op weg. Spoedig had men den Maienwand bereikt en Lodewijk onderzocht met angstvolle opmerkzaamheid elken boom en elken struik, dien zich aan den weg vertoonde; doch helaas! geen rooskleurig schijnsel liet zich tusschen het nauw ontloken groen bespeuren.
Nu bleef hem geen keus meer over. De geliefde had hem ook hier geen wenk gegeven om de baan te verlaten; was zij hem dus nog vooruit, dan moest zij den weg over den Gotthard gekozen hebben. Van nu af begon de landstreek woest en eenzaam te worden; slechts weinige, thans verlaten herdershutten vertoonden zich in de nog geheel met sneeuw overdekte wildernis. Ter linkerzijde der reizigers hief het ijspaleis van den Rhônegletser, door de brekende zonnestralen met ontelbare verven gekleurd, zijne glinsterende spitsen omhoog; ter rechter stapelden zich onmetelijke rotskolossen uit de diepte opeen, en vóór hen verloren de beide sneeuwpiramiden der Furca hare witte toppen in het heldere blauw van den onbewolkten hemel. Het dal was bij een prachtigen voorhof van het versteende, fonkelende rijksgebied van den winter te vergelijken, op welks diamanten bodem plant noch bloesem ontkiemt en de warme zonnestraal in zeven koude kleuren afstuit.
Lodewijk ontdekte nog een groen heestertakje, dat op eene zonnige plaats van den rotswand, tusschen de steenkloven uitstak en zijne teedere bladeren even begon te ontwikkelen. Hij plukte het, om een herinneringsteeken van de laatste grenzen der lente in het barre wintergebied mede te voeren. Het pas ontloken groen was een beeld van zijne hoop, wier even geopende kelk, tegen den storm van zoo gedurige en ruwe teleurstellingen niet bestand, zich bijna geheel weder gesloten had. Wie weet, dacht hij, of de bloesems mijner hoop niet reeds geheel zijn afgevallen, als deze nauwelijks geopende knoppen aan den dorren stam beginnen te verwelken. Hij hechtte de twijg op zijn hoed vast en reed in diep stilzwijgen naast zijne geleiders verder. Toen zij den hoogen sneeuwpas, waarover het spoor door lange seinstaken was afgebakend, bereikt hadden en zich, door snerpende winterkoude verkleumd, aan den voet der beide steile rotskegels bevonden, waartusschen de beroemde straatweg heenkronkelt, wierp hij nog eens den blik terug. De zon, de hooge bergkruinen tot zeer nabij genaderd, schoot hare laatste vlakke stralen over de blauwe, nevelachtige steilten in het dal neder. Zoo ver zijn oog reikte, waren slechts sneeuwvelden en granietklompen te bespeuren. De aanblik van dit sombere kerkhof der natuur verlevendigde het smartelijk gevoel, dat zijn boezem beklemde. O God, zuchtte hij, laat mij haar wedervinden, haar, de eenige, die den helderen straal der hoop in mijn treurend, diep gewond hart deed nederdalen. Gij zondt mij haar toe als eene hemelsche verschijning uit uw zalig rijk, o laat haar niet als een ijdel droombeeld spoorloos weder verdwijnen; ontruk mij haar niet, evenals gij mij haar geschonken hebt!
De ruwe storm, die gierend over de kale hoogte heenblies en de sneeuw in dwarreling deed opstuiven, was het eenige antwoord, dat zich op deze klacht deed hooren; de zon zonk weg achter eene breede rotskruin en eene reusachtige schaduw breidde zich over het sneeuwvlak uit.
„Verder,” riep Lodewijk den gids toe en wendde zijn muildier om, „verder!”
„Wij zullen onzen tijd ook noodig hebben,” was het antwoord, „willen wij Andermatt nog vóór den nacht bereiken. Als de storm aanhoudt, kon het licht mogelijk zijn, dat wij bij den kapucijn te Realp overnachten moesten.”
Men reed door, Lodewijk in sombere mijmering verzonken, zijne geleiders onder het voeren van een levendig gesprek in den zwitserschen tongval, waarvan een vreemde, ook als hij er naar geluisterd had, weinig verstaan kon.
Toen men de hoogte achter den rug had, werd de storm minder hevig en, vroeger dan men gedacht had, kwam men te Realp aan, waar men eenige oogenblikken in de hut vertoefde van den kapucijn, die de vreemdelingen op brood, honig en melk gastvrij onthaalde. Deze ververschingen worden om niet aangeboden; wat de reiziger daarvoor betalen wil, is eene vrijwillige gift, en de goede pater, die in deze sombere eenzaamheid zijne dagen vreedzaam slijt, ontvangt het in naam van zijn klooster in eene armbus. Op zijne navorsching naar Bianca ontving Lodewijk ten antwoord, dat sedert 17 October geen enkele reiziger was voorbijgekomen, en tot bevestiging legde de monnik hem het vreemdelingenboek des voorgaanden jaars voor. Hiermede was zijne laatste hoop verdwenen; hij haalde diep adem, bedwong met moeite zijne tranen en stond op om te gaan. „De hemelsche Vader trooste en zegene u! Gij schijnt niet gelukkig,” sprak de monnik en reikte hem vriendelijk de hand. Lodewijk drukte die met warmte en verliet haastig de kleine cel.
Toen hij weder onder den vrijen hemel stond en de snijdende wind hem de fijne stuifsneeuw in het aangezicht joeg, scheen het hem een oogenblik toe, dat hij zijne gestoorde zielrust moest terug bekomen in een rustig verblijf, te midden eener zwijgende eenzaamheid als deze, waar hij tijd had alleen voor zijne droomen en in de wereld der herinnering te leven, onbekommerd over het lot der aardbewoners, die daar buiten door den storm der wisselende gebeurtenissen rusteloos heen en weder geslingerd worden.
Maar neen, dacht hij weder, gij zoudt ook hier den storm niet ontvlieden, die in uw eigen boezem zich verheft. Sluimeren niet in de ziel, ook des eenzamen, al die verderfelijke zaden, die eensklaps tot giftplanten opschieten, wanneer de vijand ze ontkiemen doet? En wie anders is des menschen vijand dan hij zelf? Neen, ook die hoop zou grievende teleurstelling baren!
Allengs begon het duister te vallen. De storm verhief zich opnieuw en deed de aan weerszijden van den weg opeengehoopte sneeuwheuvels in tallooze vlokken verstuiven. Het werd vinnig koud. Nu begon Lodewijk eindelijk te voelen, dat zijne krachten waren uitgeput, dat zijn afgetobd lichaam na de geweldige overspanning dringend rust behoefde. Met zekere ontevredenheid over zich zelven bespeurde hij, dat het bereiken eener herberg, het vinden van een goed bed, ongemerkt de vurige wensch was geworden, die zich, nevens het verlangen naar het verlorene, van geheel zijn hart had meester gemaakt. De laatste dagen waren dan ook boven alle beschrijving vermoeiend geweest, en misschien had wel nooit een reiziger in één dag den afstand afgelegd, die zich tusschen zijn voorgaand nachtverblijf en Andermatt, het plaatsje dat hij nu naderde, uitstrekte.
Door den vochtigen nevel en de toenemende duisternis, waarmede de nacht het dal overtoog, liet zich van tijd tot tijd een flikkerend schijnsel van verlichte vensters in de verte ontwaren, dat den vermoeiden reizigers tot eene troostende leidstar diende. Eindelijk bereikte men de eerste huizen en, na verloop van eenige minuten, steeg men af voor een vrij aanzienlijk gebouw, welks benedenverdieping van heldere lichten straalde.
Hoofdstuk VII.
„God dank, dat wij onder dak zijn!” riep Jozef. „Het was geen klein dagwerk. Ik ben anders geen van de zwaksten, maar wij hebben toch een eindweegs afgelegd van daag!”
De gids hielp Lodewijk uit den zadel stijgen; een gedienstige huisknecht was met hetzelfde oogmerk toegesneld en noodigde hem uit in het warme vertrek te treden, alwaar reeds eenige, zoo even eerst aangekomen gasten tot den avondmaaltijd verzameld waren.
Het verwekte bij den jongeling eene zeldzame gewaarwording, zich zoo eensklaps uit de woeste, zwijgende wildernis, die hem den ganschen dag had omgeven, in den vriendelijken kring des gezelligen levens verplaatst te zien. Hij trad toch in eene ruime, door een aantal kaarsen helder verlichte zaal, in wier midden eene zindelijk gedekte tafel hem uitlokkend toelachte. Aan het boveneinde, om de gloeiende kachel, zaten drie reizigers, voor wie men juist het avondeten had opgedragen.
„De heeren hebben zich reeds aan tafel gezet,” zeide de knecht: „verkiest mijnheer dadelijk aan den maaltijd deel te nemen, of zich eerst op zijn kamer te ontkleeden?”
Lodewijk, niets anders bij zich hebbende dan hetgeen hij aan het lijf droeg, zou dat gemak moeten ontberen, al ware het hem ook niet zoo aangenaam geweest, dadelijk aan tafel te kunnen gaan, om zich daarna te spoediger ter rust te begeven. Hij trad dus op de vreemden toe en groette beleefd, zonder hen echter aan te spreken. Zij beantwoordden zijn groet met eene zoo voorkomende vriendelijkheid, dat hij zich daardoor reeds aangenaam verrast gevoelde. Naar hunne kleeding en hunne door de zon verschroeide gelaatstrekken te oordeelen moesten zij officieren zijn. Schoon zij hem in het Fransch hadden aangesproken, verried een zeker iets in hun voorkomen, dat zij tot eene andere natie behoorden. Twee, de oudste ongeveer zes en dertig, de jongere omstreeks twintig jaar oud, hadden zwart haar en kleine zwarte knevels; de derde was blond en blozend van gelaatskleur. Lodewijk nam plaats en trachtte, zich zelf geweld aandoende, de opgeruimde stemming der vreemden ten minste uiterlijk tot de zijne te maken. „Komen de heeren uit Italië of zijn zij derwaarts op weg?” vroeg hij.
„Onze weg,” hernam de oudste, wiens rijzige gestalte en, men had kunnen zeggen, koninklijk voorkomen hem iets gebiedends gaven, „onze weg leidt ons waarschijnlijk diep het noorden in. Voorloopig echter gaan wij naar Duitschland en wel naar Dresden, werwaarts de Fransche keizer zich dezer dagen begeven moet.”
„De oorlog is dan zeker?” vroeg Lodewijk.
„Wij hopen het,” sprak de vreemdeling op een toon, die meer uitdrukte dan de gewone vreugde des krijgsmans, die bij het begin van een veldtocht eene reeks van glansrijke daden en overwinningen door de onzekere toekomst ziet heenblinken.
Lodewijk zweeg. Als Duitscher zag hij met diepen weemoed de vreemde krijgsbenden zijn ongelukkig vaderland opnieuw overstroomen; echter zeide hem de onwraakbare rechterstem der waarheid, dat Duitschlands smaad niet geheel onverdiend was en dat, hoe zwaar het vreemde juk knellen mocht, hoe grievend het ware, zich zonder vrije keus en onvoorwaardelijk aan den overwinnaar te moeten aansluiten, dit, schoon vernederender voor de vorsten, voor de volken toch nog steeds eervoller bleef, dan langer zich te zien prijsgeven, aan die ontzenuwde, smadelijke en baatzuchtige staatkunde, waardoor sedert eene eeuw, en voornamelijk sinds den dood van den grooten Frederik, de duitsche natie zoo schandelijk was verlaagd geworden. De drie woorden des vreemden: „wij hopen het” wekten derhalve den innerlijken tweestrijd zoo levendig weder in zijne borst op, dat zelfs de bange bezorgdheid, die hem sinds gisteren vervulde, voor een oogenblik daardoor verdrongen werd.
De vreemdeling scheen den indruk te bevroeden, die zijn gezegde op Lodewijks ziel had te weeg gebracht. Na eenig stilzwijgen vervolgde hij in het hoogduitsch. „Het bevreemdt u, mijnheer, dat ik van een, naar alle waarschijnlijkheid bloedigen oorlog zeide: wij hopen, dat hij zeker zij; het bevreemdt u te meer, daar gij, naar ik hoor, een Duitscher zijt. Door een lang verblijf zijn wij het ten halve; vergun dus, dat wij ons van de taal van uw land bedienen. Het moet u ten hoogste roekeloos en lichtzinnig toeschijnen, dat wij op een keer der wereldgebeurtenissen hopen, die half Europa met siddering en bange verwachting te gemoet ziet. Het is inderdaad hard, zich in een toestand te bevinden, waarin men slechts uit een groot, algemeen onheil eenige gegronde hoop op de herkrijging der eigene, dierbaarste goederen kan opvatten; wij echter bevinden ons in dat geval.”
Hier hield hij een oogenblik op en scheen door een hevige gemoedsbeweging verhinderd om verder te gaan. Zijne mannelijke gelaatstrekken kenteekenden innigen, diepen weemoed; eene donkere wolk van zwaarmoedigheid breidde zich over zijn open voorhoofd uit en zijn oog staarde mijmerend voor zich heen, zonder dat de wil den weifelenden blik bestuurde.
Lodewijk waagde 't niet de diepe stilte af te breken; ook de beide jongelingen zwegen en vestigden weemoedige blikken op het peinzend gelaat van hun geleider.
„Wij zijn Polen, mijnheer!” vervolgde deze eindelijk op vasten, mannelijken toon. „Wij verwachten van den op handen zijnden krijg een vaderland, terwijl wij nu als arme ballingen rondzwerven. Gij zult thans toestemmen, dat ik zeggen mocht: wij hopen op oorlog!”
Lodewijk was zoo verrast, dat hij niet wist wat dadelijk te antwoorden; doch de vreemdeling bespaarde hem die moeite, door het gevulde wijnglas op te vatten met den uitroep: „Het vaderland! Met dien dronk kan ieder instemmen, tot welk land hij ook behoore.”
Met dit glas wijn scheen de vreemdeling als door een toovermiddel zijne sombere stemming op eens verbannen te hebben. „Wij zijn reizigers,” ging hij voort, „die elkander in een buitengewonen tijd, op een buitengewone plaats aantreffen. Uit de gebergten van den Gotthard, waarop wij ons bevinden, ontspringen bronnen naar alle vier deelen der wereld, die hare stroomen uitgieten over Duitschland, Frankrijk en Italië. Daarentegen loopen de wegen dier landen op dit ééne punt te zamen en ontmoeten elkander in dit middelpunt. Men bevindt zich hier als het ware op den kruisweg der wereld. Morgen volgt deze den Rijn of de Reuss, die den Tessino, een derde de Rhône. Het oogenblik van samenzijn moet men genieten, het als eene vroolijke en zoete herinnering in aandenken houden, want wie weet of men elkander op de wegen dezer aarde wel immer weer ontmoet.—Wij drieën,” ging hij zich tot Lodewijk wendende voort, „kennen elkander, zijn landslieden en krijgsmakkers. Gij moet ons vreemd blijven, wij u, wanneer wij hier geen vriendschappelijke vertrouwelijkheid laten heerschen; zoo kon een gelukkig uur, waaraan wij naderhand nog wel eens gaarne zouden terugdenken, ons koud en ongenoten voorbijvliegen. Mij dunkt dus, wij geven naam voor naam. Ik noem mij Stephanus Rasinski en ben overste bij het keizerlijk leger; deze mijne jonge vrienden en kameraden zijn officieren bij hetzelfde regiment, graaf Boleslaw en graaf Jaromir, en gij, mijnheer?”
„Mijn naam is Lodewijk Rosen, ik ben een Duitscher,” antwoordde de gevraagde.
„Welkom dan! Rosen is een schoone naam. Wel hem voor wien nog rozen bloeien, al zijn 't slechts alpenrozen. Die tijd is voor mij voorbij, want wie dra zijn veertigste jaar bereikt heeft, mag niet meer aan bloesems denken en kan ten hoogste nog op eenige late vruchten hopen. Nu, ook ik zag bloesems ontluiken en zag ze vallen! Op de ontwikkeling van elken schoonen bloesem der jeugd, der hoop en der liefde! Klinkt meê, jonge vrienden want de wensch betreft meer u dan mij zelf!”
Lodewijk hief met ontroering den beker omhoog. Rasinski's woorden troffen zijn hart, maar vervulden het tevens met een zachte schemering van hoop, daar hij, gelijk men in eene dergelijke gemoedsstemming vaak aan kleinigheden pleegt te hechten, er eene gelukkige voorbeduidenis in waande te ontdekken. Nog eene tweede gedachte rees bij hem op. Hoe gelukkig werkte de gulle openhartigheid van den graaf, daar zij vier vreemden door het eenvoudige, maar tooverachtig werkende middel eener mededeeling van namen en naaste betrekkingen zoo ras met elkander in verbintenis bracht. Wanneer ik, dacht hij, door schuwe blooheid weerhouden, slechts niet verzuimd had aan het bekoorlijke wezen, hetwelk mij hare betrekkingen verbergen moest, ten minste de mijne op te geven, en haar mijn naam te noemen, dan ware de band tusschen ons beiden, nog niet geheel afgebroken, schoon ik haar nu ook al dadelijk niet wedervond. Neen, hoe nauw de vrouwelijke kieschheid ook in hare handelingen beperkt zij, voorzeker zou Bianca mij toch een teeken hebben weten te geven, waardoor ik haar naderhand nog eens kon opsporen. Zoo heeft dat pijnlijk verzuim mij wellicht voor altijd het geluk van mijn leven ontroofd!
Dergelijke gedachten vervulden zijne ziel, terwijl het gesprek over verschillende onderwerpen voortliep. Graaf Rasinski scheen de droeve snaar welke hij in den beginne had aangeroerd, opzettelijk te vermijden en de jonge officieren eerden daarin bescheiden zijn wensch. Men sprak over Italië, over Parijs, over de verdiensten des keizers als veldheer en staatsman, van zijn tocht over den grooten St. Bernard, in welks nabijheid men zich bevond, van de vreeselijke toerustingen tot den aanstaanden oorlog, over de reusachtige ontwerpen van zijn heldengeest, die Frankrijks vanen van de piramiden naar den Taag, van den Taag naar Ruslands sneeuwvelden rusteloos voortjoeg; kortom, men sprak over alles wat toenmaals ieders hart en hoofd bezig hield en de tongen van geheel Europa in beweging bracht.
Ongemerkt was een uur vervlogen; het maal was afgeloopen en men begaf zich ter rust.
Door een vloed van gedachten en tegenstrijdige gewaarwordingen zoo geslingerd, dat hij, niettegenstaande zijne geweldige afmatting, den slaap niet dadelijk vatten kon, overdacht Lodewijk op zijne zachte legerstede, wat hem den volgenden dag te doen stond. Zou hij de reis voortzetten, of terugkeeren? Moest hij Bianca langs een anderen weg opsporen, of den kortsten, die naar Duitschland voerde, blijven volgen? Het was hem niet ontgaan, dat de Polen met hem dezelfde bestemming hadden, en in het eerste oogenblik had zijne vreugde daarover hem bijna verraden; bij nader inzien deed het hem echter genoegen, te rechter tijde gezwegen en zich zelven beheerscht te hebben, daar een dergelijk geleide hem alle mogelijkheid zou benomen hebben, om zijne navorschingen voort te zetten. Hij besloot derhalve, wanneer zulks doenlijk was, zonder zijn hoofddoel te ver uit het oog te verliezen, zijn nieuwe bekenden zoodra mogelijk weder vaarwel te zeggen en alleen de reis te vervolgen.
Onder deze overleggingen overviel hem eindelijk de slaap, welke zijne uitgeputte krachten zoozeer noodig hadden.
Hoofdstuk VIII.
Het was reeds helder dag, toen hij door een zacht tikken aan zijne deur ontwaakte. Op zijn: „binnen!” trad de jongste der drie officieren, de blonde, bloeiende graaf Jaromir de kamer in. „Vergeef mij,” sprak deze, „dat ik u zoo stoor. Ons allen zou het echter zulk een groot genoegen zijn, de reis in uw gezelschap te mogen voortzetten, dat ik door mijne kameraden verzocht ben u daarover te spreken; eene opdracht, die ik zeer gaarne op mij neem, zelfs op het gevaar af van u vertoornd te hebben.”
Lodewijk verontschuldigde zich over zijn lang slapen en beloofde dadelijk op te staan en in de ontbijtzaal te komen. Binnen weinige minuten trad hij die binnen en werd door de officieren met hartelijkheid begroet. Rasinski, die alle gezellige betrekkingen gaarne zoo ver mogelijk scheen uit te breiden, verklaarde dat hij het was, die het voorstel gedaan had, op Lodewijk te wachten, daar men onmogelijk had kunnen besluiten, vóór hem af te reizen en hem de beroemde straat van den Gotthard alleen te laten langs trekken. „Twee menschen,” meende hij, „die gezamenlijk over de Duivelsbrug gegaan zijn, blijven door die herinnering hun leven lang even nauw verbonden, als de beide oevers der Reuss door de brug zelve worden aanéén gehecht. Zelfs de wilde vloed des levens zal niet alle banden tusschen hen verbreken, zoo onuitwischbaar is de herinnering aan een belangrijk uur, hetwelk men te zamen doorleefde.” Lodewijk gevoelde de waarheid van deze opmerking en dankte den graaf met warmte voor zijne vriendschappelijke oplettendheid. De frissche, wintersche morgen, het gevoel van teruggekeerde lichaamskracht, de innemende gulhartigheid zijner reisgezellen, dit alles te zamen was bij hem van eene zoo gelukkige uitwerking, dat hij zelfs een zweem van opgeruimdheid gevoelde, ofschoon Bianca's beeld niet uit zijne ziel week en als eene stomme, treurende gestalte stand hield te midden der schoone, frissche tooneelen, welke het tegenwoordige oogenblik hem voorspiegelde.
De muildieren waren getoomd, de gidsen reisvaardig. Men verliet het statelijke hotel der Drie Koningen te Andermatt en reed nu het dal afwaarts, op zijn donkere uitgangspoort toe. De gelijksoortigheid dezer landstreek met die, welke hij een paar dagen vroeger was doorgetrokken, maakte weemoedige herinneringen bij den jongeling levendig. Evenals op den Simplon opende zich thans de duistere kloof, het Urnerloch genaamd; gelijk dáár stortte zich de stroom schuimend in de diepte neder, gelijk dáár viel in het midden van den doorgang eene kortstondige schemering door eene vierkante opening naar beneden en zag men de Reuss, een wit spooksel gelijk, al schuimende voorbijschieten. Nu verdoofde de vreeselijke donder van den rollenden stroom het oor. De kloof opende zich, en men stond in de door hemelhooge rotsen ingesloten bergpas, waar de bruisende Reuss klaterend in den afgrond nederstort en in hare onstuimige woede boorden en oeverdammen dreigt vaneen te rijten. Over dezen borrelenden, ziedenden waterketel is de smalle brug met zulk eene koenheid heengeslagen, dat de overlevering gelijk schijnt te hebben, wanneer zij beweert:
_Die brug is het werk niet der menschelijke hand, Wie toch zou zich zoo iets vermeten._
Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer de Reuss plotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.
Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend verhevene schouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was, over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering voor langen tijd!
Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.
Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog, doch rechts baande zich de Reuss, in eene onafgebroken keten van watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor. Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder, in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen grond des hemels afteekenden.
Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere, groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.
In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven, dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over, tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven dood gelijkt.
Reeds vroegtijdig bereikte men het dorp Am Steg, waar het Schaechendal zich met kronkelende bochten van de Reuss afscheidt. Hier ontbeten de reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naar Altorf in, die in het breede, groene dal tusschen frissche grasvelden heenvoert en waarop men niet meer door het donderen en klateren der Reuss verdoofd, maar slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.
De reisgenooten van Lodewijk wilden het Vierwaldstättermeer bezichtigen en haastten zich Flüelen te bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen, het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, te meer daar hij het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder verwijl over Zurich op Schaffhausen voort te zetten. Hij moest dus van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van een vetturino, en hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den weg van Milaan naar Duomo d'Ossola had doen zoek raken.
Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.
Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.
In de herberg te Altorf bevond zich toevallig een voerman, die met een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver uit Ulrichen ontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond te Zug aan, en den volgenden middag bereikte hij over den Albiss, welks hoogte hem een laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer zij haren weg door eene der bergpassen van het kanton Wallis genomen had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten, dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar zijne woonplaats aan te nemen. Over Schaffhausen en Freiburg kwam hij binnen weinige dagen te Heidelberg aan.
Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige plaats, waar hij zoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht, binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen, en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.
Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest, het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.
Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij, om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten, eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve, zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand, waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.
„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag te hebben.
„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in dezer voege:
„Aan den onbekenden Vriend!
Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde als ~zuster~ begroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem alles, alles verschuldigd is.
De geredde B.....”
„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon afwenden.
„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal zulk een romaneske droomer!”
„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge gewaarwordingen, dat men nooit jong, n
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg