Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Armin Stein
Albrecht DüRe. Een Levensbeeld
Door
Armin Stein (H. Nietschmann.)
Nijkerk G. F. Callenbach.
Voorrede.
Het is noodzakelijk de beide dwalingen, die aangaande Albrecht Dürer in den loop der tijden in omloop zijn gekomen, uit den weg te ruimen, voordat ik een trouw beeld van zijn leven schets. Ten eerste beweert men, dat Dürer arm is geweest en ten tweede wordt zijn vrouw voor een Xantippe uitgemaakt.
Het een noch het ander is waar. Het zijn verzinsels, waarvan men tijdens Dürers leven nooit heeft gehoord, en die een eeuw na zijn dood zijn bedacht.--Maar uit welke bron heeft men ze geput?
Wat Dürers gewaande armoede betreft, hebben enkele losse gezegden, in scherts door hem bedoeld, doch door de menschen in ernst opgevat, daartoe aanleiding gegeven en ofschoon hij wel eens in geldverlegenheid is geweest--welke kunstenaar is dat nooit!--heeft hij toch geheel onbezorgd kunnen leven en eindelijk zelfs een groot vermogen nagelaten.
Maar dit is de kleinste dwaling uit den weg geruimd. De tweede is van ernstiger aard: men zegt, dat zijn vrouw door haar heerschzucht, gierigheid en gebrek aan inzicht zijn huiselijk leven zeer heeft verbitterd. Hoe is men daaraan gekomen? De oorsprong van dezen schandelijken laster is uitsluitend een brief van Wilibald Pirkheimer, dien men in de 17de eeuw heeft gevonden in het stadsarchief van Neurenberg en dien hij twee jaar na Dürers dood aan Johan Tscharte heeft geschreven. Pirkheimer was op zijn ouden dag met iedereen in onmin geraakt, en leefde eenzaam en verlaten. Door podagra en galsteen gekweld, was hij een eigenzinnig, lichtgeraakt, ontevreden grijsaard geworden, die alleen leefde voor zijn eenigen hartstocht: het verzamelen van kostbare zaken. Het was Pirkheimers vurige wensch, de beide geweien uit Dürers nalatenschap, geschenken van den Keurvorst Frederik van Saksen, in bezit te hebben en hij stortte al zijn toorn over Dürers weduwe uit, toen zij over deze prachtexemplaren op andere wijze beschikte. Dat was in Pirkheimers oogen zulk een misdaad, dat hij, door schandelijke belastering in een brief aan zijn vriend, lucht gaf aan zijn woede.
Trouwens 't is niet alleen Dürers vrouw, Agnes, die in dezen brief wordt belasterd, ook Lazarus Spengler, die schitterende ster in de Hervormingsgeschiedenis krijgt zijn deel, en wordt in zulk een slecht licht geplaatst, dat ieder met verachting zich van hem zou moeten afwenden. En waarom zou men, nu er toch wel niemand zal worden gevonden, die ter wille van dien brief de geschiedenis der Hervorming zou willen verbeteren en dezen edelen man naar die lasterende woorden beoordeelen, op gezag van dienzelfden brief het beeld bezoedelen eener vrouw, die gedurende haar leven om haar eerbiedwaardigheid en huiselijke deugden aller achting heeft verworven?
Maar zoo is de laster; onverstoorbaar gaat hij voort, al verder en verder, al wordt hij ook duizendmaal aan de kaak gesteld. Doch na al hetgeen Thausing, die beter dan eenig ander Dürer heeft bestudeerd, in zijn werk over den meester heeft gezegd, moet de waarheid duidelijk zijn geworden en de smet, die het beeld dezer edele, achtenswaardige vrouw aankleefde, zal daardoor moeten verdwijnen.
Armin Stein.
Halle a/z Dec. 1891.
Inhoud.
Hoofdst. Bladz.
I. In het schemeruur 1 II. Castor en Pollux 8 III. Op school 16 IV. In vaders werkplaats 27 V. Bij Meester Wolgemut 38 VI. Het afscheid 48 VII. In den vreemde 53 VIII. Vervulde wenschen 67 IX. Het huwelijks leven 76 X. Hulp bij den arbeid 83 XI. Voornaam bezoek 89 XII. De prediker in de woestijn 98 XIII. Vriendentrouw 110 XIV. Kinderlijke liefde 123 XV. Tot grooter volkomenheid 130 XVI. Een dubbel afscheid 138 XVII. Nogmaals te Venetië 146 XVIII. Bedwelmende wierook 160 XIX. Op het toppunt van roem 166 XX. Schilder en dichter 181 XXI. Kunstenaar en Keizer 189 XXII. Smart en vreugde 198 XXIII. Uit de duisternis tot het licht 206 XXIV. Te Augsburg 219 XXV. Bevredigd verlangen 229 XXVI. Een spotschrift 236 XXVII. In de Nederlanden 242 XXVIII. Een lijkzang 255 XXIX. Neurenberg boven alles 261 XXX. Ook een hervormingspreek 255 XXXI. Kunstenaar en geleerde 277 XXXII. Naar een beter vaderland 281
Hoofdstuk I.
In Het Schemeruur.
De dag liep ten einde. Een flauw rosse gloed tintte nog slechts even den hemel en grijzige nevels hulden de stad Neurenberg als in een sluimerwade. Het was de 21e Mei van het jaar 1477 en een ijzig koude dag. Men had dit jaar niets gemerkt van de heerlijkheid der Meimaand: de vroege bloempjes hadden bitter geleden door de nachtvorst en de menschen verzamelden zich om het haardvuur, dat weldadig aandeed.
De schemering was bijna duisternis geworden in het woonvertrek van het huis, gelegen in de straat, die men "onder de veste" noemde en die steil naar de burcht [1] der vrije Rijksstad liep. Er was bijna niets meer te onderscheiden van de voorwerpen in de kamer: de stevige pilaar in 't midden, die de bruin geverfde zoldering van planken en balken schraagde, de ronde eikenhouten tafel om den voet der zuil aangebracht, de hooge, houten banken, die langs twee der eveneens met hout beschoten muren stonden, het rek met het aarden vaatwerk, het groote fornuis van groene tegels, waarin afbeeldingen uit de legenden der heiligen waren gebrand, daarnaast aan den muur het ivoren kruisbeeld met het wijwatersbakje er onder, en op den achtergrond de reusachtige, met ijzer beslagen, kist.
Er heerschte stilte in het vertrek; een plechtige stilte. Op een der houten banken, die in de vensternis waren vastgemaakt, zat de heer des huizes, Albrecht Dürer, de goudsmid, een man van even vijftig jaar. Zijn gelaat, vol uitdrukking, teekende zielsrust en waardigheid, zijn kleine, lichtbruine oogen hadden een verstandige en denkende uitdrukking en zijn edel besneden mond verried mannelijke vastberadenheid.
Tegenover hem zat een jonge vrouw van ongeveer vijfentwintig jaar, met een gelaat stralend als vriendelijk zonnelicht, met ronde, zacht blozende wangen, licht blonde, golvende lokken, en heerlijke blauwe oogen, schitterend als sterren aan den hemel. Dat was meester Dürers echtgenoot, Vrouwe Barbara. Op haar schoot sluimerde haar jongstgeborene en aan haar rechterhand stond een knaapje van drie of vier jaar, terwijl een zesjarige jongen naast zijn vader op de bank zat.
Op 's meesters knieën lag een groot boek, in bruin leder gebonden en met zilver beslag, waaruit hij had gelezen bij den huiselijken avonddienst. Zoo juist waren de knechts en de meid weggegaan en het gezin zat nog bijeen, in stil gebed verzonken. De meester had het gebed kort moeten maken, omdat er door de snel invallende duisternis te weinig licht door de vensters van geolied papier naar binnen viel, om de woorden te kunnen lezen.
Na eenige oogenblikken zette hij het bruine kapje weer op het hoofd, dat hij gedurende het gebed had ontbloot en legde de hand op het krullekopje van zijn oudsten zoon, die naar hem was genoemd.
"Gij zijt heden zes jaar geworden, mijn lieve Albrecht. God behoede en bescherme u ook op uw verderen levensweg en Zijn genade helpe u in het vervolg voor ons te blijven, wat gij tot nu toe zijt geweest: onze troost en vreugde."
De knaap vleide zich aan zijns vaders borst en kuste bewogen diens hand. Toen trok zijn moeder hem tot zich om hem te liefkoozen en ook haar zegen te geven. Zij kreeg de tranen in de oogen en haar stem trilde, toen zij zeide:
"Gij zijt nu onze oudste geworden, Albrecht, nadat God uw ouderen broeder Johannes en uw zuster Barbara heeft teruggeeischt. Op u rust nu al onze hoop en ons vertrouwen."
De knaap viel zijn moeder om den hals en kuste haar herhaaldelijk, terwijl hij de tranen in de oogen kreeg. Daarna wendde hij zich weer tot zijn vader en keek hem met zijn lieven, onschuldigen blik vragend aan.
"Wat wenscht gij mijn jongen?" vraagde zijn vader, die de taal zijner oogen begreep. De kleine jongen drong zich tegen hem aan en sprak: "Ik wou zoo graag, dat gij mij iets verteldet uit den tijd, toen gij zelf zoo jong en klein waart, als ik nu ben, en hoe het u later in de wereld is gegaan. Ik weet zoo weinig daarvan en zou graag alles weten."
"Wel, mijn jongen, dien wensch wil ik vervullen," antwoordde zijn vader vriendelijk, doch ernstig. "Het is altijd goed het verleden niet te vergeten en gij zijt nu ook oud genoeg om te begrijpen, dat het de Heer is, die uws vaders weg heeft bestuurd."
De kleine Albrecht ging nu weer naast zijn vader op de bank zitten en luisterde, met gevouwen handjes, naar hetgeen deze hem zou vertellen.
"Uit het oosten, uit een land hier ver van daan, ben ik gekomen. Mijn wieg stond in Hongarije; daar ligt een stad Groszwardein geheeten, in welker nabijheid het stadje Gyula is gelegen en dicht daarbij het dorpje Eitas, waar ik geboren ben. Mijn zusje Catherina speelde met mij toen ik nog in de wieg lag en later heb ik nog twee broertjes gekregen, waarvan de een, Ladislas, zadelmaker is geworden en de ander geestelijke. Doch ik kwam bij mijn vader in de leer, om door hem tot goudsmid te worden opgeleid.
"Toen mijn leerjaren voorbij waren, heb ik den wandelstaf ter hand genomen en ben volgens de gewoonte der handwerkslieden de wijde wereld ingetrokken. Eerst bleef ik in mijn eigen land; toen ben ik naar de Nederlanden gegaan, om eindelijk aan te landen in de goede stad Neurenberg, waar ik sedert dien dag ben gebleven en hoop te blijven tot mijn laatsten dag, zoo God het wil. Want slechts korten tijd was ik in Neurenbergs poorten, of ik voelde mij zoo aangetrokken tot deze schoone stad, dat ik niet meer van haar zou hebben kunnen scheiden. Toen ik door de straten wandelde om de prachtige huizen, de aangrijpend schoone kerken en de machtige vestingwerken te bewonderen, zag ik veel menschen in feestgewaad naar de burcht snellen, het prachtige slot, hoog gelegen en vanwaar men de stad kon overzien. Op mijn vraag wat er te doen was, hoorde ik, dat een der edelen uit een zeer aanzienlijk geslacht bruiloft vierde op de open plaats onder de linde, waar iedereen, die het begeerde, vrij mocht toekijken. Ik volgde de menigte en keek wat daar boven gebeurde, waardoor ik gelegenheid had te zien hoe rijk, aanzienlijk en trotsch deze stad was.
"Hoe prachtig waren de kleederen en gewaden dezer mannen en vrouwen, hoe schitterend de edelgesteenten op het kostbare fluweel en de zware zijde, hoe mooi de veelkleurige vederen, die in de kapsels zacht heen en weer wuifden; hoe heerlijk geurde de balsem, waarmee zij zich hadden gezalfd! En hoe zedig en ordelijk ging alles toe! Op eene verhevenheid hadden de ouders van het bruidspaar plaats genomen, naast het gedeelte, dat voor de muzikanten was bestemd en vandaar keken ze naar het dansen, dat nu begon. De bruidegom met zijn bruid aan de hand trad nu vooruit; ik keek met welgevallen naar dezen trotschen, statigen man, den Heer Philippus, uit het oud-adellijke geslacht der Pirkheimers. Ook van al de anderen, die op de maat der fluiten, hoorns, trompetten en trommels langzaam en statig om den lindenboom schreden, kon ik de oogen niet afwenden. En terwijl ik daar peinzend stond, sprak een stem in mijn hart: "Hier moet gij blijven, Albrecht,--gij hebt nu lang genoeg gereisd en getrokken en zijt reeds bijna dertig jaar oud; hier zal uw handwerk welig bloeien." En mijn verwachting is niet beschaamd geworden. Ik kwam bij meester Hieronymus Holper in de werkplaats, en het eene jaar na het andere verliep, zonder dat de gedachte in mij opkwam, om verder te trekken. Ook Vrouwe Kunigonde, des meesters echtgenoot, was een ware moeder voor mij, zoodat ik mij volkomen thuis bij hen voelde. En dan die lieve, driejarige Barbara, Holpers dochtertje! Wat had ik een pleizier in het lieve, vrome kind, dat ik zag opgroeien tot een schoone, beminnelijke jonkvrouw. Ook zij voelde een hartelijke genegenheid voor den gezel en beschouwde hem als een vertrouwd huisvriend. En toen zij vijftien jaar was geworden, ging ik naar haar vader om hem de hand zijner dochter te vragen. Nu, die werd mij niet geweigerd; haar ouders vertrouwden mij hun kind toe, en zonder aarzelen legde zij haar hand in de mijne en werd mijn lieve, trouwe vrouw, uw goede moeder. Ik bleef werken bij mijn schoonvader, doch het volgende jaar liet ik mij, tegen betaling van tien gulden, [2] als meester in het gilde opnemen en kocht voor twee gulden het burgerrecht. Daarna ben ik met mijn vrouw in het huis van den heer Johan Pirkheimer gaan wonen op de Heeremarkt bij de "mooie bron" en de Lievevrouwekerk, maar niet in het paleis zelf, doch in het achterhuis, dat in de Winklerstraat uitziet. Dat is het huis, waar gij, mijn kind, zijt geboren en uw eerste kinderjaren hebt doorgebracht, waarvan gij u nog veel zult kunnen herinneren, vooral hoe gij met den kleinen Wilibald Pirkheimer, die nu nog uw vriendje is, hebt gespeeld en kattekwaad uitgehaald. Maar die woning werd ons al spoedig te klein en daarom kocht ik voor drie honderd gulden een eigen huis, waarin wij nu reeds drie jaren wonen en wij bidden God, dat Hij ons genadig moge toestaan nog vele rustige, gezegende jaren onder dit dak te beleven. Wij vragen het Hem, die ons tot nu toe zoo vriendelijk heeft gesteund en geleid.
"En gij, mijn lieve zoon luister naar mijn raad: wandel voor Gods aangezicht, zooals Abraham, de gezegende des Heeren, opdat het u goed ga en gij lang moogt leven op de aarde; want de vaste grond en hoeksteen van het geluk is de vreeze des Heeren en niemand zal beschaamd uitkomen, die zijn hoop stelt op Hem, die den hemel en de aarde gemaakt heeft."
Toen reikte de vader zijn zoon de hand, waarin de knaap de zijne legde, zijn vader met warmen blik aanziende; hij zei niets, maar zijn vader begreep hem en was voldaan. En nadat de vrome man zich in zijn kamer had teruggetrokken en onder het crucifix zich met wijwater had besprenkeld en het teeken des kruises gemaakt, beval hij zijn oudste nogmaals dringend aan in Gods genade.
Hoofdstuk II.
Castor En Pollux.
Onder de vele paleizen der adellijke geslachten uit de vrije Rijksstad Neurenberg, was dat der Pirkheimers een der schoonste en meest vorstelijke, een waardig verblijf voor een geslacht, dat sedert meer dan een eeuw tot den hoogsten adel van Neurenberg had behoord en steeds een gewichtige rol in de regeering der stad had gespeeld. Trotsch verrees het gebouw op de Heeremarkt met uitzicht op de "mooie bron", [3] het meesterstuk van Hendrik Behaim en op de Lievevrouwekerk, en menigmaal had Keizer Sigismund het waardig gekeurd hem te herbergen, als hij voor den Rijksdag te Neurenberg moest zijn. De hooge, spits toeloopende gevels en de erkers, de steenen beelden en de figuren uit hout gesneden, die in de vakken waren geplaatst, brachten niet weinig bij tot de schoonheid van dit paleis, in welks glasruiten in lood gevat--glazen ruiten waren in die dagen een groote bijzonderheid en een bewijs van verbazenden rijkdom--de zon hel schitterde. Maar nog meer getuigde het inwendige van het paleis van den rijkdom der Pirkheimers, vooral de groote, voor feestelijke gelegenheden bestemde zaal met de beide zuilen, de wanden bedekt door vlaamsche gobelins met tafereelen uit de bijbelsche geschiedenis doorweven, het kostbare vaatwerk, de alom bewonderde lichtkronen van geweien met goud langs de muren, de hooge schouw met bronzen beelden versierd, de fraai gesneden leunstoelen, met gouden leeuwekoppen gekroond en met bruin leder overtrokken en de groote spiegel van Venetiaansch glas.
Op een zonnigen dag in de maand Mei van het jaar 1479 zaten in de vensternis twee jonge meisjes in blauw fluweel gekleed en met lange, blonde vlechten. Het waren de twee dochters des huizes, de vijftienjarige Charitas en de twaalfjarige Sabine, die door het venster naar een koets keken, die bespannen was met twee ongeduldig trappelende schimmels.
De deur ging open en Vrouwe Barbara, de moeder der beide meisjes, trad haastig binnen. Zij was een schoone, statige vrouw uit het aanzienlijke geslacht der Löffelholzen. Haar welig, bruin haar werd door een klein kapje, met goud gestikt, bij elkaar gehouden, om haar hals droeg zij een fijn, wit doekje en haar slank figuur kwam goed uit in het sleepend kleed van donkergroene, Vlaamsche, wollen stof, dat door een gouden gesp werd vastgehouden; uit de mouwen kwamen donkerroode zijden doffen te voorschijn en van de schouders golfden lange, wijde mouwen naar beneden, die met witte kant waren gevoerd. Aan de gouden ketting hing een kostbaar sieraad van echte paarlen en haar armen waren getooid met breede, gouden armbanden, waarin robijnen schitterden. Over haar arm had zij een zwart fluweel, met marderbont afgezet, manteltje, om haar op den voorgenomen rijtoer voor kou te beschutten.
"Waar is toch, Wilibald, die kleine deugniet?" vraagde Vrouwe Barbara aan haar dochters.
"Jutta heeft tevergeefs het heele huis doorzocht."
"Als hij niet thuis is," antwoordde Charitas, "dan kan hij nergens anders dan bij Meester Dürer zijn. Ik heb hem een uurtje geleden met Albrecht bij de mooie bron zien loopen."
"Dan moet Jutta den kleinen deserteur maar even gaan halen," beval Vrouwe Barbara en zij gaf haar dochter een wenk om het aan de meid te gaan zeggen.
Een half uur verliep; de koetsier had moeite om de ongeduldige paarden in bedwang te houden en Vrouwe Barbara fronste de wenkbrauwen, want ze wilde een rijtoer buiten de stad doen en wenschte dat haar kinderen met haar zouden genieten van de heerlijke voorjaarslucht.
Daar kwam eindelijk de oude Jutta terug met den achteneenhalfjarigen Wilibald aan de hand, een mooi kind met blonde haren en schrandere, schitterende oogen.
"Gij hebt veel van mijn geduld gevergd, Wilibald," sprak zijn moeder ontstemd, "wist gij niet, dat wij om twee uur uitrijden zouden gaan?"
"Ik heb onder het spelen niet op den tijd gelet," antwoordde hij luchtig, terwijl hij zich de haren uit de oogen streek. "Ik vond het ook veel prettiger om met Albrecht met den pijl en boog te schieten dan uit rijden te gaan."
"Gij zijt een dwaze, ongehoorzame jongen," sprak zijn moeder. "Vraag in het vervolg meer wat uw ouders genoegen doet. Trek nu gauw een ander pak aan en ga dan met ons in het rijtuig."
Nog bleef de knaap aarzelen en keek zijn moeder een weinig verdrietig en tegelijkertijd vragend aan: "Ik heb toch geen pleizier als Albrecht niet mee mag," klonk het.
Zijn moeder had moeite niet boos te worden, doch zij bedwong zich en vraagde:
"Waar is Albrecht?"
"Hij wacht beneden," antwoordde Wilibald.
Vrouwe Barbara moest nu toch lachen om de volharding van haar zoontje, die een vastheid van wil toonde zoo groot als die van zijn vader, Johannes Pirkheimer, die door zijn onvermoeide energie en geestkracht het ver in de wereld en in de achting der menschen had gebracht.
Toen zij beneden kwam, vond zij Wilibald, die gauw andere kleeren had aangetrokken bij zijn vriend Albrecht Dürer, die wel een beetje verlegen keek en niet wist, of Vrouwe Barbara zijn indringerigheid wel goed zou opnemen. Maar zijn vrees verdween, toen hij zag, dat zij hem vriendelijk aankeek en zeide: "Stap maar in, Pollux, en ga naast uw Castor zitten! Gij behoort nu eenmaal bij elkander," en zij zelf hielp hem instappen.
Nu ze had ook moeilijk boos kunnen zijn op dien aardigen jongen, van wien iedereen veel hield. Zelfs haar aangeboren trots, die anders wel in opstand zou zijn gekomen tegen zulk een vertrouwelijken omgang van haar zoon met een knaap uit den ambachtsstand, verzette er zich niet tegen en niet alleen, dat zij dezen omgang duldde, maar ze verheugde er zich zelfs in, omdat zij bemerkte, welk een goeden invloed de bedaarde, stille, zachtzinnige Albrecht op haar wilden, koppigen, hartstochtelijken zoon uitoefende. Zij had dikwijls het spel der knapen gade geslagen en zich dan in stilte verheugd, dat zij aan Albrecht zulk een goede hulp had bij de opvoeding van haar wilden jongen. Het was ook verwonderlijk, hoe die onstuimige Wilibald zich geheel door zijn bedaarden vriend, die nog wel een half jaar jonger was, liet leiden en hoe goed zij het met elkander konden vinden, terwijl zijn zusters, die zooveel ouder waren, heel wat met hem hadden te stellen en dikwijls hun beklag over den stijfkop bij haar ouders kwamen doen.
Eigenlijk was Wilibald, als eenige stamhouder, waarnaar zij vurig hadden verlangd, ook wel een weinig door zijn ouders bedorven, en er werd veel door de vingers gezien, dat flink gestraft had moeten worden.
De beide jongens zaten op Wilibalds verzoek bij den koetsier en babbelden vroolijk, ook vrouwe Barbara was goed geluimd; zij genoot van dezen heerlijken meidag en de verrukkelijke natuur, en haar hart stemde mee in het lied ter eere der lente, dat de beide meisjes aanhieven. Toch kon zij haar oogen niet van de knapen afhouden en zij verbaasde zich in stilte over de opmerkingsgave van Albrecht, die zooveel in de natuur zag, wat zij in het geheel niet had opgemerkt of niet waard had geacht om te bekijken. En zij glimlachte bij de gedachte, dat de jongste uit het gezelschap aller leermeester was, zonder dat hij zich daarvan ook maar eenigszins was bewust!
De rit werd tot het dorpje Pillenreut uitgestrekt, waar de paarden mochten uitrusten en allen zich een heerlijk glas bier goed lieten smaken. De jongens hielden het in de kamer niet lang uit: zij stormden naar buiten en men hoorde hen juichen en zingen. Toen ze terugkwamen, had Albrecht een ruiker roode anemonen, gele ranonkels, witte madeliefjes en blauwe grasbloempjes in de hand, die hij vrouwe Barbara aanbood uit dankbaarheid voor den heerlijken dag, dien zij hem bezorgde.
Met een glimlach bekeek zij den ruiker. Hoe mooi en artistiek had hij die bloemen geschikt en dat voor een achtjarige knaap!
De terugreis zou evenwel niet zoo aangenaam zijn als de heenreis. De paarden schrokken voor een troep zigeuners, die een beer met zich rondleidden, en de koets kreeg zulk een schok, dat zij bijna omviel. Gelukkig bekwamen Vrouwe Barbara en haar dochters geen letsel, doch de beide knapen stortten van hun hooge zitplaats naar beneden. Met een kreet van ontzetting liep Vrouwe Barbara op de kinderen toe en zij zag met schrik hoe Wilibald een bloedende wonde aan het achterhoofd en Albrecht, een blessuur aan zijn hand had gekregen. Doch voordat zij hen kon helpen, was Wilibald al opgestaan, hij hielp Albrecht op en trachtte hem te troosten, niet denkende aan zijn eigen pijn, voordat zijn moeder hem opmerkzaam maakte, dat ook hij was gewond. Doch hij schonk meer aandacht aan zijn vriendje en zijn moeder verblijdde zich innig over het goede hart van haar zoon, dat hij zoo dikwijls achter zijn ruwheid verborg, maar dat nu duidelijk sprak uit zijn groote zorg en teederheid voor zijn vriend.
Castor en Pollux, de naam dien vrouwe Barbara in scherts op hen had toegepast, bleef in het vervolg hun bijnaam en niet alleen bij de familie Pirkheimer, maar ook bij de buren, die een levendig belang in de beide onafscheidelijke vrienden stelden.
Zij speelden 't liefst in den tuin van het paleis: daar vermaakten zij zich met hun ballen, hun stokpaard of den kruisboog, en ook wel met eigen gemaakt speelgoed. Soms ook gingen ze naar het Lorenzerwoud of het Sebalduskerkhof en stoeiden daar met andere jongens. Als het dan ooit gebeurde, dat Pollux onrechtvaardig werd behandeld, dan sprong Castor voor hem in de bres en toonde zich een trouwe, ridderlijke vriend. Maar ook in de werkplaats van meester Dürer liepen de knapen dikwijls binnen en hielpen hem soms door aan den blaasbalg te trekken en het een of ander aan te geven. Albrechts ouders maakten zich nooit ongerust, wanneer hun zoon op het etensuur niet verscheen, want dan begrepen ze, dat er bij Wilibald thuis iets extra lekkers werd gegeten en dat deze zijn vriendje mee wilde laten smullen. En de eenvoudige handwerkslieden vonden het een eer, dat Albrecht daar als kind des huizes werd behandeld.
Hoofdstuk III.
Op School.
Elken morgen te negen uur kwam er aan het paleis der Pirkheimers een kleine man, die door de portierster met alle teekenen van eerbied werd binnengelaten.
Om zijn kleine, magere gestalte fladderde een lange, wijde jas van vuurrood laken, hij droeg een hooge, spits toeloopende muts van zwarte wollen stof en om zijn scherp belijnd gelaat met lange, spitse neus, fladderden dunne, grijze haren. Met de rechterhand leunde hij op een stokje en in de linker droeg hij een rol perkament.
"God zegene u, mijnheer de Doctor!" zoo verwelkomde de meid geregeld den binnentredende; dan liep zij eerbiedig vooruit de trap op om de deur aan het eind der lange, donkere gang voor hem open te doen.
"God zegene u, Doctor!" klonk het daarop driestemmig in de kamer en het kleine, roode mannetje drukte allen met vriendelijken lach de hand.
Het was Doctor Henricus Philander, die op deze wijze in het paleis werd ontvangen. Eigenlijk heette hij Hendrik Liebmann, maar volgens de gewoonte der geleerden in dien tijd, had hij zijn voornaam in een Latijnsch en zijn familienaam in een Grieksch kleed gestoken.
Henricus Philander verdiende ten volle de algemeene achting om zijn groote geleerdheid en om zijn bijzonder talent van onderwijzen, dat hem alle kinderen der aanzienlijke families uit de stad als leerlingen bezorgde.
Bij den keizerlijken raadsheer en medebestuurder der stadsregeering van Neurenberg Johan Pirkheimer, kwam hij reeds zeven jaar aan huis, eerst om de oudste dochter Charitas onderricht te geven en later ter wille van Sabine, de jongste.
Met bijzondere voldoening en ijver kweet hij zich van zijn taak, want de beide meisjes waren zoo leergierig en zoo verstandelijk ontwikkeld, dat Doctor Philander dikwijls vergat, met meisjes te doen te hebben en hen onderwees, alsof zij jongens waren. Zij leerden Grieksch en Latijn zonder moeite en zij verdiepten zich gaarne en met vrucht in de geheimen der mathematica en der astronomie.
Sedert eenigen tijd was het aantal leerlingen in het paleis tot drie geklommen, want Wilibald was bij de lessen tegenwoordig, waardoor Doctor Philanders ijver nog toe nam, want hij bemerkte spoedig, dat de knaap het in verstand en geestesgaven nog van zijn zusters won. Het was waarlijk ook geen onaangename taak den knaap te onderwijzen, maar daarentegen een groot genot en naarmate Wilibald vorderingen maakte, steeg ook de achting voor den leermeester bij de ouders, die hem met weldaden overlaadden. Want het was het vurig verlangen van Johan Pirkheimer, dat zijn zoon een groot geleerde, zooals hij zelf was, zou worden, en zich op het gebied des geestes bijzonder zou onderscheiden.
Na een jaar was de knaap al aardig op de hoogte van de geschiedenis van het herleefd klassieke tijdperk en kende hij voldoend Latijn.
Nu weerklonken in den tuin van het paleis slechts zelden de stemmen der spelende knapen. 's Middags, als er geen les was, zaten ze samen aan de groote, eikenhouten tafel, die in het midden van de leerkamer stond en dan luisterde Albrecht met gespannen aandacht naar hetgeen Wilibald vertelde. Wat hij des morgens had geleerd, deelde hij 's middags aan zijn vriend mee, evenals de lekkernijen, die zijn moeder hem gaf. Bijzondere belangstelling toonde Albrecht voor de oude Grieksche godenverhalen en heldensagen en hij vergat alles om zich heen, als Wilibald begon te vertellen van den held Hercules, van Prometheus, die aan de rots was geketend en duldelooze smarten leed door Jupiters adelaar, die dagelijks een stuk van zijn altijd weer aangroeiende lever afbeet, van den tocht der Argonauten om het guldenvlies, van den strijd der zeven helden tegen Thebe, van de beide vrienden Orestes en Pylades, van den Trojaanschen oorlog, van Odysseus en andere heerlijke verhalen.
Al spoedig bemerkte Wilibald, dat Albrecht steeds stiller en meer in zich zelf gekeerd werd, als hij naar die verhalen luisterde en toen hij hem eindelijk vraagde, wat er toch aan scheelde, antwoordde Albrecht met een diepen zucht: "Ik benijd u."
Wilibald keek verbaasd: "Benijdt gij mij? En gij zijt zelf toch ook op school?" Maar Albrecht schudde droevig het hoofd: "Och, wat is nu de St. Sebaldusschool en onze meester in vergelijking met doctor Philander! Het is als mijn grove kiel vergeleken bij uw fluweelen buis. Gij kent toch meester Burgdörffer wel--wat gaat hem alles langzaam en moeilijk af! Hij heeft er ook zoovelen tegelijk om les te geven en dan het schoollokaal is zulk een naar, donker hok, dat men er nauwelijks kan ademhalen en de banken staan zoo dicht bij elkaar en zijn zoo ongemakkelijk, dat al mijn ledematen pijn doen, als ik naar huis ga. Op een houten katheder zit onze schoolmeester, een strenge, sombere man, die op het zwarte bord letters schrijft om ons die te laten nazeggen en op de lei naschrijven. Daarbij maakt hij flink gebruik van de roede van berketakjes gemaakt en tuchtigt daarmee allen, die lui, lastig en ondeugend zijn. Nu deze laatste soort is rijk vertegenwoordigd bij ons op school, vooral bij die zwervende luitjes, die men niet weet vanwaar zij komen en die weer verdwijnen, als zij er lust in hebben."
"Ja, ik kan me begrijpen, dat de meester met zulke lastposten heel wat heeft te stellen," zei Wilibald. "Mijn vader zegt dat het sluwe schepsels zijn, een echte plaag voor den onderwijzer. Is het waar wat Renate, onze meid, vertelde, dat de beul vijf van die schelmen gisteren heeft gegeeseld en uit de stad gejaagd?"
"Ja, dat is waar," bevestigde Albrecht.
"Wat hadden ze uitgevoerd?" vraagde Wilibald nieuwsgierig.
"Zij hadden het achtste gebod overtreden en het vijfde ook en zijn in de omliggende dorpen gegaan om brood bedelende; doch terwijl twee van hen aan de boeren kruiden, die genees- en tooverkrachten zouden hebben, verkochten, pleegden de anderen een aanslag op den kelder en namen alles mee, wat ze aan worsten, hammen enz. vonden. Daarna hebben ze den schoolmeester, die hen met strenge straf bedreigde, heel brutaal geantwoord en hem zelfs mishandeld."
"Nu dan hebben ze hun verdiende loon," vond Wilibald.
"Hm," bromde Albrecht, "het is waarlijk geen wonder, dat er van leeren weinig komt, als er zulke snaken op school zijn; soms troost ik mij wel, als ik denk aan zoovele arme jongens, die in het geheel niet op school gaan en steeds op straat slenteren: maar als ik aan u denk, Wilibald, dan word ik jaloersch. Hoe graag zou ik ook les nemen bij doctor Philander, want ik wenschte veel, heel veel te leeren."
Wilibald zweeg en keek peinzend voor zich. "Ik zou het u zoo gaarne gunnen," sprak hij na eenige oogenblikken, "maar hoe zou het mogelijk zijn?... Wilt gij echter eens stilletjes toeluisteren, dan zou ik er wel iets op weten. Kijk, daar in den hoek achter de kast moogt gij u verstoppen, maar zoo dat niemand het ziet. Morgen zoudt gij al kunnen komen, tenminste indien meester Burgdörffer niet boos is, als hij u mist."
"O, dat komt er niet op aan," sprak Albrecht opgewonden. "Het heeft bij ons wel iets van een duiventil: elken dag ontbreekt een groot getal scholieren, en er heerscht tucht noch orde door die zwervende lui, die doen juist zooals zij willen en verbeelden zich, dat zij de baas zijn."
"Nu, kom dan morgen ochtend vroeg, maar vooral voordat Dr. Philander er is."
Op den bepaalden tijd sloop Albrecht den volgenden morgen in het donkere hoekje en bleef daar onbewegelijk twee uren lang zitten luisteren naar het onderwijs van den doctor, die dien dag Latijn en sterrekunde op het programma had.
Albrecht genoot zoo lang hij luisterde; doch toen de les uit was, voelde hij dubbel hoeveel hij op de Sebaldusschool miste en met loome schreden ging hij er den volgenden morgen weer naar toe. Hij voelde zich ongelukkig en zijn ellende bereikte het toppunt, toen de meester hem een pak slaag gaf, omdat hij klaarblijkelijk in het geheel niet luisterde.
Zijn ouders bemerkten al gauw, dat er iets aan haperde; hij was zoo stil en in zich zelf gekeerd, dat zijn vader op zekeren dag naar de reden hiervan vraagde.
Het duurde lang voordat men iets uit hem kon krijgen, totdat hij eindelijk bekende, dat het slechte onderwijs en de groote wanordelijkheid op school hem zoo onvoldaan stemden. Zijn vader troostte hem met de woorden: "Wie langzaam gaat, gaat zeker. Werk zoo hard als gij kunt, opdat de meester tevreden over u kan zijn, dan leert gij langzamerhand alles, wat gij noodig hebt te weten. Pas op voor hoogmoed en ijdele wenschen, mijn zoon! Zie niet naar hen, die uw meerderen zijn in de maatschappij; benijd Wilibald niet omdat hij beter onderwijs geniet. Bedenk liever dat gij de zoon van een handwerksman zijt en eens evenals uw vader in de werkplaats zult arbeiden. Een goudsmid kan waarlijk zooveel geleerdheid wel ontberen."
Deze verstandige taal en de woorden zijner moeder die zij dagelijks herhaalde: "Ga in den naam des Heeren," misten hun uitwerking niet en met vernieuwden ijver ging Albrecht weer naar school.
Het gevolg was dan ook dat de meester pleizier in hem had, waardoor de knaap werd aangemoedigd om steeds meer zijn best te doen.
Zoo ging het langen tijd goed; maar later had de meester weer over Albrechts onoplettendheid te klagen en hij ontstak in hevige woede, toen hij op zekeren dag bemerkte, wat er de oorzaak van was.
Hij zag onder de rekenles, dat verscheiden leerlingen steelsgewijze de oogen naar Albrecht wendden. Plotseling verliet hij den katheder, greep den knaap bij den arm en ontrukte hem een klein stuk papier, waarop iets was geteekend. Toen hij het goed bekeek, herkende hij zijn eigen portret en hij was zoo verontwaardigd en woedend over deze majesteitsschennis, dat hij de roede greep en den armen teekenaar zulk een pak slaag toediende, dat hem hooren en zien verging.
Er liep een afkeurend gemompel door de rijen der leerlingen, die niet konden begrijpen, dat zulk een onschuldige scherts zoo streng gestraft moest worden en een der oudste jongens had den moed een kreet van afschuw te uiten. Maar dat maakte den meester nog toorniger en hij jaagde de heele bende uit de school.
Het teekenen stilletjes onder de les was den jongen kunstenaar al heel slecht bekomen en het zou niet te verwonderen zijn geweest, als hij 't in het vervolg geheel had gelaten. Trouwens, hij waagde het ook niet meer dergelijke grappen op school uit te halen, maar zijn medescholieren, één en al bewondering over zijn kunst, bedelden altijd om de een of andere teekening. En Albrechts goed hart, dat zoo moeilijk iets kon weigeren, bevredigde hun wenschen.
Als hij 's morgens op school kwam, verdrongen ze zich dadelijk om hem heen en ze strekten begeerig de handen uit, zoodra hij met een veelbeteekenend gezicht in zijn zak voelde. Dan werd er gevochten, dat het een aard had, want iedereen meende recht te hebben op de door Albrecht gemaakte teekening. Soms ook kroop hij met den een of anderen kameraad in een afgelegen hoek en deze zag dan met verbazing hoe vlug hem het teekenen afging.
Natuurlijk was Wilibald bij de uitdeeling de meest bevoorrechte. En toen Albrecht hem eens een afbeelding van een lansknecht met een harnas van staal, een hoed met pluimen en schitterende wapens ten geschenke gaf, kon Wilibald zijn oogen niet gelooven; langen tijd bekeek hij de teekening met alle aandacht, toen riep hij op eens uit: "Benijdt gij mij omdat Doctor Philander mij les geeft? Zie, gij kunt, wat hij mij nimmer leeren kan. En nu zijn de rollen omgekeerd, nu benijd ik u!"
Het was in April 1484. Des morgens was het geheele gezin van Meester Dürer bijeen voor het gebed en alle waren in bijzonder goede stemming, want Vrouwe Barbara vierde heden haar naamdag.
Vader Dürer had het gebedenboek opengeslagen en wilde met lezen beginnen, doch Albrecht was er nog niet; juist wilde zijn vader Andreas naar hem toe sturen, toen hij binnen kwam en met de beide handen achter zijn rug iets voor aller blikken trachtte te verstoppen. Zijn vader wenkte hem te gaan zitten en deed het gebed, waarna hij zijn vrouw de hand drukte en vurig Gods besten zegen toewenschte op haar verderen levensweg. Ook de kinderen, wier aantal nu tot vijf was geklommen, verdrongen zich om hun moeder en kusten haar handen.
Het laatst van allen kwam Albrecht bij haar en hij keek wel een beetje verlegen, toen hij een blad papier te voorschijn haalde en dat zijn moeder aanbood met de woorden: "Dit heb ik voor u gemaakt, lieve moeder, als een herinnering aan dezen dag."
Vrouwe Barbara trad een schrede achteruit en staarde vol verbazing eerst naar het papier en toen naar haar zoon: op het blad zag zij Albrecht voor zich, sprekend van gelijkenis en uitdrukking. "Mijn zoon"--meer kon zij niet zeggen, toen keerde zij zich tot haar man en liet hem het portret zien. Hij kon zijn oogen niet gelooven:
"Heilige Moeder Gods, leert gij dan tooveren op school? Hebt gij dat waarlijk zelf geteekend? Maar hoe kan men zijn eigen portret maken?"
Nu moest Albrecht glimlachen: "Het is waarlijk geen tooveren; ik heb geteekend wat de spiegel mij voorhield."
"Och kom, gij zoudt dat zelf hebben gemaakt?" zei zijn vader ongeloovig. "Spreek nu de waarheid, kleine schelm; 't is Meester Wolgemut, die het portret heeft gemaakt."
Albrecht antwoordde vroolijk: "Gij hebt in zoover gelijk, vader, dat Meester Wolgemut wel de hand in het spel heeft. Heel dikwijls ben ik bij hem in de werkplaats geweest en heb toegekeken, hoe hij schilderde. Daardoor heb ik het geleerd. En ook bij den heer Koburger, mijn peetvader, ben ik dikwijls in de drukkerij geweest om te zien, hoe Meester Wolgemuts houtsneden werden afgedrukt, dat heeft mij ook veel geholpen. En nu zult gij, lieve moeder, mij een groot genoegen doen, als gij dit kleine geschenk van mij wilt aannemen."
Zijn moeder sloot hem in haar armen, terwijl zijn vader het portret dicht bij het venster nog eens nauwkeurig bekeek. Ja, het was sprekend Albrecht; alleen de oogen waren niet heel goed geteekend, maar de rest... wel Meester Wolgemut zelf had het niet mooier en beter kunnen doen.
Met potlood was het portret op gekleurd papier geteekend [4]: op zijn hoofd had hij een kapje van laken, eigenlijk een lap, welks eind met drie knoopen boven op het hoofd bij elkaar werd gehouden, aan de linkerzijde afhing en voorzien was van lange franjes. Het haar, recht afgesneden, hing laag op het voorhoofd en verder in lange, golvende lokken aan weerszijden op zijn schouders. Hij droeg een buis met wijde mouwen, dat door de linkerhand van voren werd vastgehouden, terwijl hij de rechterhand vooruit strekte, alsof hij op iets wees.
Nadat Dürer het portret langen tijd had bekeken, trad hij vriendelijk op zijn zoon toe en legde zijn hand op diens schouder, zeggende: "Als gij met smeltkroes en graveerstift even handig zijt als met potlood en penseel, dan zal ik mij verheugen in den dag, waarop ik u in mijn werkplaats aan mijn zijde zal zien arbeiden. Mogen al de heiligen u zegenen en u bijstaan, opdat er een wakkere man uit u groeie!"
"Amen!" zei Vrouwe Barbara en toen haar zoon naar school ging, sprak zij zooals gewoonlijk: "Ga in den naam des Heeren!"
Hoofdstuk IV.
In Vaders Werkplaats.
Het was een koude dag in de maand Mei van het jaar 1486. De sneeuw viel in groote vlokken neder en hulde de daken, die pas er van ontdaan waren, opnieuw in een wit winterkleed.
Het was stil in meester Dürers werkplaats. Eenzaam zat Albrecht op zijn laag bankje te werken aan een gouden ring, waarin een nieuwe amethist moest worden gezet. Zijn vader was uit: hij moest voor zaken naar Augsburg; van de gezellen lag de een ziek te bed en de andere moest een boodschap in de stad bezorgen. Albrecht kon heden zijn aandacht niet goed bij het werk bepalen. Op de tafel naast hem lag een teekening, die nu en dan zijn blikken tot zich trok.
Er werd zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad een meisje binnen van ongeveer dertien jaar, met een frisch, blozend gezichtje, een paar oogen, blauw als vergeetmijnietjes en een figuurtje vlug als dat eener hinde. Ze had een mutsje van zwart fluweel met een rand van marderbont op het lange, blonde haar, en droeg een donkerblauw kleedje en een manteltje ook van zwart fluweel met bont, dat tot aan de heupen reikte.
Het was het oudste dochtertje van den heer Hans Frey, een rijk, zeer ontwikkeld en geacht ingezetene, die vele vaste goederen bezat zoowel in de stad als daarbuiten en zelfs meermalen lid van den grooten Raad was geweest.
Albrecht kende haar zeer goed, daar zij dikwijls bij haar oom kwam, die dicht in de buurt woonde. Soms was hij met haar naar de mis gegaan en in vroeger jaren had ze zich niet te voornaam gerekend om met hem te spelen.
"God zegene u, Albrecht!" zeide zij een weinig verlegen en zij bleef in de deur staan.
"Dank u zeer, Agnes!" antwoordde hij vroolijk, terwijl hij van het bankje opstond.
"Waarmee kan ik u van dienst zijn?"
"Is uw vader niet thuis?"
"Neen, hij is naar Augsburg gegaan."
"O dan ga ik maar weer weg en zal wachten totdat hij thuis komt."
"Kan ik u niet helpen in zijn plaats?"
"Och, mijn ringetje is gebroken en ik wilde het zoo graag gesoldeerd hebben."
"Geef maar hier, Agnes."
Het meisje aarzelde, maar haalde eindelijk op herhaald aandringen van Albrecht den gebroken ring te voorschijn en overhandigde dien den goudsmidsleerling. "Kunt gij het al goed?" vraagde zij met meer vrijmoedigheid.
"Mijn vader heeft nog niet over mij te klagen gehad," sprak hij openhartig.
Nu kreeg het meisje de teekening in het oog. "Wat is dat?" vraagde zij nieuwsgierig. "Zoo, zoo, als nu uw vader was binnengekomen, dan geloof ik, dat hij voor het eerst reden zou hebben gehad over zijn leerjongen te klagen."
Maar Albrecht schudde glimlachend het hoofd. "Nu doet gij mij onrecht, Agnes. Gij denkt, dat ik dit nu heb geteekend, in plaats van mijn plicht te doen. Maar kijk eens hier: onder de teekening staat het jaartal 1485, dat bewijst duidelijk, dat zij reeds het vorige jaar is gemaakt. Ze is ook al vier maanden oud en dateert van Kerstmis; nu heb ik haar hier gehaald, omdat er veel in is, dat mij niet bevalt en ik wil die fouten verbeteren, als mijn werk klaar is." Agnes trad dichter bij om beter te kunnen zien. Het was een madonna, op een troon gezeten, met een gouden kroon op het hoofd, loshangende haren en een lang kleed, dat in breede plooien haar omgaf. Met een gelaat, stralend van moedervreugde zag zij neder op haar kind, dat op haar schoot stond en haar hals met beide armpjes hield omvat. Aan weerszijden stond een engel, waarvan de eene een harp en de andere een cither bespeelde.
Met gevouwen handen beschouwde Agnes geruimen tijd de teekening, toen keek zij Albrecht vragend aan: "Hebt gij dat gemaakt? Gij, een knaap van veertien jaar? Neen, maak dat aan anderen wijs! Wel weet iedereen, dat gij goed kunt teekenen, maar zoo iets... neen, neen, ik kan niet gelooven, dat gij dat hebt gemaakt."
"Dus, gij houdt mij voor zoo slecht, dat ik mijn naam onder het werk van een ander zou zetten en het dan voor het mijne uitgeven?" vraagde Albrecht en zijn stem klonk verwijtend. "Als gij hier nog een oogenblik wildet blijven, dan zou ik u metterdaad kunnen toonen, dat uw twijfel ongegrond is en mij verdriet doet."
Agnes kreeg een kleur en stak hem haar hand toe.
"Vergeef mij, Albrecht, het was waarlijk niet mijn bedoeling u verdriet te doen. Maar ik kan mijn oogen niet gelooven; Meester Wolgemut zelf zou trotsch kunnen zijn op zulk werk. Als gij het op een groot paneel met heerlijke kleuren hadt geschilderd, zou het waard zijn een altaar te versieren."
Albrecht drukte met een blos van genot over deze lof haar kleine zachte hand en liet die niet los, toen zij die wilde terugtrekken. Het meisje zag er bekoorlijker uit dan ooit en gaarne had hij haar willen vragen. "Blijf een oogenblik hier en laat mij uw lief gelaat op het papier brengen!" Doch zij vreesde reeds te lang te zijn gebleven, nam haastig afscheid en ging heen.
Albrecht liep snel naar het raam om haar na te zien, toen zij door de sneeuw naar huis stapte. Haar lof was hem liever dan al de bewondering, die zijn kunst bij zijn speelkameraden had geoogst. En met vernieuwden ijver legde hij zich in zijn vrijen tijd toe op zijn lievelingsbezigheid, die hem verkwikte na den moeilijken, dagelijkschen arbeid, en hem meer bevrediging schonk dan hij ooit van het best gelukte werk in de goudsmidswerkplaats gevoelde.
Voor zijn vader, die er anders over dacht dan hij, moest hij zijn liefhebberij verbergen en daarom deed hij het meest buitenshuis en verstopte zich met zijn vrienden, die hem steeds om teekeningen plaagden, in afgelegen plaatsen. Toch had hij niet te veel gezegd, toen hij tegen Agnes beweerde, dat zijn vader niet over hem te klagen had. De oude meester had pleizier in den ijver van zijn zoon en zag met vertrouwen de toekomst tegemoet in de overtuiging, dat Albrecht eenmaal een waardig opvolger in zijn werkplaats zou zijn. Nog geen jaar was verstreken, of de leerjongen was reeds goed vertrouwd met het gieten, soldeeren en polijsten. En nu, nadat hij nog niet ten volle twee jaar in de leer was geweest, had hij een veel grooter en moeilijker werk onder handen, waarvan reeds meer dan de helft klaar was: hij moest in gedreven zilver in zeven tafereelen weergeven, hoe de Heer Jezus herhaaldelijk nederstortte onder de vuisten der krijgsknechten op den lijdensweg van Gethsemane naar Golgotha. En met stille verbazing en innige verrukking zag zijn vader, dat hij zich niet tevreden stelde met het navolgen van anderer ontwerpen, doch zelf nieuwe wist te scheppen.
Met ongeduld wachtte hij op de voltooiing van het werk en toen het oogenblik was gekomen, riep de meester, innig gelukkig, zijn vrouw er bij en toonde haar wat zijn leerling had gemaakt.
Op denzelfden avond vond men in de woonkamer de vrienden en buren verzameld om de tafel, waarop een tinnen kruik met Bourgonje wijn stond, ter eere van den jongen kunstenaar.
Meester Wolgemut, de schilder, was ook tegenwoordig en vol lof over Albrecht. Hij sprak ook over het andere talent van den knaap en vond, dat het pond, door God aan hem toevertrouwd, niet in een zweetdoek mocht worden weggelegd, doch dat er mede moest worden gewoekerd ter eere van God en ook ter wille van den naaste.
Doch meester Dürer was het hiermee niet eens. Hij vond, dat hier een ander schriftwoord van toepassing was: niemand kan twee heeren dienen. Indien Albrecht zich met evenveel ijver op de schilder- als op de goudsmeedkunst toelegde, dan zou hij het in de eene noch in de andere tot volmaaktheid brengen. Daarom moest hij zich tevreden stellen met schilderen na volbrachten arbeid in zijn vak.
Meester Wolgemut sprak zijn vriend niet tegen, doch in stilte betreurde hij, dat Dürer dit vak voor zijn zoon had gekozen. Albrecht had ook hem eens in vertrouwen de afbeelding der Madonna laten zien en zijn verbazing over het werk van den veertienjarigen knaap had hij duidelijk uitgesproken in de woorden: "Als ik alleen zulke leerlingen in mijn werkplaats had, dan zou het er beter bij mij uitzien."
Albrecht kon deze woorden niet vergeten en bewaarde ze als een dierbaar geheim in zijn hart, terwijl hij, gehoorzaam aan zijns vaders wenschen, in de goudsmidswerkplaats arbeidde.
Zoo gingen lente en zomer voorbij, de herfst streek met zijn verwoestenden adem over veld en weide en hulde de aarde in een grijs, somber nevelkleed. Het werd koud; in de schouw vlamde weer het vuur en lokte het gezin in haar verwarmende nabijheid.
In Albrechts hart had een verandering plaats gegrepen. De woorden van meester Wolgemut aangaande het toevertrouwde pond, waarmee men moest woekeren, en het antwoord van zijn vader: "niemand kan twee heeren dienen," lieten hem niet met rust. Telkens overdacht hij die beide schriftplaatsen en trachtte die met elkaar te doen samenstemmen. Doch hoe meer hij begreep, dat dit onmogelijk was, des te grooter werd zijn onvrede, want het werd hem steeds duidelijker, dat de goudsmederij niet de plaats was, waarvoor God hem had bestemd. Het bevredigde hem hoe langer hoe minder anderer modellen in goud en zilver na te maken, want de begeerte om zelf te scheppen werd steeds grooter. En tegelijk met die begeerte voelde hij ook de kracht er toe. Hoe weinig moeite kostte het hem immers de beelden, die zijn fantasie hem voortooverde, op het papier te brengen en hoeveel innig genot had hij daarvan. Hij voelde dagelijks meer dat de goudsmidswerkplaats niet zijn bestemming was en dat hij het niet zou kunnen uithouden zijn gansche leven lang smeltkroes, vijl en graveerstift te hanteeren.
Hoe onrustig klopte zijn hart bij deze overdenkingen en welk een zwaren strijd had hij te voeren, den strijd tusschen het volgen van zijns vaders wensch en het toegeven aan zijn eigen begeerte. Het was niet mogelijk de meening van meester Wolgemut en die van zijn vader te vereenigen en daarom koos hij, overtuigd dat slechts één dezer beiden gelijk kon hebben, de zijde van den eerstgenoemde en zoo werd zijn tweestrijd beslist.
Den 30en November des avonds, nadat hij in de eenzaamheid God om raad en hulp had gevraagd, zocht hij zijn vader op om hem zijn hartewensch mee te deelen: "Lieve vader," sprak hij, "ik wil u niet langer verbergen, wat er in mijn hart omgaat en 's nachts den slaap uit mijn oogen houdt. Ik heb nu twee jaren lang bij u in de werkplaats op uw verlangen gewerkt en zonder mij zelf te overschatten, geloof ik te mogen zeggen, dat het mij niet aan ijver heeft ontbroken en ik steeds mijn best heb gedaan om het u naar den zin te maken. Maar ofschoon mijn handen zich met goud, zilver en edelgesteenten hebben bezig gehouden, was mijn hart bij iets anders. Slechts wanneer ik potlood of penseel mocht hanteeren, voelde ik in mijn hart zulk een ongekende blijdschap en zulk een wonderlijk genot, dat ik begreep, dat het dit was, waartoe God mij heeft geschapen. Ach, vader, het doet mij leed u te moeten vragen om mij uit uw werkplaats te ontslaan, maar ik geloof, dat het Gods wil aldus is en dat ik mij aan Hem bezondig, als ik het pond mij toevertrouwd, in de aarde ga begraven."
Met klimmende verbazing luisterde zijn vader naar die woorden. Toen schoof hij zijn kapje in den nek, stond op met een somber gelaat en onder de gefronste wenkbrauwen uit wierp hij op zijn zoon een blik, waarin verwijt en smart om den voorrang streden. "Hoe had ik heden morgen kunnen denken, dat de dag zoo droevig zou eindigen! Mijn zoon, uw woorden snijden mij door de ziel. Daar gaan nu al mijn schoone droomen in rook op! Albrecht, nooit had ik gedacht, dat gij zoo lichtzinnig zoudt kunnen zijn, twee volle jaren van uw leven op deze wijze weg te werpen. Verlaat gij mij nu, nadat ik u alles heb geleerd en op het punt was u als gezel in het gild te doen opnemen? Gij hebt mij laten zaaien, doch de oogst onthoudt gij mij. O mijn zoon, waaraan heb ik dat verdiend? Tot nu toe waart gij mijn vreugde, nu bereidt gij mij een bittere smart."
Er was nu geen toorn meer in zijn stem, slechts innige weemoed en er blonk een traan in zijn oog.
Albrecht kon zijns vaders smart niet aanzien; het schemerde hem voor de oogen en hij was op het punt berouwvol al zijn woorden terug te nemen, toen de oude man snel hoed en mantel greep en, zonder iets meer te zeggen, wegging.
Even daarna kwam zijn moeder binnen; zij was zeer ongerust, en toen zij zag, hoe bleek Albrecht was, vraagde zij angstig: "Wat is er gebeurd, Albrecht? Uw vader is zoo juist in hevige gemoedsbeweging uitgegaan naar den heer Koburger, met wien hij ernstig over u moest spreken, zei hij op mijn vraag, wat hij ging doen."
Nu vertelde Albrecht haar met bezwaard gemoed wat er tusschen zijn vader en hem was voorgevallen, doch hij werd kalmer, toen hij bemerkte, dat zijn moeder hem beter begreep. Maar toch bleef zijn hart onrustig kloppen, terwijl hij op zijns vaders terugkomst wachtte.
Het eene uur na het andere verliep, voordat hij den stap van zijn vader weder hoorde en toen hij de voordeur hoorde opengaan, was het hem alsof zijn hart stil stond.
De boosheid was uit zijns vaders aangezicht verdwenen, hij zag er kalm en ernstig uit, en de klank zijner stem was geheel anders geworden, toen hij tot zijn zoon sprak: "Morgen ochtend vroeg moet gij het allereerst naar uw peetvader gaan en moogt gij hem dankbaar de hand drukken, omdat hij het is, die mij van meening heeft doen veranderen. Gij zult uw zin krijgen, Albrecht; als meester Wolgemut u nog in zijn werkplaats kan bergen en hij er niets op tegen heeft, dan zij hij in 't vervolg uw leermeester." Een luide kreet ontsnapte aan Albrechts beklemd gemoed en hij kuste in sprakeloos genot zijns vaders hand; zijn moeder stond er bij met gevouwen handen en dankte den Heer voor deze gezegende uitkomst.
Meester Wolgemut was bijzonder in zijn schik, toen hij den volgenden morgen zijn buurman Dürer met zijn oudsten zoon zag binnen komen en de eerste zijn verzoek tot hem richtte. Hij zeide, dat nu zijn hartewensch was vervuld en hij gaf Dürer de verzekering, dat het hem nimmer zou berouwen, want wie maar oogen had om op te merken zag, dat God hem voor de kunst, niet voor het handwerk had geschapen.
Eenige dagen later stond Albrecht met pak en zak gereed om naar meester Wolgemuts woning te verhuizen. Zijn vader gaf hem menigen goeden raad mee en zijn moeder legde zegenend haar hand op zijn hoofd en sprak: "Ga in den naam des Heeren."
Hoofdstuk V.
Bij Meester Wolgemut.
"Wat verbeeldt jij je wel, kwajongen! Wees maar niet zoo verwaand, hoor. Denk je, omdat je een paar portretten hebt durven kladden, dat je reeds iets beteekent en niet meer behoeft te leeren?"
Barsch snauwde Urban, de oudste leerling van meester Wolgemut, Albrecht Dürer deze woorden toe, terwijl hij hem het penseel uit de hand rukte, waarmee Albrecht, omdat er niemand in de kamer was, aan een groot altaarstuk onder aan den zoom van het gewaad der Maagd Maria, een paar streken schilderde.
"Hier behoor je thuis!" vervolgde hij en hij duwde hem naar den steen, waarop de verven moesten worden gewreven. "En kijk eens, slungel, de penseelen heb je ook nog niet gewasschen en de paletten zijn in het geheel niet schoongemaakt! En de vloer--zeg, waarom heb je den bezem niet gebruikt? Ben je daarvoor soms te goed? of ben je te lui om je plicht te doen?"
Daarop gaf hij hem nog een duw, en toen met een stok drie slagen op zijn rug. Albrecht beet zich op de lippen en zweeg. Hij was aan dergelijke behandeling reeds gewoon. Vier der gezellen van meester Wolgemut waren van het begin af aan onvriendelijk en ruw tegen hem geweest, omdat zij zijn meerderheid gevoelden en die niet konden verdragen, te meer daar hij zooveel jonger was. Slechts één, Sebaldus, die in leeftijd weinig met hem scheelde en zelf ook nog leerling was, was hem goed gezind. Bij hem sloot Albrecht zich nu aan; hij bracht zijn vrijen tijd met hem door, ging des Zondags met hem buiten de poort wandelen en luisterde gaarne naar de bemoedigende woorden van dezen goedhartigen knaap.
Nog meer goed deed hem de tevredenheid van zijn meester. Toen Albrecht bij hem als leerling kwam, was Michel Wolgemut ruim vijftig jaar; uit zijn lang, smal gelaat met het hooge voorhoofd, de sterk gebogen neus, de groote heldere oogen, de breede, vooruitstekende kin en den fijn besneden, vriendelijk lachenden mond, sprak zoowel verstand als mannelijkheid en groote goedhartigheid. Meester Michel was een eerlijk, rechtschapen man, en om zijn kunst hoog in aanzien niet alleen bij de ingezetenen van Neurenberg, maar in het geheele land.
Het was hem onmogelijk de vele opdrachten, die van alle kanten tot hem kwamen en ruim werden betaald, alleen ten uitvoer te brengen, daarom kon hij steeds meer en meer gezellen gebruiken, want overal waar groote altaarstukken noodig waren, richtte men zich tot den beroemden meester Michel Wolgemut te Neurenberg. De kerk der H. Drievuldigheid te Hof, de kapel van het heilig Kruis te Neurenberg, de Lievevrouwekerk te Zwickau konden zich op werken van zijn hand beroemen; op dit oogenblik werkte hij aan een groot altaarstuk voor de nieuwe, bijna voltooide Augustijnerkerk te Neurenberg, waarmee hij bijzondere eer hoopte in te leggen en daarom wilde hij niets aan de gezellen overlaten, doch alles zelf schilderen.
Ook in het maken van houtsneden was hij een meester. Anton Koburger, de drukker, die eenige jaren geleden een Hoogduitsche bijbeluitgave op zich had genomen en de platen daarvoor had ontleend aan den dertien jaar geleden uitgekomen Keulschen bijbel, was het nu met meester Wolgemut eens geworden over een nieuwe uitgave, namelijk een grooten prentenbijbel getiteld: "Schatbewaarder des rijkdoms van het eeuwig heil en zaligheid." De eerste plaat: God, de Vader, op zijn troon gezeten, terwijl Hij den voor Hem knielenden Verlosser zegent, was gereed en met waar genot schiep de meester andere voorstellingen. Het groote succes, dat deze eerste uitstekend geslaagde teekening behaalde, was dan ook de reden, waarom men den meester opdroeg de houtsneden op zich te nemen voor het werk van Dr. Hartmann Schedel: "de nieuwe Wereldkroniek," een kolossale onderneming, waartoe de patriciërs Sebaldus Schreijer en Sebastiaan Kammermeister de noodige middelen verschaften. Er moesten niet minder dan tweeduizend houtsneden daarvoor worden gemaakt en dat men het Wolgemut opdroeg, verhoogde aanmerkelijk 's meesters roem.--
Albrecht kon waarlijk geen beter leermeester begeeren. Wel is waar gaf hij geen les volgens een bepaalde methode; hij achtte het voldoende zijn gezellen en leerlingen te laten zien, hoe hij werkte, maar dat was voor Albrecht ook volkomen genoeg en toen hij nog op de onderste trede stond en niets dan knechtsdiensten mocht verrichten, zooals verven wrijven, penseelen wasschen en paletten schoon maken, keek hij met alle aandacht toe, hoe zijn meester werkte en leerde op deze manier zonder dat zijn meester er iets van bemerkte.
En wat hij in den loop van den dag met zijn oogen had geleerd, trachtte hij in zijn vrije oogenblikken met de hand uit te voeren, maar in het geheim, uit vrees nog meer wangunst bij de gezellen op te wekken. Hij voelde zich als een vogel, die de vleugels niet kan uitslaan en menige zucht ontsnapte hem als hij zich ter ruste legde en snakte naar den dag, waarop zijn knechtsbezigheden niet meer noodig zouden zijn en de meester tot hem zou zeggen: "kom nu hier, mijn zoon, en neem het penseel ter hand."
Zijn vriend Wilibald was altijd de eerste, die mocht zien wat hij in stilte had geschilderd, want hij hechtte veel aan het oordeel van dezen jongeling, die zooveel fijn kunstgevoel bezat.
In het voorjaar van het jaar 1488 ging hij meer dan anders naar het paleis der familie Pirkheimer, omdat de vrienden welhaast zouden worden gescheiden. Wilibalds vader wenschte, dat zijn zoon, die nu achttien jaar was, naar het hof van den bisschop van Eichstadt zou gaan, om aldaar te worden onderwezen in de gebruiken van het hof, in het voeren der wapenen en in de krijgskunst.
Eenige dagen voordat de vrienden afscheid van elkaar moesten nemen, kwam Albrecht in opgewonden stemming bij Wilibald. "Hier breng ik u wat ik in de laatste twee avonden heb gemaakt. Wilt gij het houden als een aandenken aan mij, Wilibald?" Hij nam uit zijn portefeuille de afbeelding van een jonkvrouw, gezeten op een schimmel, met een valk op haar hand, een baret met wapperende vederen op het hoofd en een lang, hemelsblauw kleed aan.
Met verrukking bekeek Wilibald haar en hij betuigde zijn innigen dank.
"Zoo iets moois hebt gij nog niet gemaakt, Albrecht," voegde hij er bij. "Nu reeds, terwijl gij nog niet eens gezel zijt en slechts als knecht wordt beschouwd en behandeld, zijt gij werkelijk reeds meester en ik ben er meer en meer trotsch op uw vriend te zijn."
Na nog herhaaldelijk zijn dank te hebben betuigd, bekeek hij weer het werk van zijn vriend. "Wat een bekoorlijk figuurtje en welk een allerliefst gezicht! Het komt mij zoo bekend voor, het is alsof ik het reeds ergens heb gezien".
Peinzend streek hij met de hand over zijn voorhoofd en dacht eenigen tijd na--op eens trad hij op Albrecht toe en zag hem diep in de oogen, terwijl hij uitriep:
"Nu weet ik het: het is Agnes Frey! Is het niet waar?"
Albrecht wendde snel het hoofd af om den blos te verbergen, dien hem deze veronderstelling van zijn vriend in het aangezicht joeg.
Had Wilibald geen gelijk? Waren het niet werkelijk de trekken van het jonge meisje, voor wie hij eenige jaren geleden het ringetje had gesoldeerd?
Hij had het niet expres gedaan, doch onwillekeurig had zijn hand het beeld te voorschijn geroepen, dat in zijn hart leefde. Hij had het mooie meisje niet kunnen vergeten en elke gelegenheid om haar te zien, had hij opgezocht; hij wist op welk uur zij naar de mis ging en richtte het zoo in, dat hij altijd als bij toeval er juist tegelijk met haar was. En 't maakte hem erg gelukkig, toen hij bemerkte, dat zij hem nooit trachtte te ontloopen, maar altijd vriendelijk met hem praatte, al was zij dan ook wel eens wat verlegen en bedremmeld.
Eens toen de gezellen der verschillende gilden zich vermaakten met ringsteken op de Hallerweide, was Agnes in die op elkaar gedrongen menschenmassa van haar familie afgeraakt, en zij liep gevaar door het gedrang, ontstaan door het schuw worden van een paard, in een sloot te worden gedrongen, toen Albrecht, die voortdurend in haar nabijheid was gebleven en haar in het oog had gehouden, plotseling bij haar was en haar uit dat gevaar redde. Hiervoor hadden haar ouders hem hartelijk bedankt en de heer Frey vergat het niet, maar hield den redder van zijn dochtertje in dankbare herinnering, beantwoordde steeds minzaam zijn groet op straat en bij voorkomende gelegenheden sprak hij hem vriendelijk toe.
Albrechts blos was Wilibald niet ontgaan en er speelde een glimlach om zijn mond, toen hij sprak: "Het schoone is de wereld, waarin de schilder leeft, en uw blik ziet scherp om het schoone te ontdekken. Hoe gelukkig zijt gij, dat God u het talent heeft geschonken om weer te geven, wat gij hebt gezien. Wat zou Agnes wel zeggen, als zij eens wist, wat gij hebt gedaan! Wil ik het haar verklappen?"
Met een smeekend gebaar wendde Albrecht zich tot zijn vriend:
"Wilibald!" riep hij ontsteld en een donkere blos kleurde zijn gelaat.
Wilibald klopte hem op den schouder: "Stel u gerust, Albrecht. Ik zal u geen verdriet doen, 't was maar om u te plagen."
Dit bevredigde Albrecht en opgewekt ging hij naar huis.
Twee dagen later moest hij afscheid van zijn vriend nemen.
Het was een moeilijk oogenblik en zeer lang trilde de smart der scheiding in zijn hart na. Hij voelde zich zoo eenzaam en het werd hem nu recht duidelijk, hoeveel hij had gehad aan Wilibald, in wiens hart hij had gelezen als in een open boek, door wiens edel denken hij zich mee omhoog gevoerd voelde, met wiens innigste gevoelens en gewaarwordingen hij volkomen sympathiseerde en met wien hij als het ware één was.
En de afwezigheid van zijn vriend was nog pijnlijker, toen de gezellen van meester Wolgemut, in plaats van te trachten hem zijn gemis te vergoeden, nog ruwer en vijandiger tegen hem werden.
Dit kwam daardoor, dat op zekeren morgen meester Wolgemut, die een groot kerkschilderij onder handen had, Albrecht van het verf wrijven afriep, en hem met eenige deftigheid het penseel overreikte, zeggende: "Kom hier, mijn zoon--nu hebt gij lang genoeg als knecht dienst gedaan, nu moogt gij toonen of uw hand in staat is om mij te helpen."
En nu wees hij hem op de schilderij de plaats aan, waar hij moest schilderen op dezelfde manier, waarop de meester was begonnen.
Albrechts hart juichte en hij dankte zijn leermeester met een veelzeggenden blik; doch zijn vreugde werd vergald, toen hij de toornige gezichten der gezellen zag en later hun nijdige woorden moest aanhooren. Hun verhouding werd steeds moeilijker en den geheelen dag zag hij tegen den avond op en tegen het oogenblik, waarop zij zich ter ruste moesten begeven, want hij deelde het slaapvertrek met de overige gezellen. Dan werd de arme jongen geplaagd en gesard en deden ze hun best hem zoo lang mogelijk uit den slaap te houden.
Zou hij zich beklagen bij meester Wolgemut en hem vragen thuis bij zijn ouders te mogen overnachten? Dikwijls was hij op het punt dit te doen, maar hij bedwong zich, verdroeg zijn lot zwijgend en troostte zich met de gedachte, dat deze moeilijke tijd toch niet altijd zou duren en met de woorden, die hij in den bij Anton Koburger gedrukten bijbel had gelezen: "Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt."
Eindelijk verging den gezellen de lust tot plagen, ontwapend door zijn onuitputtelijk geduld en Albrecht voelde zich gelukkiger, vooral ook daardoor dat zijn leermeester, bijzonder tevreden over zijn werk, zich steeds meer en meer aan hem liet gelegen liggen en hem nog moeilijker arbeid toevertrouwde. In het begin van het jaar 1490 had Wolgemut weder de opdracht van een groot altaarstuk gekregen. Hij had de schets geteekend en was begonnen met het aanleggen der verschillende partijen, toen men hem wederom ander werk opdroeg, dat geen uitstel duldde. Hij bedacht zich niet lang en gaf Albrecht het penseel over met de woorden: "Durft gij op u te nemen mijn werk voort te zetten, mijn zoon?"
Albrechts oogen schitterden van innig geluk over het vertrouwen, dat zijn meester in zijn kunst toonde en met vurige bezieling ging hij terstond aan het werk; de penseelbehandeling en opvatting van zijn leermeester waren hem zoo eigen geworden, dat hij volkomen in zijn manier verder werkte. Het penseel ging zoo vlug over het doek en de arbeid vorderde zoo snel, dat hij zelf er over verbaasd was.
Toen Wolgemut den volgenden morgen binnentrad, bleef hij als aan den grond genageld staan: "Wel, alle Heiligen! Wat hebt gij uitgevoerd, Albrecht? Het is alsof de booze er bij in het spel is, zoo gauw gaat het in zijn werk. Het is goed, dat ik niet later kwam, anders bleef er voor mij niets meer te doen en zou ik niet van mijn geweten kunnen verkrijgen het stuk met mijn W te onderteekenen! En kijk, wat hebt gij mijn bedoeling juist gevat! Niemand kan hieraan zien, dat twee verschillende handen er aan hebben geschilderd! Ik kan het met een gerust hart voor mijn eigen werk uitgeven, het is één schoon geheel."
Eenige maanden later hield meester Wolgemut Albrecht na het middageten een oogenblik bij zich en sprak: "Mijn wakkere gezel, wij moeten scheiden."
Verschrikt keek Albrecht hem aan, maar glimlachend legde de meester zijn hand op Albrechts schouder. "Neen, wij gaan niet in toorn en onmin van elkaar, maar ik geef u mijn zegen mede. Wat ik u leeren kon, hebt gij geleerd; nu moet gij zien, hoe andere meesters werken. Nu is de tijd daar, waarop gij de wereld in moet en de kunst van andere volken moet leeren kennen, opdat gij bij uw terugkomst uw kunst volkomen machtig zult zijn en daardoor uw ouders en geboorteplaats tot vreugde en eer zult strekken."
Deze woorden maakten diepen indruk op den jongen man. Het was sinds lang zijn hartewensch de wereld in te trekken en te onderzoeken wat daar te zien was. Toch deed het hem leed te moeten scheiden van den man, wien hij zooveel had te danken en die voor hem als een vader was geweest, en daarom was zijn aandoening niet onvermengd, maar een van vreugde en weemoed tegelijkertijd.
Hoofdstuk VI.
Het Afscheid.
De mis was uit; de menigte stroomde uit de kerk en verspreidde zich in alle richtingen.
"Wees gegroet, jonkvrouw!" sprak Albrecht Dürer op zachten toon tot Agnes Frey, die hij bij den uitgang had opgewacht, en die nu met haar kerkboek tusschen haar beide handen en haar oogen neergeslagen het kerkgebouw verliet.
Zij beantwoordde zijn groet met een kleine hoofdbuiging en liep door.
"Mag ik met u meegaan?" vraagde Albrecht eerbiedig, "ik wilde u zoo gaarne nog eens spreken, voordat ik weg ga."
Agnes stond stil en zag hem ontsteld aan. "Gaat gij weg? Wat bedoelt gij?"
Albrecht knikte. "Mijn goede moeder is druk bezig alles voor mijn reis in orde te maken en mijn knapzak te vullen, voordat ik de wereld in trek."
"O, hoe heerlijk voor u!" sprak Agnes snel. "Wat zal uw hart luid kloppen van vreugde!"
"Ja, ik voel een vurige begeerte om de wereld in te gaan, Gods werken te bewonderen en vreemde zeden en gewoonten te bestudeeren. Maar het doet mij leed mijn geboorteplaats, mijn tehuis en allen, die mij lief zijn, te verlaten; daarbij loopt een reiziger allerlei gevaren, en ik heb wel noodig, dat er veel voor mij wordt gebeden. Nu wilde ik u vragen of ook gij in uw gebeden mij niet zult vergeten?"
Met een blos boog Agnes het hoofd. "Iederen morgen in de mis zal ik tot de H. Maagd voor u bidden."
"O, hoe dank ik u daarvoor," zei Albrecht met warmte, "en zult gij op een andere wijze ook nog eens aan mij denken?" voegde hij er aarzelend bij.
"Het scheiden zal mij minder zwaar vallen, als ik die troostende gedachte mag meenemen."
"Daar komt vader aan," fluisterde Agnes ontwijkend, doch zij trok haar hand niet terug, toen de jonge man die greep en hartelijk drukte.
Hans Frey, de koopman, die ook in de mis was geweest en hen nu had ingehaald, beantwoordde vriendelijk Albrechts groet en voegde er bij: "Meester Michel Wolgemut heeft mij verteld, dat gij morgen de wijde wereld intrekt."
"Ja, edele heer, en de meester heeft mij zijn zegen meegegeven," antwoordde Albrecht ernstig.
"Welnu, neem ook mijn zegen mee, Albrecht," zeide de heer Frey op vaderlijken toon en hij drukte den jongeling de hand. "Als uw tijd het u veroorlooft, ga dan met ons mee naar huis, dan kan ook mijn vrouw afscheid van u nemen. Ik ben er zeker van, dat zij daarop is gesteld, want zij houdt van u en heeft evenals ik groote achting voor uw ernstige levensopvatting en uw heerlijke kunst." Albrechts hart klopte luid en hij behoefde waarlijk niet tweemaal te worden uitgenoodigd. Hij had al lang gemerkt, dat de ouders van Agnes hem goed gezind waren, doch dat zij zoozeer op hem waren gesteld, had hij niet durven denken en vervulde hem met groote vreugde.
Vrouwe Anna haalde een kan edele malvezij voor den dag en sprak tot hem als een moeder tot haar kind; ook de heer Frey gaf hem vele goede raadgevingen voor de reis mede en eindigde met de woorden: "Meester Wolgemut heeft mij verzekerd, dat hij u niets meer kon leeren; en ik denk, als gij terug komt, dat de leerling den meester de baas zal zijn."
Agnes stond stil in de vensternis en keek naar buiten alsof zij er niets mee had te maken. Doch toen zij hem bij het afscheid nemen de hand reikte en sprak: "Mogen al de heiligen u beschermen op al uw wegen," zag Albrecht een traan in haar oog glinsteren en hoe gaarne had hij haar daarvoor vurig gedankt, want daardoor verried zij hem, wat er in haar hart omging en nu wist hij, wat hij reeds zoo lang had begeerd te weten. Nu kon hij getroost zijns weegs gaan--nu was de grootste smart van het scheiden verzacht.--
Op den avond van denzelfden dag zat de heele familie Dürer nog lang bij elkaar, tusschen vader en moeder zat Albrecht en de andere kinderen waren om de tafel geschaard. Droefheid was in aller blik te lezen, want het gold hier een afscheid van verscheidene jaren en wie kon zeggen, of Albrecht bij zijn terugkomst hen allen nog zou terugvinden. Hoe onverwacht wordt menigeen uit den kring der zijnen weggenomen! En dan: het was een tocht met vele gevaren--gevaren van roovers op de wegen en in de bosschen, van roofridders, die den reiziger den weg versperden in de bergpassen en van slecht volk in de herbergen--vooral dit laatste was te duchten om den slechten invloed, dien zij op de ziel van zulk een onervaren jongeling hebben konden.
Zijn vader gaf hem vele nuttige wenken en raadgevingen en nam daarop het gebedenboek, waarin hij iets toepasselijks opzocht en met diep gevoelde vroomheid sprak hij het gebed uit, waarop allen eerbiedig en van ganscher harte "amen" zeiden.
Den volgenden morgen--'t was enkele dagen na Paschen--op den 11den April, werd de klopper reeds vroeg op meester Dürers deur gehoord en kwam Michel Wolgemut, om Albrecht mee uitgeleide te doen.
Nauwelijks was hij binnengegaan, of twee andere vrienden kwamen met hetzelfde doel: de een was meester Hans Traut, ook een schilder uit Neurenberg en de ander Adam Kraft, meester in de beeldhouw- en houtsnijkunst.
Zij vonden Albrecht voor de reis gereed. Nog eenmaal drukte zijn vader hem aan zijn borst en kuste zijn moeder hem vaarwel, zeggende met trillende stem: "Ga in den naam des Heeren;" toen opende meester Dürer de deur en de mannen traden naar buiten in de heerlijk frissche atmosfeer van dezen helderen, mooien Aprildag.
Zij begaven zich op weg over de Hooimarkt in de richting van de Wöhrderpoort, in welker nabijheid de woning van Hans Frey was gelegen. Albrecht verheugde zich er op, dat zij daar langs moesten. Wie weet, of hij niet nog eenmaal haar, die zijn ziel lief had, zou aanschouwen en misschien zou hij nog een enkelen afscheidsgroet uit haar oogen mogen opvangen. Zij wist immers hoe laat hij zou vertrekken. En nu zou hij kunnen zien of ook zij hem lief had. Wanneer zij hem nu opwachtte aan het venster, zou hem dat het bewijs zijn, dat zij hem lief had en zijn vertrek betreurde.
Terwijl zijn begeleiders met elkaar in een ernstig gesprek waren gewikkeld, keek hij tersluiks naar boven--en waarlijk, daar stond zij voor het raam van haar eigen kamertje, met een wit doekje in de hand.
Albrecht bleef eenige schreden achter, zoodat niemand zag, hoe hij haar met de hand een groet toezond, en zijn hart klopte onstuimig, toen zij die beantwoordde. Nu was hij gerust en nam getroost en moedig afscheid van zijn vader en zijn vrienden.
Hoofdstuk VII.
In Den Vreemde.
"Goeden avond, beste oom! Met wien heb ik u zoo even op het Marcusplein zien staan?" sprak op zekeren Septemberavond van het jaar 1493 een aanzienlijke Venetiaansche jonkvrouw een ouden heer aan, met wien zij aan het "Canale grande" in een gondel stapte.
"'t Is een Duitscher, lieve Bella," was het antwoord.
"Een Duitscher? Zoo, hij is mij reeds dikwijls opgevallen met zijn hooge, mooi gebouwde gestalte, zijn fiere houding en zijn edel, schoon gelaat. Hoe heet hij?"
"Albrecht Dürer uit Neurenberg."
"Wat is hij?"
"Kunstenaar."
"Dat heb ik gedacht! men kan het hem aanzien. Is hij een beeldhouwer?"
"Neen, hij is schilder. Mijn kleine Bella heeft dus in hem den kunstenaar ontdekt? Wat hebben uw oogen goed gezien en welk een goeden smaak hebt gij! Hij is dan ook een bijzonder mensch, die Neurenberger en vereenigt in zich alles, wat iemand tot eer en sieraad strekt. Even kunstvaardig als zijn hand is, zoo groot en edel is zijn hart en ieder moet trotsch zijn zulk een man tot vriend te hebben. Maar het is niet gemakkelijk om met hem in aanraking te komen, want die Duitschers zijn zoo eenzelvig en gesloten."
"Hoe hebt u het aangelegd, oom, om kennis met hem te maken?"
"Signor Rodrigo Varini, die vurige vriend van kunstenaars en geleerden, is mij behulpzaam geweest. Het is hem gelukt zijn hand op deze Duitsche prooi te leggen en hem in zijn huis te lokken. Daar heb ik hem voor het eerst gezien en gesproken en mocht ik een blik slaan in zijn portefeuille, die een schat van teekeningen en schetsen bevat."
"En wat is uw oordeel over zijn kunst?" vraagde Bella.
"Hij is er nog niet geheel;" antwoordde haar oom. "Men kan zien, dat hij de groote meesters, die hij op zijn reizen leert kennen, bestudeert en zich hun uitstekende hoedanigheden eigen maakt; maar men ziet ook terstond, dat hij niet alleen navolgt, doch een eigen opvatting heeft. Hij heeft genie; en men behoeft waarlijk geen profeet te zijn om te voorspellen, dat hij in de kunst een grooten naam en onvergankelijken roem zal verwerven. Maar de indruk, dien zijn kunst maakt, wordt nog verhoogd door zijn persoonlijkheid. Hij is pas drie-en-twintig jaar oud, en toch is zijn levensbeschouwing zoo ernstig, zijn optreden zoo waardig en zijn hart zoo rein, vroom en onbesmet! Ik moet het bekennen: men voelt zich waarlijk beschaamd als men in zijn reinen, open blik leest en naar zijn woorden luistert. Alles wat laag en onedel is, is eindeloos ver beneden hem en de dolle, losbandige begeerten der jeugd dringen niet door het pantser van dit edele hart, dat slechts leeft voor het schoone."
"O, hoe gaarne zou ik hem ook eens ontmoeten," zuchtte Bella, "want hier te midden van al die onbeteekenende en lichtzinnige jongelui, verlangt mijn hart vurig een man te zien, die zoo ten volle achting en bewondering verdient."
Haar oom keek met een vriendelijken glimlach naar het jonge, schoone meisje.
Hij begreep haar verlangen, want hij kende haar streven naar het edele, haar liefde tot de kunst en haar bewondering voor het grootsche en schoone.
"Uw wensch kan gemakkelijk worden vervuld," sprak hij, "want dikwijls is er een groote kring gasten bij signor Varini, als deze Duitsche kunstenaar daar aanwezig is en ik zal de vrouw des huizes vragen u ook eens te inviteeren."
"O heerlijk, oom, ik dank u duizendmaal," riep Bella verrukt en drukte haar oom de hand.--
In een der paleizen op het Marcusplein, de woning van Signor Varini, was eenige dagen later een uitgelezen gezelschap bijeen--een groot aantal bedienden in prachtige livrei, liep heen en weer in de groote zaal om de gasten allerlei ververschingen aan te bieden.
De genoodigden waren gedeeltelijk artisten, voor het overige liefhebbers der kunst en allen waren onder den indruk der muziek, die door de zaal weerklonk. Signor Varini was er in geslaagd een beroemde zangeres voor dezen avond te engageeren, een kunstenares, die sinds eenige weken te Venetië vertoefde, waar zij iedereen in verrukking bracht door haar zang en spel.
Nadat men ruimschoots van de muziek had genoten, verdeelde het gezelschap zich in groepen in de verschillende vertrekken. In een daarvan verzamelde zich al spoedig een kring om een jongen man, die al de vragen, waarmee men hem bestormde, vriendelijk beantwoordde. Die man was Albrecht Dürer.
Zijn uiterlijk alleen won aller harten, maar nog meer wist hij door zijn woorden te boeien. Hij had veel gereisd en van de wereld gezien en had de gave het aan anderen op een aardige manier mee te deelen. Hoe goed had hij alles waargenomen en welke bijzondere oogen moesten dat zijn, die zooveel zagen, wat een ander zelfs niet opmerkte!
Toen hij eindelijk vermoeid was van het vele spreken, noodigde Signor Varini de gasten uit om een gezelschapsspel te doen en Dürer maakte van die gelegenheid gebruik om zich in een afgelegen nis bij het venster terug te trekken en zijn oogen te laten gaan over de drukte op het Marcusplein, waarnaar hij steeds met evenveel belangstelling keek.
Na eenige oogenblikken hoorde hij een zijden kleed in zijn nabijheid ruischen en toen hij zich omkeerde, zag hij een jonge, schoone Venetiaansche, die hem niet zonder verlegenheid en met bewondering aanzag.
"Zijt gij vermoeid dat gij zoo de eenzaamheid opzoekt?" vraagde zij.
Dürer glimlachte. "Signor Varini geeft zijn gasten ook zoo veel te genieten,"
"Gij zijt een Duitscher", sprak Signora Bella met een guitig lachje, "en de Duitschers zijn spoediger bevredigd dan wij, Italianen."
Dürer keek met welgevallen naar deze bekoorlijke jonkvrouw; de klank harer stem en haar manier van spreken trokken hem zeer aan en daarom noodigde hij haar beleefd uit plaats te nemen. Bella deed dit gaarne en sprak: "Ik zou nog veel meer van Duitschland willen hooren. Is het niet een erg ruw, onherbergzaam land? Hoe is het mogelijk, dat de kunst kan bloeien onder dien grauwen hemel, vooral uw kunst, meester Dürer? Gij moest het zonnige Italië tot uw woonplaats kiezen, dan zou uw talent tot zulk een volkomene ontwikkeling geraken!"
"Gij hebt gelijk, Signora," antwoordde Dürer met een hoffelijke buiging.
"Het zonnige, kleurrijke Zuiden is bevorderlijker voor den bloei der kunst dan het ruwe, grijze noorden; maar de kunst is als de denneboom, die welig tiert op den vruchtbaren boschgrond der dalen, maar ook op de steile, dorre rotshoogten tot vollen wasdom komt. Denk eens aan de Rijnstreek en de Nederlanden, denk aan Boheme [5] en aan mijn geboorteplaats [6], op hoeveel groote meesters kan men zich daar niet beroemen en welke heerlijke kunstproducten heeft hun hand geschapen!"
"Goed gezegd!" riep Bella uit, "Van de meesters der scholen van Keulen en Brugge [7] heb ik verscheidene werken gezien, ook van de Praagsche kunstenaars en alle wekten evenzeer mijn bewondering."
"O, hebt gij zooveel kennis van de kunst en liefde tot haar!" riep Dürer uit, die zijn belangstelling in de Signora voortdurend voelde toenemen.
Bella lachte en tusschen haar lippen glinsterden haar kleine, ivoorwitte tanden.
"Het rijk van het schoone was van mijn jeugd af aan de wereld, waarin ik leefde, en ik voel een vurigen eerbied en bewondering voor de priesters der kunst... Hoe lang zwerft gij reeds op uw reizen rond?"
"Reeds meer dan drie jaren," antwoordde Dürer.
"O, wat moet gij dan veel hebben gezien! En als gij niet te veel vermoeid zijt, zoudt gij mij een groot genoegen doen, mij er iets van te willen vertellen."
"Heel gaarne, Signora," verzekerde Dürer, die zich meer en meer tot deze discipelin der kunst voelde aangetrokken. "Eerst ben ik westwaarts getrokken en wel naar Colmar om kennis te kunnen maken met Martin Schongauer, [8] dien grooten meester, die mij in mijn leerjaren van groot nut is geweest en mij steeds met zijn kunst heeft bezield. Van de eene stad ben ik naar de andere getrokken, hier en daar eenigen tijd vertoevend, totdat ik Colmar bereikte, om toen te bemerken, dat ik te laat kwam en dat meester Schongauer reeds twee jaar in het graf rustte. Zijn broeders evenwel ontfermden zich over mij en hielden mij bij zich, om mij veel te laten zien van hetgeen de meester had nagelaten. Uit dankbaarheid schonk ik hun verscheidene mijner werken en zij betuigden, dat het hun was alsof hun broeder ze met eigen hand had geschilderd. Daarna ben ik een heel eind langs den Rijn getrokken, maar nergens vond ik, wat ik zocht voor mijn studie, want het was daar treurig met de kunst gesteld.
"De groote meesters waren gestorven, en die nu het penseel voerden, beteekenden niet veel, daarom was al mijn verlangen op Italië gericht, en in het bijzonder op Venetië, waarvan te Neurenberg altijd met zooveel lof wordt gesproken door de kooplieden die men steeds hier kan vinden in het Duitsche handelshuis [9] en die zooveel wonderheerlijks van de stad der lagunen te vertellen hebben."
"En zijt gij het met hun verhalen eens?" vraagde Bella.
Albrecht knikte bevestigend. "Het is mij alsof ik in een wonderland ben. Mijn oogen zijn verblind door den glans van al het schoone. Het is verbazend zooals de kunst hier alles beheerscht! Neurenberg moet zich slechts met één groot kunstenaar, mijn leermeester, vergenoegen;--en hier in Venetië vindt men een aantal kunstenaars, die om den voorrang strijden, die elkaar niet navolgen, doch waarvan elk origineel is in manier van werken en opvatting."
"En wien bewondert gij het meest?" vraagde Bella. "De Bellini's, of Bartolomeo, Vivarini, Marco Marziale, de Barbari's of Andrea Mantegna?"
"Dien gij daar in de laatste plaats noemt," antwoordde Albrecht. "De anderen begrijp ik minder goed, hoezeer ik ze ook bewonder; ik kan mij moeilijk indenken in hun gedachten. Maar wat meester Mantegna heeft geschilderd, dat begrijp ik en ik voel, dat er zielsverwantschap tusschen ons bestaat, indien het tenminste den mindere tegenover den meerdere past zoo iets te zeggen.
"Menig uur heb ik reeds doorgebracht met het copieeren zijner werken om ze mee naar huis te kunnen nemen."
"Is het uw plan hier te Venetië alleen te studeeren en niet te toonen, wat uw penseel reeds vermag te scheppen?" vraagde de Signora verder.
Albrecht glimlachte: "Nu en dan als ik iets zie, dat mij boeit en bezielt, grijp ik het penseel en tracht het weer te geven volgens mijn eigen opvatting."
"Hebt gij hier ook portret geschilderd?"
"Ja, ook dat, nu en dan."
Bella zweeg en keek den Duitschen schilder aan, alsof zij wilde zeggen: "Ik zou wel eens aan mijn portret willen zien, waartoe de Duitsche kunst in staat is."
Dürer begreep dien blik en reeds zweefde een toestemmend antwoord op zijn lippen. Hij was geheel onder den invloed dezer Italiaansche; eerst hadden haar kunstkennis en enthousiasme hem aangetrokken en langzamerhand was hij ook onder de bekoring van haar betooverende persoonlijkheid geraakt. Welk een heerlijke arbeid die schitterende, zwarte oogen vol uitdrukking, die blozende wangen, die klassiek gevormde neus en vriendelijke, roode lippen op het perkament te brengen! En daarbij de muziek harer taal te hooren en naar haar bekoorlijk gebabbel te kunnen luisteren, hoe verrukkelijk moest dat zijn! Een oogenblik zag hij haar diep in de oogen en gaf zich geheel over aan de bekoring, die van haar uitging, doch toen ondervond hij plotseling een zeer pijnlijke gewaarwording, die hem een donkeren blos op de wangen joeg.
Hij voelde dat hij hier den wensch des kunstenaars moest opofferen, en hij beschouwde zijn vurige bewondering voor deze Italiaansche schoone als ontrouw jegens haar, wier beeltenis in het diepste heiligdom zijns harten leefde.
Deze gedachte dwong hem een eind te maken aan het gesprek. Hij stond op, boog beleefd voor de Signora en begaf zich weer bij het gezelschap, dat reeds naar hem had uitgezien.
Toen hij afscheid nam, vraagde Bella's broeder toestemming om den inhoud zijner portefeuilles te mogen komen zien en zijn zuster mee te brengen.
Dürer antwoordde toestemmend en ontving daarvoor een dankbaren blik uit Bella's oogen.-- --
Twee dagen later begaf Signor Carlo zich met zijn zuster naar het huis, waar de Duitsche schilder zijn intrek had genomen.
De waardin betuigde haar spijt: "Hij is niet thuis."
Bella verborg haar teleurstelling niet en Carlo vraagde, of zij misschien toch zijn kamer mochten zien.
De vrouw zag er geen bezwaar in om de gasten binnen te laten, daar het vertrek niet was afgesloten.
Zij waren verrukt over het schoone arrangement. Aan den muur hing een groot aantal schilderijen, die zij ternauwernood een blik gunden, want al hun aandacht werd terstond in beslag genomen door een portret, dat midden in de kamer op een schildersezel stond.
"Dat is hij zelf!" riepen broeder en zuster als uit één mond en Carlo voegde erbij: "Wat een meesterstuk!"
Ja, hier had Albrecht Dürer het beste gegeven wat hij had. Het edele, mannelijk schoone gelaat met zijn donkerblauwe oogen zag den toeschouwer zoo ernstig aan en de indruk werd nog verhoogd door de prachtige kleedij. Een rood kapje dekte de bruine, golvende haren, de kraag om zijn hals was met een met goud gestikten zoom versierd, linten van perzikkleur sloten de opengespleten mouwen en over de borst was een schilderachtige draperie van grijs-blauw, met gele koorden afgezet.
"Wat voor een blauwe bloem heeft hij daar in zijn rechterhand?" vraagde Carlo, terwijl hij langen tijd in zwijgende bewondering verdiept het portret had bekeken. "Wat zou hij daarmee willen zeggen?"
"Zie eens, daarboven heeft hij iets geschreven, dat verklaart het misschien," merkte Bella op.
Carlo trad er dicht bij en las toen: "Mein Sach die gaht, als es oben staht. [10]"
"Dat is niet duidelijk," sprak hij hoofdschuddend, "wie kan dat verklaren." Daarbij keek hij vragend naar de waardin, die zwijgend op den drempel was blijven staan.
"Die Duitsche schilder is een zeer vrome man," antwoordde zij. "Toen ik hem vraagde, wat deze woorden beteekenden, wees hij naar boven en zei: "God in den hemel is mijn hoop en mijn vertrouwen; in Zijn handen stel ik mijn leven en al wat ik heb." Maar toen ik ook naar de beteekenis van die blauwe bloem vraagde, wendde hij zich met een blos af en sprak: "die bloem heet bij ons "mannentrouw."" Ik denk, dat er in het vaderland een aardig meisje met liefde aan hem denkt en dat hij haar gevoelens met evenveel trouwe liefde beantwoordt." Bella keerde zich om en bekeek de andere schilderstukken; de uitdrukking van haar gelaat was geheel veranderd en haar blikken dwaalden, zonder te zien, van het eene schilderij naar het andere. Kort daarop drong zij er op aan te vertrekken--men was toch waarlijk ook reeds te lang gebleven.
Haar broeder voldeed niet zonder tegenzin aan haar wensch en hij verwonderde zich onder het naar huis gaan over de stilheid van zijn anders zoo vroolijke, spraakzame zuster.
Dürer vernam bij zijn thuiskomst het bezoek, dat in zijn afwezigheid aan zijn werkplaats was te beurt gevallen, en dacht, dat de beide bezoekers het zouden herhalen, doch hij wachtte tevergeefs en zag het schoone gelaat der Signora niet meer terug.
In plaats van haar kwam kort daarop een landgenoot, de koopman Tucher uit Neurenberg, die hem de groeten zijner familie overbracht en de tijding, dat zij het thuis allen goed maakten.
Ook hij was vol lof over het eigenhandig geschilderd portret van den kunstenaar en vraagde na eenige oogenblikken; "Maar waarom hebt gij dit groote portret op perkament in plaats van op paneel geschilderd?"
"Omdat het dan kan worden opgerold en gemakkelijk worden verzonden," antwoordde Dürer. "En ik heb een vriendelijk verzoek aan u. Wilt gij het mee naar Neurenberg nemen en het mijn vader met een briefje overhandigen?" De koopman had er niets op tegen en reeds enkele dagen later was het portret op weg naar Neurenberg.
Tucher had wel eens gaarne willen weten, wat er in het briefje stond, want hij vermoedde wel, voor wie het portret eigenlijk was bestemd. In geheel Neurenberg was het geen geheim meer waarom jonkvrouw Agnes Frey sedert Albrecht Dürers vertrek zoo stil was geworden en uit het feit, dat de oude meester Dürer den heer Hans Frey dikwijls bezocht, begreep men het overige.
Tucher had tegelijkertijd den jongen kunstenaar te kennen gegeven, dat het de wensch zijns vaders was, dat hij nu eens zijn terugkomst moest bepalen, en aan dien wensch gehoor gevende, zeide Albrecht spoedig daarop Venetië vaarwel en trok wederom noordwaarts naar Tyrol.
Opgewekt reisde hij verder--hij ging immers naar huis om allen, die hij liefhad, terug te zien na een vierjarige afwezigheid. Maar het Tyrolerland was te schoon om er snel door te reizen. Hoe mild had hier de Schepper Zijn heerlijkheid ten toon gespreid; hoe genoot hier het oog van den kunstenaar, die het schoone beter dan iemand anders weet te ontdekken en te waardeeren. Menigmaal voelde hij zich gedrongen stil te houden en met teekenstift of penseel een schets te nemen van het schoone en opmerkenswaardige, dat de natuur aanbood. Soms was het een boomgroep, of een rotsachtig gedeelte, dan weer een landschap, een burcht of een stad.
Zijn hart klopte luider toen hij aan de bergpas kwam, waardoor eenmaal zooveel zijner landgenooten waren getrokken en met hun bloed den bodem hadden gedrenkt: de Venetiaansche kloof. Hij kon het niet van zich verkrijgen verder te gaan, voordat hij deze romantische plek geschetst in zijn portefeuille kon meenemen. Ook vertoefde hij lang op een hoogte bij Triënte om vol geestdrift die schilderachtig gelegen stad in haar geheel met frissche kleuren weer te geven. En toen hij Innsbruck naderde juichte zijn ziel bij den aanblik van deze parel van Tyrol en terstond kwamen palet en penseelen weder voor den dag. Hij nam het gezicht op deze stad van de noordzijde, zoodat de Inn den voorgrond inneemt en dicht langs de huizen stroomt, die zich in den vloed weerspiegelen. Op den achtergrond verheffen zich majestueus de sneeuwbergen in het zachte blauw des hemels, waarin kleine, witte wolkjes zweven.
Meer en meer naderde Albrecht de Beiersche grenzen. Nu bleven de penseelen weggeborgen en zijn hart ging open, toen hij voor het eerst zijn eigen taal in de ooren hoorde klinken. O Vaderland! gij heerlijk! innig geliefd woord!
Hoofdstuk VIII.
Vervulde Wenschen.
Op een morgen in Juni van het jaar 1494 werd de koperen klopper drie malen op de huisdeur van den heer Hans Frey neergelaten, en daar stonden meester Dürer en zijn zoon, uitgedost in hun schoonste kleedij. Zij werden klaarblijkelijk verwacht, want al de huisgenooten waren eveneens in feestgewaad; alles in huis blonk en glom en op de tafel in de ruime woonkamer stond een heerlijke ruiker witte en roode rozen.
Toen de klopper zich liet hooren, verlieten de moeder en dochters het vertrek en de heer des huizes trad op den drempel om de binnenkomenden te verwelkomen. De begroeting had met veel ernst en deftigheid plaats en meester Dürer en zijn zoon traden binnen.
"Veroorloof mij te vragen, wat u hierheen voert?" begon Hans Frey op afgemeten toon. Hij wist wel met welk doel de beide mannen waren gekomen, maar het was in dien tijd het gebruik deze vormelijke vraag te doen.
Op even deftige wijze antwoordde meester Dürer: "God geve u en uw huis heil en voorspoed! Ik kom tot u voor mijn oudsten zoon Albrecht, die na zijn terugkomst uit den vreemde niet meer aan anderen ondergeschikt behoeft te zijn, en nu van plan is een eigen huis in te richten en daarin een huisvrouw binnen te leiden. Aangezien hij hiervoor de oogen op uw oudste dochter heeft geslagen, en het genoegzaam is bekend, dat de jonkvrouw hem genegen is, zoo kom ik uit zijn naam u vragen, heer Hans Frey, of gij uw dochter Agnes aan mijn zoon Albrecht ten huwelijk wilt geven."
Hans Frey kuchte even en antwoordde toen: "Met lof spreekt een ieder over uw zoon, meester Dürer, niet alleen wat zijn kunst betreft, maar ook om zijn deugdzamen, reinen levenswandel. Gaarne geef ik dus gehoor aan uw verzoek en ik stem toe in het huwelijk mijner dochter met uw zoon Albrecht."
De mannen drukten elkaar de hand en daardoor werd de verloving bekrachtigd, want in dien tijd had de vader het recht de hand zijner dochter te schenken aan wien hij wilde. Doch zij werd niet beschouwd als een willooze koopwaar, zooals nog vroeger het geval was, neen, de tijden waren ook in dit opzicht beter geworden, men had meer eerbied gekregen voor de rechten der vrouw en daarom werden de wenschen der dochter wel degelijk in acht genomen en besliste men na haar zelve ernstig te hebben geraadpleegd.
Nu ging Hans Frey naar de aangrenzende kamer en wenkte Agnes, die daarop met neergeslagen oogen, blozende wangen en kloppend hart op den drempel verscheen.
"Zie," sprak haar vader, "het is om uwentwil, dat wij heden bezoek ontvangen van meester Dürer, die voor zijn zoon Albrecht uw hand komt vragen. En nadat ik mijn vaderlijke toestemming heb gegeven, vraag ik eerst aan u, Albrecht Dürer, begeert gij mijn dochter Agnes tot uw wettige huisvrouw?"
Het antwoord werd met luide stem gegeven: "Ja, van ganscher harte!" Nog tweemaal herhaalde Hans Frey zijn vraag en telkens volgde daarop hetzelfde antwoord.
Daarop wendde de vader zich tot zijn dochter en vraagde op dezelfde wijze: "Agnes, begeert gij den jongen Albrecht Dürer tot uw wettigen echtgenoot?" Ook uit haar mond klonk het, wel minder luid, doch even vurig: "Ja, van ganscher harte," en zoo tot driemaal toe.
Toen legde haar vader hun beider handen in elkaar en de zijne er op leggende, sprak hij: "Albrecht, ik vertrouw Agnes aan u toe, evenals Christus de sleutels van het Rijk des hemels aan Petrus heeft toevertrouwd. Agnes, ik vertrouw u Albrecht toe, evenals Christus aan Petrus de sleutels van het Rijk des hemels heeft toevertrouwd." Toen nam hij een zwaard uit den hoek, zette een hoed op de punt en stak een gouden ring aan het gevest, nam daarna een mantel en een penning en voerde de verloofde tot haar bruidegom met de woorden: "Hiermee geef ik mijn wettig kind over in uw trouw en genade, en vraag u ter wille van het vertrouwen, waarmee ik haar aan u afsta, dat gij een rechtvaardig en goedertieren leidsman en een trouw beschermer voor haar zult zijn."
De bruigom hief plechtig de hand op met den eed: "Ik zweer het voor het aangezicht van den alomtegenwoordigen God!"
"Neem haar dan tot uw echtgenoot, haar, die gij hebt uitverkoren!" sprak Hans Frey en nu trapte de bruigom zijn bruid op haar voet, om daarmee te toonen, dat hij haar heer en meester was, maar daarna sloot hij haar in zijn armen als bewijs, dat zijn heerschappij zacht en liefdevol zou zijn en gaf hij haar den verlovingskus.
Een paar uren later was de ruime huiskamer gevuld met de verschillende familieleden der verloofden, die allen hun gelukwenschen en geschenken kwamen aanbieden; deze laatsten echter moesten binnen zekere grenzen blijven volgens ingewortelde, overdreven bemoeizucht der stedelijke regeering, die hierop strenge beperkingsverordeningen had uitgevaardigd.
Het was alleen aan de beide naastbestaanden veroorloofd de bruid een gouden ketting ter waarde van achttien gulden en een zilveren gesp tot den prijs van vijftien gulden op zijn hoogst te schenken.
Aan een welvoorzienen disch bleven de gasten gezellig bijeen tot den avond en op aller gezichten stond te lezen, hoezeer men was ingenomen met deze belangrijke gebeurtenis.
Hans Frey, hoe rijk en gezien ook in de oogen aller ingezetenen, zag volstrekt geen vernedering in het huwelijk zijner dochter met den zoon van een goudsmid; hij, de begaafde man, zelf bedreven in de kunst, voornamelijk in zang en spel, rekende het zich tot eer, de hand zijner dochter te mogen schenken aan een man, van wien hij voor de kunst de grootste verwachtingen koesterde. Meester Dürer was bovenmate verheugd en dankbaar, dat zijn zoon zulk groot geluk was ten deel gevallen, en al zag hij in het begin wel een weinig op tegen den omgang met deze aanzienlijke familie, spoedig voelde hij zich bij hen geheel thuis door de welgemeende vriendelijkheid, waarmee men hem tegemoet kwam.
Het gelukkigst van allen waren natuurlijk de beiden, die het middelpunt der algemeene vreugde uitmaakten. Hun wederzijdsch, stilzwijgend verlangen was nu bevredigd, ze konden elkander nu vrijuit vertellen, hoe lief zij elkaar hadden en met verrukking hoorde Albrecht de bekentenis van Agnes, dat zij hem als knaap reeds in stilte heel gaarne mocht lijden.--
Den 7den Juli op St. Margriet, werden de deuren der Sebalduskerk geopend voor een deftigen stoet: Albrecht Dürer geleidde zijn lieve bruid naar het altaar. Beide trokken aller blikken tot zich en vol bewondering was men het hierover eens, dat nooit een mooier paar deze kerk had betreden.
Hoe schoon kwam Albrecht Dürers statige gestalte uit in het blauw fluweelen wambuis, den zwarten met bont afgezetten mantel en hoe goed stond hem de met goud doorvlochten bruigomskroon van sterkriekende kruiden! En hoe lief zag de bruid er uit in haar wit zijden kleed, waarvan de lange sleep met blauw fluweel en schitterende paarlen was omzoomd; hoe liefelijk was de blos op haar wangen onder den bruidkrans van rozemarijn met vergulde bladeren!
Het jonge paar werd gevolgd door een langen prachtigen stoet van bruidsjuffers en jonkers en verdere bruiloftsgasten.
Onder plechtige orgelmuziek trad het jonge paar voor het altaar, waar hun door den priester de vraag werd gedaan, of zij elkaar wenschten te huwen en elkander trouw wilden blijven tot in den dood; waarop hij hun handen vereenigde en hen zegende met de woorden: Ego coniungo vos in nomine Patris et Filii et spiritus sancti. Amen. Daarop maakte hij over hen het teeken des kruises, besprenkelde hen met wijwater, stak hun den gouden ring aan den vinger en besloot de plechtigheid met een gebed, waarop het koor de huwelijksmis aanhief.
Intusschen waren in de groote zaal van het raadhuis een groot aantal tafels aangericht voor het bruiloftsmaal. Het bruidspaar nam aan de middelste plaats met de beide ouderparen, den overigen werd een plaats aangewezen volgens rang en geslacht. Terzijde zaten de muzikanten, die de gasten met hun deuntjes opvroolijkten.
Aan elke tafel dienden twee schenkers, en een omroeper ging van de eene tafel naar de andere, om in fraaie rijmpjes tot eten uit te noodigen--dat was zoo de gewoonte.
Als de muziek ophield, kwam de hansworst om met zijn grappen de vroolijkheid te verhoogen--trouwens, hij had zich die moeite kunnen besparen, want voortdurend nam de luidruchtigheid toe en de muzikanten hadden het overdruk om met hun trompetten en pauken al de toasten te beantwoorden.
Nadat men ruimschoots had genoten van de spijzen en dranken, had de brandschatting plaats. Het eerst verscheen de kok met den schotel, die bij de gasten moest rondgaan en waarin de gaven moesten worden gelegd. Met hetzelfde doel kwam de keldermeester met zijn drinkhoorn, de braadspitdraaier, de vrouw, die de vaten moest wasschen, en eindelijk de armvoogd met de bus voor de arme luitjes; allen werden rijkelijk bedeeld met klinkende munt.
Na afloop van den maaltijd kwam een der bedienden met een zilveren schaal en een meid met een handdoek, en gingen beurt voor beurt naar elk der gasten, om hen uit te noodigen hun handen te wasschen. Nadat hieraan was gehoor gegeven, was het trompetgeschal het sein, dat men zich voor het dansen naar de benedenzalen moest begeven, terwijl de bruiloftsoep, waarvoor de vader van de bruid een vetten os ten geschenke had gegeven, werd verzonden aan de kerkdienaars, de raadsbedienden, de zieken in het hospitaal en eveneens aan de doortrekkende reizigers in de herbergen. Het was 's avonds laat, toen men het jonge echtpaar met fakkellicht naar het huis van den vader der bruid begeleidde.
Maar daarmee waren de feestelijkheden niet afgeloopen; den volgenden dag namen ze daarentegen nog toe. Reeds in den vroegen morgen verschenen de gasten weer om hun geschenken aan te bieden. Het eerst van allen was de bruigom in het vertrek der bruid binnengetreden om haar het eerste geschenk te brengen: een kostbare parure van goud met echte parelen, robijnen en smaragden, een meesterstuk van den ouden Dürer en een verrukkelijk schilderij van zijn eigen hand, een landschap in Tyrol. De overige gasten wedijverden met elkaar in bewijzen hunner liefde en achting, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Daarna ging men wederom gezamenlijk ter kerke, en nu droeg de jonge vrouw het haar niet meer loshangend zooals tot nu toe, doch opgebonden onder een muts, als bewijs dat zij nu het huwelijksjuk droeg. Na de mis legde het jonge echtpaar hun gave op het altaar en ontving den nazegen.
Na deze kerkelijke plechtigheid trok men weer naar het raadhuis, om zich daar nogmaals te vereenigen aan een welvoorzienen disch, die in pracht en overvloed den eersten nog overtrof en een bewijs was van den grooten rijkdom van Hans Frey.
Na afloop daarvan ging men onder vroolijken zonneschijn naar de veste, waar onder de linde op het voor ieder toegankelijke plein, met dansen de feestelijkheden zouden worden besloten.
Evenals den vorigen avond was het laat, toen de fakkels weder werden aangestoken om het jonge paar naar huis te begeleiden. Nu ging men evenwel niet naar het ouderlijke huis der bruid, maar naar de woning van den ouden meester Dürer, want Albrecht volgde niet het gebruik om bij zijn schoonvader te gaan inwonen, maar verkoos het huis zijner ouders, omdat hij dan steeds in de nabijheid van zijn ouden, gebrekkigen vader kon zijn en zijn kinderplicht tegenover den grijsaard beter vervullen.
Het was wel wat bekrompen wonen in het huis van meester Dürer en deze keek zijn schoondochter wel eens met bezorgden vragenden blik aan, omdat hij vreesde, dat het haar, die zooveel weelde was gewend, moeilijk zou vallen zich in deze bescheiden omstandigheden te schikken--doch zijn vrees was ongegrond: Vrouwe Agnes was volkomen tevreden met de beperkte ruimte, nu zij die deelen mocht met den man, met wien zij onuitsprekelijk gelukkig was.
Hoofdstuk IX.
Het Huwelijksleven.
De ondergaande Aprilzon wierp haar purperen gloed in de werkplaats van Albrecht Dürer, waar de kunstenaar met zooveel inspanning en ijver aan een groot stuk schilderde, dat de zweetdroppels op zijn voorhoofd parelden.
Er werd aan de deur geklopt en eenigszins ontstemd over de stoornis keek de schilder van zijn werk op, doch dadelijk hernamen zijn oogen hun vriendelijke uitdrukking, toen hij in den binnenkomende zijn ouden leermeester herkende.
"Zijt gij nog zoo laat aan den arbeid?" vraagde Wolgemut. "Gij moest uw oogen meer sparen."
"Ik heb haast," antwoordde Dürer, "want het is nog slechts drie dagen vóór het feest ter eere der tentoonstelling van de rijksinsignes en kleinoodiën." [11]
"Wilt gij daar deze schilderij ten verkoop aanbieden? Nu, gij zult er ongetwijfeld eer mee inleggen. 't Is een meesterstuk. O wat heeft God u bevoorrecht! Ik zou bijna jaloersch worden, als ik zie hoever de leerling den meester boven het hoofd is gegroeid; doch Johannes de Dooper bewaart mij voor nijd en afgunst."
"Johannes de Dooper?" vraagde Dürer verwonderd.
"Ja zeker!" knikte Wolgemut. "Niet lang geleden las ik in den bijbel van Anton Koburger en ik was getroffen door een tekst, die mij mijn tevredenheid terug gaf. Het was in het derde hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, waarin ik las, dat de Dooper tot hen, die niet konden verdragen, dat Jezus van Nazareth hun leeraar in de schaduw stelde, zeide: "Hij moet wassen en ik moet minder worden." Hoe ootmoedig was hij en toch hoe groot juist daardoor, dat hij zich zoo vernederde! En ik wil hem navolgen en hem gelijk trachten te worden, opdat ik mij van ganscher harte daarin kunne verheugen, dat de discipel meer is dan zijn leermeester. God zegene u!--En hoe gaat het overigens, Albrecht?"
"Mij gaat het goed, meester," antwoordde Dürer, "ik heb alle reden om God te danken voor Zijn goedheid, want ik ben gezond en vol moed en levenslust, al heb ik in den laatsten tijd vrij wat onaangenaamheden ondervonden door mijn gezellen, die met mijn schilderwerk rondreizen. Velen hunner blijken schelmen te zijn, die zeer ontrouw hebben gehandeld met het werk, dat ik aan hun zorgen had toe vertrouwd, en mij slechts een klein deel der opbrengst hebben gebracht. Een ander, wien ik geld had geleend, heeft mij ook schandelijk bedrogen. Doch hoewel ik door deze wederwaardigheden veel schade heb geleden en de zorg voor mijn ouders en jongere broeders op mij neerkomt, zoo heb ik door Gods goedheid steeds alles gehad wat noodig was en nooit gebrek geleden."
"Hoe gaat het met uw vader?" vraagde Wolgemut deelnemend. "Ik heb gehoord, dat hij ziek te bed ligt."
Dürer knikte toestemmend: "Hij ligt reeds vijf dagen te bed. De acht-en-zestig-jarige is zeer zwak en mag maar heel weinig in de werkplaats arbeiden. Zijn oogen zijn slecht en zijn handen beven; Andreas mijn broeder, is nu veel aan zich zelf overgelaten, maar het is een flinke knaap, die bij vader goed heeft geleerd. Ik dank God, dat Hij mij mijn Agnes heeft gegeven! Zij helpt mijn moeder zoo trouw met oppassen en verpleegt den ouden man, alsof hij haar eigen vader ware."
"Ja," sprak Wolgemut, "het verblijdt mij ook zoo, dat God u in haar zulk een heerlijken schat heeft gegeven. Houd haar in eere!"
"Die vermaning is waarlijk niet noodig," antwoordde Dürer glimlachend, "want ik weet zelf het best welk een kostbaar kleinood zij is."
Wolgemut trad nu dicht bij den ezel om het werk nauwkeurig te kunnen beoordeelen, en daarna sprak hij: "Het is dus uw plan het op het feest ten verkoop ten toon te stellen? Dan zult gij u moeten haasten want ik zag reeds een groote menigte vreemdelingen voor het feest aankomen."
Dit feest was ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en kleinoodiën, waarvan Neurenberg, als middenpunt van het Duitsche rijk, de eer genoot die te mogen bewaren. Jaarlijks, in de lente, werden die kleinoodiën aan het volk vertoond en sinds de regeering van koning Sigismund werd er bij deze gelegenheid een groote jaarmarkt of kermis gehouden, die zooveel menschen uit alle deelen des lands trok, dat er in de herbergen nauwelijks plaats genoeg was.
Meester Wolgemut bleef nog eenigen tijd met zijn voormaligen leerling praten, totdat Vrouwe Agnes verscheen, met wie hij nog eenige woorden wisselde; toen vertrok hij. Vrouwe Agnes zag er vermoeid uit. Reeds sedert twee dagen was zij niet te bed geweest en zij had daarbij veel huishoudelijke plichten moeten waarnemen. Zij ging stil bij de tafel zitten met haar moe hoofd op de hand steunende.
Dürer ging naar haar toe en kuste haar op het voorhoofd. "Mijn arm vrouwtje, wat rust er nu veel op uw schouders! Gij hadt zeker wel gedroomd, dat gij het beter bij mij zoudt hebben!"
Met zacht verwijt keek Agnes naar hem op. "Foei, stoute man, hoe durft gij zoo iets zeggen! Van mijn vroegste jeugd af heb ik ledigheid nooit kunnen uitstaan, en hoe heerlijk vind ik de grootste drukte en moeite, waar het u geldt!"
"Mijn lieve vrouw!" riep Albrecht in vervoering en hij drukte zijn Agnes vurig aan zijn hart. Toen ging hij tegenover haar zitten om met haar te babbelen, want het was veel te donker geworden om nog te kunnen schilderen. Langzamerhand antwoordde Agnes weinig of niets meer, hij zag hoeveel moeite zij had om haar oogen open te houden--en eindelijk vielen ze dan ook toe en sliep zij. Toen stond hij zachtjes op, nam perkament en potlood en teekende Agnes uit, zooals zij daar zat met haar schort en witte muts, en met de kin op haar hand steunende.
Het was een vluchtige schets, een aardigheid, maar niettemin was Agnes blij verrast, toen zij bij haar ontwaken zich zelve op deze wijze zag weergegeven. Ondertusschen kwam Hans binnenstormen, Albrechts jongste broeder en de lieveling zijner ouders, de eenige, die behalve Albrecht en Andreas, van de achttien kinderen nog in leven was.
Hij liep luid schreiend op Agnes toe en zag er erbarmelijk uit: zijn gezicht was met bloed beloopen en de flarden hingen bij zijn wambuis.
"Om 's hemels wil, Hans, wat is er gebeurd?" riep Vrouwe Agnes.
"Wij waren aan het spelen bij de "mooie bron" en toen heb ik een duw gekregen, waardoor ik gevallen ben," huilde het kind.
Vrouwe Agnes haalde gauw uit de keuken een kom met frisch water en een linnen doek, waarmee zij Hans gelaat afwiesch, terwijl zij hem allerlei troostwoorden toesprak; daarop trok zij zijn buisje uit en ging het dadelijk verstellen. Albrecht keek met een innig gelukkige uitdrukking in zijn oogen naar alles, wat zijn vrouw deed, hij zag weder duidelijk welk een warm, liefhebbend hart zij had. Hoe vurig lief moest zij haar echtgenoot hebben, dat zij zelfs aan zijn broertje en zijn overige familieleden zooveel trouwe zorgen wijdde! Zwijgend zag hij hoe haar zachte handen de naald hanteerden bij dezen ongewonen arbeid, want thuis had zij zich nooit met dergelijk werk behoeven te bemoeien; dat deden de dienstboden, die zij bij alles tot haar beschikking had gehad en haar een gemakkelijk leventje hadden bezorgd.
Toen zij klaar was, trad Albrecht op haar toe en sloot haar in zijn armen: "Wat zijt gij toch goed en lief, Agnes! Dikwijls voel ik mij beschaamd, als ik bedenk, hoe weinig ik u waard ben."
Agnes legde haar hand op zijn mond: "O wees stil, dan spreekt gij ten minste niet langer onwaarheid, stoute man! Geloof mij liever, als ik zeg, dat ik het ben, die mij dikwijls zoo beschamend onwaardig tegenover u voel. Maar laat mij nu gaan om voor het avondeten te zorgen." Tegelijkertijd wikkelde zij zich uit zijn omarming los en dekte de tafel. Maar voordat zij zelf ging zitten, liep zij snel de trap af naar de kamer in het onderhuis, waar de oude Dürer te bed lag en bracht hem zijn soepje. Zij had deze zorg op zich genomen, opdat haar schoonmoeder zich geheel aan de verpleging van den zieke zou kunnen wijden.
"Hoe komt het toch, lieve Agnes, dat alles wat gij klaar maakt zoo heerlijk smaakt?" vraagde Albrecht aan tafel. "Doet gij er iets bijzonders in?" Vrouwe Agnes keek verwonderd op: "Iets bijzonders? Neen, alleen een weinig liefde."
Eerst moest Albrecht hierom lachen, doch toen kreeg zijn gelaat een peinzende uitdrukking en na eenige oogenblikken zei hij: "Ja, gij hebt gelijk, dat is het, dat is het!"
En nu deed hij de eieren met spek eer aan.
Hoofdstuk X.
Hulp Bij Den Arbeid.
Er volgde een warme zomer op de lente. Een drukkend zwoele temperatuur heerschte in Neurenberg, waar de straten als uitgestorven schenen. Al de burgers, die er tijd en geld voor hadden, ontvluchtten die benauwde, ongezonde atmosfeer en zochten de bosschen en de berglucht op, vooral ook omdat de sterfte bedenkelijk toenam en men bang was voor het uitbreken van de pest.
Een heete Augustusdag liep ten einde en vele wandelaars bewogen zich in de richting der stadspoorten om in het nabijgelegen Lorenzer- en Sebalderwoud zich te verkwikken aan de frissche, reine koelte, die in de schaduw der oude eiken en beuken waaide.--
Vrouwe Agnes trad bij haar man in de werkplaats binnen: "Zouden wij niet een oogenblik gaan wandelen na al den arbeid en de hitte des daags, beste Albrecht?" vraagde zij op den drempel staande.
"Ik zou het heel graag doen, Agnes," antwoordde Dürer, terwijl hij ophield met schilderen. "Ook ik zou gaarne eens frissche lucht gaan scheppen, maar mijn plicht houdt mij aan het werk. Zie eens, hoeveel ik nog aan dit schilderij heb te doen, en over zes dagen komt hij er voor, die het mij heeft opgedragen. Het heeft mij weinig geholpen, dat ik 's morgens met de zon opstond en niet voor middernacht naar bed ging. Ik krijg voortdurend meer bestellingen en het is mij onmogelijk alles alleen uit te voeren, zonder vóór mijn tijd geheel op te zijn."
Vrouwe Agnes trad op haar echtgenoot toe en legde haar hand op zijn schouder: "Zoo mag ik u hooren spreken, want nu zijn wij het eens. Heb ik u niet duizendmaal gevraagd, om het voorbeeld van uw leermeester Wolgemut te volgen en gezellen die u bij uw arbeid kunnen helpen bij u te nemen, en die u in staat stellen, alle bestellingen, die men u doet, uit te voeren? Gij hebt nooit naar mijn raad willen luisteren, en nu ben ik heel blij, dat gij van meening zijt veranderd."
"Toch schik ik mij met grooten tegenzin in deze noodzakelijkheid," antwoordde Dürer, "want mijn ziel komt in opstand tegen de manier, waarop men tot nu toe de kunst heeft verlaagd. Veel liever schilderde ik alles alleen. Dikwijls heb ik bij meester Wolgemut met eigen oogen gezien, hoe de gezellen een werk van den meester geheel bedierven, zoodat men duidelijk kon zien, dat verschillende handen er aan hadden gewerkt. Ja, als ik iemand kon vinden, wiens arbeid volkomen op den mijne geleek, zooals het eene ei op het andere, dan zou ik hem gaarne bij mij nemen; doch hoe moeilijk vindt men dat! Evenals elk vogeltje in het woud zingt zooals het gebekt is, zoo heeft elk, wien God de gave der schilderkunst heeft verleend, zijn eigen manier om het penseel te voeren."
"Dat is wel waar," beweerde Agnes, "maar in de werkplaats onderwijst de meester den leerling en daardoor krijgt deze de manier van zijn leermeester.
"Waart gij zelf niet vol lof over Hans Schäufelein, die ook bij meester Wolgemut heeft gewerkt en over Albrecht Altdorffer? Gij zelf hebt hun kunst en bekwaamheid geprezen. En van Schäufelein hebt gij gezegd, dat zijn kunst veel overeenkomst met de uwe had."
"Gij hebt gelijk," antwoordde Dürer, langzaam met het hoofd knikkend, "maar wat baat het of wij al over den Nördlinger schilder praten? Sedert een jaar is hij reeds weg en wie weet, waar hij nu is."
"Nu dan," sprak Agnes ernstig en zij legde haar hand op Albrechts arm, "kom hier en zie eens in den spiegel, hoe bleek gij zijt en welke kringen gij onder de oogen hebt! Al dikwijls heb ik met stillen angst er naar gekeken! Als gij geen gezellen wilt nemen of er geen kunt vinden, dan blijft er niets over dan dat gij een groot deel der opdrachten afwijst.--Maar laten we nu dit vervelende onderwerp laten rusten en gebruik maken van het overige van den avond om een weinig frissche lucht te gaan scheppen."
Dürer streek de weelderige lokken van zijn voorhoofd en knikte zijn vrouw toe: "Ik wil het niet weigeren, lieve Agnes, vooral daar ik wel begrijp, dat gij het meer om mijnentwil dan voor u zelve vraagt."
Hij verwisselde zijn werkbuis voor een betere kleeding, zette zijn baret op en ging met zijn vrouw uit om buiten de stad te wandelen.
Nauwelijks waren zij buiten de poort gekomen, toen een jonge man op hen toe trad en beleefd het hoofd ontblootte: "Gegroet, Meester Dürer! Wel, wat een geluk, dat gij de eerste zijt, die ik bij Neurenbergs poorten ontmoet! Want, juist om bij u aan te kloppen, ben ik hier gekomen."
"Hoe, zijt gij het, Schäufelein?" riep Dürer verbaasd uit. "Het schijnt mij waarlijk een beschikking des hemels, dat ik u ontmoet. Begrijp eens, we spraken juist over u! En waarmee kan ik u van dienst zijn?"
"Het is mijn hartewensch, dat gij de kroon wilt zetten op het werk, dat meester Wolgemut aan mij is begonnen. Bijna een jaar lang heb ik overal rondgezworven om bij andere schilders te leeren; toen dacht ik aan u en sprak tot mij zelf: waarom zoekt gij het zoo ver, terwijl gij den besten leermeester in de nabijheid hebt? Hebt gij nog plaats voor een gezel, dan zou ik heel gaarne bij u komen?"
Dürer zag zijn vrouw veelbeteekenend aan en antwoordde: "Plaats is er genoeg, want ik heb altijd alleen gearbeid en vreemde hulp versmaad. Maar mijn lieve vrouw dringt er sterk op aan, dat ik iemand zal opzoeken, die mij behulpzaam kan zijn bij het vele werk, dat mij wordt opgedragen. In u heb ik vertrouwen, omdat ik uw kunst ken; en nu gij op mijn pad komt, alsof God mij u toezendt, roep ik in Zijn naam u hartelijk welkom toe."
Hij reikte hem daarop de hand, die Schäufelein stevig schudde.
Ook Vrouwe Agnes drukte hem de hand met een blijden glimlach en de wandeling in het bosch vergetende, noodigde zij de beide mannen uit om te keeren, om het avondeten voor den vermoeiden reiziger te kunnen klaar maken.
Met innig genot zag Agnes dat langzamerhand de kleur weer op Albrechts wangen terugkeerde en dat de verhouding tusschen de beide schilders bijzonder hartelijk was. Zij stonden niet tegenover elkaar als meester en leerling: Dürer behandelde Schäufelein als zijn vriend en vertrouweling en dat verdiende hij ook, want niet alleen won zijn karakter Dürers genegenheid, ook zijn kunst drong hem 's meester achting af.
Schäufelein was een kunstenaar met rijken aanleg en had ernstige studiën gemaakt. Daarbij kon hij zich gemakkelijk Dürers penseelbehandeling eigen maken en het duurde niet lang, of hij had zich geheel aan zijn wijze van arbeiden gewend en Dürer vertrouwde hem gerust toe, aan grootere stukken mee te werken. Al was er nog wel iets van Schäufeleins eigen manier in te bespeuren, het verschil was toch niet zoo groot, dat het storend op de eenheid werkte of afbreuk deed aan den totaal-indruk.
En zoo konden de bestellingen, die Dürer alleen niet op zich had kunnen nemen, gezamenlijk worden uitgevoerd.
Tegen Kerstmis bood zich een tweede schilder aan, Hans von Kulmbach, ook een knap kunstenaar, die reeds naam begon te krijgen--en dat hij bij meester Dürer als gezel werkzaam was, rekende deze zich tot eer en vermeerderde zijn roem niet weinig. Dürer kon zich op zulke gezellen waarlijk wel beroemen. Als zulke begaafde kunstenaars hem hun meester noemden, hoe groot moest hij dan zelf niet zijn! En het was geen wonder, dat meester Dürer voortdurend in aanzien steeg bij de Neurenbergers en dat buiten af zijn naam steeds met meer lof werd vermeld.
Hoofdstuk XI.
Voornaam Bezoek.
Een groote menigte vreemdelingen stroomde in April van het jaar 1496 naar Neurenberg--het wemelde van allerlei soort van reizigers op de groote wegen. Vedelaars en zangers, goochelaars, koorddansers, kwakzalvers en zwervende studenten trokken naar de stad in gezelschap van berenleiders en kameeldrijvers, vrouwen, meisjes en vuile zigeuners. Daartusschen vertoonde zich monnikspijen en grove boerenkielen. Ook eerzame burgers trokken in troepjes stadwaarts en hier en daar baande zich een koets, aan aanzienlijke bezoekers toebehoorende, of een groep geharnaste ridders te paard een weg door de bonte menigte.
Het was weer ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en reliquiën, dat deze menschenmassa naar Neurenberg stroomde--en dezen keer was de toeloop zoo bijzonder groot, omdat een aantal vorsten en prelaten ook op weg waren en zelfs de keizer beloofd had te verschijnen.
De stad was versierd met vlaggen en wimpels, bonte tapijten en slingers van groen en bloemen. Zelfs de kerken hadden zich getooid, zooals een bruid zich tooit voor haar bruidegom en de groote markt was als in een feestzaal herschapen. Vandaar tot aan de veste, waar de keizer verblijf zou houden, was het alsof men door een bosch liep: het woud had zijn slanke dennen, die in twee rijen in den grond waren geplant, moeten afstaan.
Overal, in alle straten verdrong zich het volk uitgedost in hun fraaiste kleederen, om al de pracht en versieringen te kunnen bewonderen, voordat de feestelijkheden al hun aandacht in beslag zouden nemen. In de herbergen was het reeds vol vreemdelingen en nog steeds kwam er nieuwe toevloed.
Den 14den April ging het gerucht, dat de Keurvorst van Saksen met zijn broeder, Hertog Hans, in aantocht was. Het volk stroomde de poort uit om de naderenden te gemoet te gaan, en dicht voor de poort werden de gilden met hun insignes en banieren opgesteld. Toen de vorst kwam aangereden, kwam er geen einde aan het gejuich en gejubel van het verzamelde volk, want Frederik, bijgenaamd de Wijze, stond bij allen in hoog aanzien. Achter hem en zijn broeder volgde een lange stoet ruiters in mooie, blinkende wapenrustingen en met wapperende pluimen.
Kort daarop kwam ook de Landgraaf Lodewijk van Hessen met honderdvijftig ruiters, wien men dezelfde eer bewees.
Doch de algemeene spanning nam zeer toe, toen men vernam, dat den volgenden dag de keizer de poort der oude vrije Rijksstad zou binnenrijden.
De Keurvorst van Saksen reed met zijn broeder de poort uit om den vorst tegemoet te gaan. Weder werden de gilden opgesteld; de raadsheeren verschenen in hun deftige, zwarte mantels met de gouden ketens, de stadsmuzikanten zetten zich in postuur, op de wallen werd het geschut geladen en zelfs de allerarmste trok zijn beste kleeren aan. Maar zie, daar kwam een renbode om te zeggen, dat Zijn Majesteit verhinderd was zijn goede stad Neurenberg te bezoeken, omdat de Italiaansche veldtocht al zijn tijd eischte. [12]
Dat was voor de Neurenbergers een groote teleurstelling en men had nu maar half pleizier in de feestdagen, waarop de reliquiën en rijkskleinoodiën in het openbaar werden tentoongesteld.
Op den tweeden feestdag werd meester Albrecht Dürer reeds 's morgens vroeg in zijn arbeid gestoord, doordat men aan zijn deur klopte.
Op den drempel verscheen een vreemde, aanzienlijke heer, die beleefd groette en zeide:
"Ik kom uit naam van mijn heer en gebieder, den Keurvorst van Saksen, om u te zeggen, dat Zijn keurvorstelijke Doorluchtigheid van plan is u een bezoek in uw werkplaats te brengen. Derhalve zult gij u voor zijn ontvangst gereed moeten maken, want over een uur zal hij hier zijn."
Een oogenblik was Dürer door dit onverwacht bericht in verwarring gebracht, doch hij herstelde zich spoedig en sprak beleefd buigend: "Ik verheug mij over de hooge eer, die mij te beurt valt en Zijne keurvorstelijke Doorluchtigheid zal mij zeer welkom zijn."
Nauwelijks was de bezoeker weg, of Dürer snelde naar zijn vrouw om haar deze blijde tijding te brengen. Terstond ging zij naar het atelier om zoo snel mogelijk alles op te ruimen en in orde te brengen, daarin ijverig geholpen door de beide gezellen, die het ook reeds hadden gehoord.
Intusschen had meester Dürer zich in zijn pronkgewaad gekleed en vertoonde zich in al zijn mannelijke schoonheid, statig en vol kracht als een ridder, en Vrouwe Agnes vermeide zich opnieuw in den aanblik van haar echtgenoot; het kwam haar voor, dat hij er nog nooit zoo heerlijk en statig had uitgezien.
Nadat een uur verloopen was, kon men door het venster den keurvorst Frederik, door zijn broeder Hans vergezeld, in de straat zien aankomen. Dadelijk snelde Dürer de trap af om de aanzienlijke gasten op den drempel te ontvangen.
"Dus zijt gij meester Dürer," begon Keurvorst Frederik, terwijl zijn oogen met welgevallen de hooge gestalte beschouwden en hij hem vriendelijk de hand reikte. "Men prijst uw kunst zeer in het geheele land, en zelf heb ik ook reeds menig kunstwerk, dat mij heeft doen wenschen u persoonlijk te leeren kennen, van u gezien. Wilt gij ons nu voorgaan om ons de plaats, waar gij arbeidt, te laten zien?"
Eerbiedig geleidde Dürer de voorname bezoekers naar zijn werkplaats, waar de keurvorst plaats nam op den hem aangeboden zetel, terwijl zijn broeder zich naast hem zette.
Er hingen aan den muur veel schilderijen, die door den keurvorst zeer werden bewonderd, en zijn lof was Dürer des te meer waard, omdat hij niet alleen een liefhebber der kunst maar ook een kunstkenner was.
"Bij ons in Saksen," ging Frederik voort, "geniet Lucas Kranach een grooten naam en hij is een kunstenaar met bijzondere gaven; maar met u, Meester Dürer, kan hij zich toch niet meten. Ik zeg dit niet om u ijdel te maken of om meester Lucas' roem te verkleinen, maar om God in u te eeren, die u zooveel heeft geschonken. Hij geve u daarbij een goede gezondheid en een lang leven, om met het u toevertrouwde pond te kunnen woekeren tot Zijn eer en tot vreugde der menschen.--Maar ik verlang meer van u dan het genot, dat ik nu heb gesmaakt. Ook Wittenberg moet zien, waartoe de Neurenberger kunstenaar in staat is en daarom verzoek ik u voor mij een groot altaarstuk te schilderen, om de allerheiligenkerk te Wittenberg te versieren."
Dürers wangen werden nog donkerder gekleurd en zijn aandoening stond op zijn gelaat te lezen. Hij boog diep voor den vorst, dankte hem voor de eer hem aangedaan en vraagde, wat het schilderij moest voorstellen. Daarin liet de keurvorst hem geheel, vrij: "Schilder wat gij zelf wilt en wat uw hart u ingeeft--ik wil u in het minst daarin niet beperken."
Nog lang bleef de keurvorst vriendelijk praten, terwijl Hertog Hans de schilderstukken bekeek; eindelijk vraagde hij zelfs naar Vrouwe Agnes en sprak den wensch uit, haar te zien.
Daarop kwam Agnes te voorschijn, ook in feestgewaad gekleed en met zichtbaar welgevallen rustte 's vorsten blik op de bekoorlijke gestalte; haar wangen hadden een verhoogden blos en zij was in het begin niet weinig verlegen, maar spoedig overwon zij dit gevoel en beantwoordde vrijmoedig en beminnelijk de vragen, die Keurvorst Frederik tot haar richtte. Nadat hij ook nog enkele woorden met de gezellen had gewisseld, nam hij afscheid en drong bij Dürer op haast aan, opdat het schilderij spoedig te Wittenberg zou zijn.--
In de herberg op de waag, waar de burgers gewoon waren samen te komen om met elkaar te drinken, was het een heele drukte, toen eenige dagen later Albrecht Dürer zich daar liet zien; iedereen wilde hem de hand drukken en overstelpte hem met gelukwenschen. In aller achting was hij nog gestegen door de eer hem te beurt gevallen en men zag het hen aan, dat zij zich in hem geëerd voelden. Vooral Dürers schoonvader, Hans Frey, hield het hoofd trotsch in den nek en liet zich den edelsten Cypruswijn brengen; hij was bijzonder spraakzaam, hoewel hij gewoonlijk weinig sprak en zou gaarne een liedje met luitbegeleiding ten beste hebben gegeven, als men het had verlangd.
Woordelijk moest Dürer herhalen wat hij met den keurvorst had gesproken en allen luisterden met gespannen aandacht, ook meester Wolgemut, die zonder eenigen naijver zich met den gelukkige verheugde en verzocht nu en dan te mogen komen zien, hoe het altaarstuk vorderde.
Maar wie het uitbundigst was in Dürers lof, dat was Wilibald Pirkheimer. Het was reeds bijna twee jaar geleden, dat hij in Neurenberg was teruggekomen, nadat hij niet alleen de leerschool der ridderschap had doorloopen, maar zich ook in de wetenschappen aan de Italiaansche hoogescholen ijverig had bekwaamd. Spoedig daarna was de met mannelijke schoonheid begaafde jonge man in het huwelijk getreden met Crescentia, een dochter uit het rijke en zeer aanzienlijke geslacht der Rieters, en niettegenstaande zijn jeugd was hem de eer te beurt gevallen tot raadsheer van Neurenberg te worden benoemd. De verhouding met Albrecht Dürer werd weder dezelfde als vroeger, ja, eigenlijk was de omgang nog vertrouwelijker geworden, zoodat de oude benaming van Castor en Pollux weer in herinnering kwam om de innige verstandhouding, die tusschen hen heerschte, aan te duiden.--
Reeds drie dagen later had meester Wolgemut gelegenheid de schets van het altaarstuk te zien, en hij was vol verbazing over de vlugheid, waarmee Dürers hand de afzonderlijke figuren te voorschijn riep.
De gezellen mochten hem niet helpen, hij wilde het geheel alleen afmaken, al was het nog zoo groot. Vol bezieling arbeidde hij er aan van 's morgens vroeg totdat Vrouwe Agnes hem aan den maaltijd riep. Zijn ziel brandde van vurig verlangen om het reuzenwerk in zijn geheel te zien.
En na zes weken legde hij de laatste hand er aan. 's Avonds verzamelde hij zijn vrienden, die bij een glas edele malvezij luid hun lof over zijn werk uitspraken. Het was een vleugelaltaarstuk uit drie bladen bestaande: de verven, met lijm gemengd, waren onmiddellijk op het doek gebracht. [13] Op het middelste stuk buigt de Madonna in biddende houding over het kind Jezus, dat op een kussen voor haar ligt te sluimeren en door een engel koelte wordt toegewaaid. Maria's slanke gestalte is gehuld in een lichtblauw kleed, gedeeltelijk door een witten sluier verborgen, boven haar hoofd zweven twee engelen, die een gouden kroon met parelen bezaaid vasthouden, terwijl twee andere engelen de kamer schoonmaken, waarin Maria zich bevindt. In een zijvertrek ziet men Jozef aan den arbeid in zijn werkplaats.
De linker vleugel van het altaarstuk stelt de H. Antonius voor, die in een boek leest en een donkerblauw gewaad aan heeft en op den rechter vleugel ziet men het naakte figuur van den H. Sebastiaan ten halven lijve afgebeeld en met pijnlijk verwrongen trekken: hij was de hoofdman der keizerlijke lijfwacht te Rome, die op last van Diocletianus ontkleed aan een boom werd gebonden en door zijn soldaten met pijlen gedood, omdat hij zijn geloof in Christus had beleden.
In dit reusachtige altaarstuk was alles met evenveel liefde en toewijding geschilderd, niet alleen de groote figuren, maar ook het bijwerk.
De oude Wolgemut was niet weg te krijgen van het schilderij en hij werd niet moede het te prijzen, vooral de juiste teekening en het schoone koloriet. Vele nieuwsgierigen verdrongen zich de volgende dagen in het atelier om het kunstwerk te zien, voordat het kort daarop naar Wittenberg werd verzonden, omdat de keurvorst op spoed had aangedrongen.
Hans van Kulmbach, een der gezellen, genoot de eer het kostbare stuk naar de plaats zijner bestemming te brengen. De keurvorst beloonde den kunstenaar vorstelijk, maar nog meer waarde had voor Dürer de lof, waarmee meester Lucas Kranach het werk vereerde.
Hoofdstuk XII.
De Prediker In De Woestijn.
Het einde der eeuw naderde. Elk afsterven van het jaar reeds wekt door zijn luide prediking van het voorbij snellen van den tijd en van het vergankelijke van al het aardsche, velerlei aandoeningen in het hart der menschen; hoeveel te meer moet het verwisselen der eeuwen het gemoed tot in zijn diepste diepte aangrijpen! In groote mate was dit het geval, toen de vijftiende eeuw haar einde te gemoet ging.
In Duitschland heerschte een geest van opgewondenheid en verontwaardiging en met afschuw waren aller oogen gericht op Rome, waar de pauselijke stoel werd ingenomen door een man, die volleerd in zonden en misdaden, den naam van stedehouder van Christus volkomen onwaard was. Die man was Alexander VI. Hij beschikte op een schandelijke wijze over de hoogste kerkelijke ambten, die hij meerendeels door zijn handlangers liet waarnemen. Nog erger was zijn groote zedeloosheid; men beschuldigde hem zelfs in ongeoorloofde verhouding met zijn dochter Lucretia te leven. En in zijn eigen belang ontzag het hoofd der Christenheid zich niet om tegen den "allerchristelijksten" koning van Frankrijk met den aartsvijand der Christenen, Turkije, een verbond te sluiten.
Verlammend werkte de pauselijke tiranny op het Duitsche volk, dat zwaar leed onder den druk der ijzeren hand, die gewelddadig elke poging tot verzet onderdrukte. Met argusoogen bewaakten 's pausen handlangers alles wat van de pers kwam: elke uitgever, die het waagde een boek uit te geven, zonder het eerst aan de pauselijke goedkeuring te hebben onderworpen, kreeg den banvloek naar het hoofd geslingerd. Het Duitsche volk, benauwd en gedrukt, zuchtte naar verbetering der toestanden en naar verlossing van het pauselijke juk, dat den menschelijken geest in slavenketenen boeide, en snakte naar licht en vrijheid.--
In het begin van het jaar 1497 trad Wilibald Pirkheimer de werkplaats van Dürer binnen.
Hij vond daar alleen de beide gezellen, die bezig waren een groot schilderij, dat door Dürer was geschetst en waarvan hij de voornaamste gedeelten had aangezet, af te maken.
Schäufelein antwoordde hem op zijn vraag, waar de meester was: "Hij is alleen in zijn kamer, en komt tegenwoordig zeer zelden in de werkplaats."
"Waarom?" vraagde Pirkheimer.
"Ik weet niet wat er aan scheelt," antwoordde Schäufelein schouderophalend.
"Hij ziet er zoo ernstig uit, alsof hij veel verdriet had en onder zware zorgen gebukt ging."
"Is zijn vader erger geworden terwijl ik uit de stad was?" vraagde Pirkheimer.
"Neen," zei Schäufelein, "de oude man maakt het tegenwoordig beter dan anders: hij eet, drinkt en slaapt goed, en arbeidt zelfs nu en dan in de werkplaats--alleen de beenen willen niet goed meer mee."
Pirkheimer verliet met een korten groet de werkplaats en ging naar Dürers kamer. Ook hem was het opgevallen, dat zijn vriend er zoo somber en ernstig uitzag, maar op zijn deelnemende vragen had hij nooit een bevredigend antwoord gekregen.
Hij vond den meester met een portefeuille met teekeningen voor zich, die hij haastig dicht deed: "Gegroet Albrecht! Gij ziet, dat ik weer terug ben na een afwezigheid van bijna een maand. Mijn eerste bezoek geldt u, want ik heb u al dien tijd zeer gemist."
Dürer begroette zijn vriend hartelijk en drukte hem de hand.
"Ei zoo," zeide Pirkheimer lachend, "welke geheimen hebt gij voor mij? Wat heb ik u misdaan, dat gij mij uw vertrouwen ontzegt?"
Dürer schudde het hoofd: "Dat moogt gij niet zeggen, want gij weet toch wel, dat gij mij liever zijt dan ooit. Koestert gij nu argwaan, omdat ik iets voor u heb verborgen gehouden, dat nog niet rijp was om aan de wereld te worden vertoond? Maar nu gij toch hebt ontdekt, dat er een geheim is, wil ik het niet langer voor u verbergen; temeer, daar ik reeds lang in mijn hart den wensch koesterde, mijn vriend mee te deelen, wat mijn ziel vervult. Als gij tijd hebt, ga dan hier zitten en luister naar hetgeen ik u zal zeggen." Pirkheimer nam plaats en zag Dürer met gespannen aandacht aan.
"Gij spreekt in raadselen, Albrecht; bijna zou ik vreezen iets te moeten hooren, dat mij verdriet zal doen. Wat is er toch?"
Dürer schudde de lokken van zijn voorhoofd. "Ik lijd onder de kwaal, waaronder alle weldenkenden zuchten en bedroef mij over den treurigen toestand, waarin wij leven en dien wij te wijten hebben aan hem, die zich de stedehouder van Christus noemt. Wie het waagt, om met een enkel woord te getuigen tegen de algemeene verdorvenheid, moet verstommen onder den pauselijken ban. De moedige Johannes Hus heeft men het zwijgen opgelegd door den brandstapel. Hoe lang zal Hieronymus Savonarola's machtige stem te Florence nog weerklinken, nu hij die durft verheffen in protest tegen de verbasterde kerk en de heerschende misbruiken en men tevergeefs heeft getracht hem door het aanbieden van den kardinaalshoed het stilzwijgen op te leggen? Tevergeefs trachten de edelste mannen de vernederende ketenen te verbreken; het verderf neemt toe met elk jaar en het schijnt dat tegelijk met de eeuw ook de wereld haar eind tegemoet gaat."
"Maar waarop wilt gij nu daarmee neerkomen? Gij weet, dat al deze dingen ook mijn hart bezwaren," viel Pirkheimer hem in de rede.
"Geduld, mijn vriend," vervolgde Dürer, "gij zult het terstond begrijpen. De pen der geleerden en dichters is afgestompt door de bedreigingen van den Paus; het is hun verboden het volk te onderrichten."
Pirkheimer stampte met den voet en met somberen blik sprak hij:
"Ja, het schreit ten hemel, zooals die man te Rome het leven van den menschelijken geest doodt!"
"In dezen zorgvollen tijd," vervolgde Dürer, "is er een gedachte in mij opgekomen, die mij nu overal vervolgt en mij niet met rust laat. Nu de pen niet meer spreken mag, moet het penseel het doen. Waar woord en schrift der waarheid geen getuigenis meer mogen geven, daar moet het afgebeelde spreken. Het getuigt wel is waar niet zoo duidelijk als het woord, maar ik vertrouw, dat zijn prediking toch den weg naar aller hart zal vinden en ik heb een stem vernomen, die zeide: "Doe uw mond open en predik!" -- -- Maar hoe? Met het penseel? Och, slechts weinigen zien mijn schilderijen en ik wil tot het geheele volk spreken. En ziet gij, toen sprak dezelfde stem: Leg het penseel weg en grijp naar mes en graveerstift. Bij meester Wolgemut hebt gij u ook geoefend in de houtsnijkunst en kopergravuur, neem die te baat en woeker er mede het volk ten zegen! Dat is de kunst, die in aller bereik ligt, de afdrukken van houtsneden kan de armste op de markt koopen en deze kunst, die tot nu toe vrij is gebleven van den pauselijken banvloek, kan op deze wijze een prediking in de woestijn worden."
Hier zweeg de spreker en hij zag zijn vriend vragend aan. Pirkheimer liep in groote opgewondenheid de kamer op en neer, bleef toen voor Dürer staan en greep hem bij den arm: "Albrecht, die gedachte is van God! Ja, wees gij de stem van den prediker in de woestijn, spreek tot het volk met uw kunst en het volk zal naar u luisteren, u begrijpen, u danken! En zie, nu begin ik te vermoeden"--en hij zag naar de portefeuille--"dat op de gedachte de daad is gevolgd en gij reeds met uw prediking begonnen zijt."
"Uw vermoeden is juist," antwoordde Dürer glimlachend. "In deze portefeuille vindt gij wat ik gedurende twee jaar in stilte heb ontworpen. Het is de Openbaring van Johannes, die mij stof heeft gegeven voor mijn platen." Op Pirkheimers gelaat was duidelijk zijn verwondering te lezen:
"De Openbaring van Johannes? Toch niet een tweede "Pausezel," [14] zooals verleden jaar meester Wolgemut in de wereld heeft gegeven? Wel is waar, heeft Rome het verdiend met bijtenden spot te worden overgoten, maar volgens mij is meester Wolgemut te ver gegaan en heeft hij daardoor de zaak meer geschaad dan gebaat. Hij heeft voor zijn afbeelding aanleiding gevonden in de woorden uit de Openbaring van Johannes: "en de vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde," maar ik vind het niet goed van hem, dat hij Rome zoo hard heeft aangepakt."
Dürer legde zijn hand op den schouder van zijn vriend: "Wees er niet verbaasd of ontstemd over, dat ook ik in de Openbaring van Johannes stof voor mijn teekeningen heb gevonden. Heeft men in droevige tijden niet altijd weer naar dit profetische boek gegrepen, om het verborgene daarvan te doorgronden en zich er mee te troosten? Ik ben u dankbaar, dat gij zijt gekomen, want uw oordeel heeft steeds groote waarde voor mij en mijn werk zal niet in druk verschijnen, voordat gij uw oordeel hebt uitgesproken en het hebt goedgekeurd."
Hij opende de portefeuille en nam er vijftien teekeningen uit.
De eerste stelde den marteldood van den evangelist Johannes voor, ten aanschouwe van den Romeinschen Keizer Domitianus, op zijn troon gezeten en omringd door een groote volksmenigte; sober en breed van opvatting en uitvoering. Dit was eigenlijk het titelblad.
De tweede teekening muntte eveneens uit door eenvoud en rust, de kenmerken van het ware schoone. Hier was Johannes voorgesteld op het oogenblik, dat hij wordt geroepen om neer te schrijven hetgeen de Heiland hem zou openbaren. Johannes knielt diep ontroerd neder voor den Heer, wiens uitgestrekte hand de zeven sterren, het zinnebeeld der zeven gemeenten, vasthoudt.
Op de derde afbeelding ziet men Gods troon in het stralende licht des geopenden hemels. En in de hand desgenen, die op den troon zit, ligt het boek met de zeven zegelen; rondom zijn op troonen de vier-en-twintig ouderlingen gezeten, elk met een kroon op het hoofd en een harp in de hand.
Bij elke teekening namen Pirkheimers verbazing en bewondering toe, en bij het vierde blad ontsnapte hem een luide kreet van verrukking, die de vier Apokalyptische ruiters gold, boven wier hoofd op een wolk de engel der wrake zweeft, terwijl de ontzette menschheid tracht te ontvluchten. De eerste ruiter spant den boog, de tweede trekt het zwaard, de derde houdt de weegschaal en de vierde, de dood, rijdt op een schraal paard en slingert den helschen drietand. Een groot aantal figuren vertegenwoordigt het vluchtende volk, waarvan de gelaatsuitdrukking eenig, onvergelijkelijk is. Op bewonderenswaardige wijze was Dürer er in geslaagd eenheid te brengen in deze menschenmassa, die men uitstekend kan overzien, al is de ruimte zeer beperkt. Pirkheimer was één en al lof en bewondering.
De vijfde teekening bevatte het openen van het vijfde en zesde zegel te zamen genomen; boven in de wolken heeft de uitdeeling der witte kleederen aan de martelaren plaats en onderaan is de verduistering van zon, maan en sterren afgebeeld. Treffend is op het bovenste gedeelte de wijze, waarop zij, die ter wille van het Evangelie vermoord zijn, vertroost worden door de engelen, die hun naaktheid bedekken. Diep aangrijpend is op de onderste helft het oordeel Gods. En wie zijn het, die in hevige ontzetting zich voor den toorn des Rechters trachten te verbergen? Juist daarin wordt de toeleg en bedoeling van den schilder duidelijk; het zijn aan de eene zijde: een keizerpaar, de paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en monniken, aan de andere zijde het door hen verleide volk in welks midden, vol beteekenis, een vrouw, met een kind op den arm, haar hand aanklagend tegen de verleiders opheft met een gebaar, dat duidelijk zegt: Vloek over u, die zooveel ellende over ons hebt gebracht! Dürer wilde zijn vriend het daarop volgende blad aangeven, doch Pirkheimer weerde hem af en bleef in diep nadenken verzonken: hij kon deze teekening nog niet ter zijde leggen.
"Prachtig, Albrecht!" riep hij uit, "gij hebt het voortreffelijk gedaan! O, welk een aangrijpende, machtige prediking, die elk kind, elk eenvoudig boertje kan begrijpen. Met ongeduld wacht ik het oogenblik af, waarop gij hierdoor openlijk zult getuigen tegen hen, die schuldig zijn aan het groote verderf, waarin de menschheid is verzonken." Nu bekeek Pirkheimer de volgende teekeningen. De zesde stelde de vier engelen voor, die de vier winden der aarde vasthouden, en de verzegeling der 144000 dienstknechten Gods; de zevende: de uitdeeling der bazuinen aan de zeven engelen en verschillende plagen, die het bazuingeschal der eerste vijf veroorzaken. De achtste geeft weer de uitwerking der zesde bazuin: de losbinding der vier engelen, die gebonden zijn bij de rivier, den Euphraat, en het derde deel der menschen dooden--deze vooral was zeer schoon en aangrijpend.
De negende stelde den sterken engel voor, die aan Johannes het boek geeft om het op te eten; de tiende: de vrouw bekleed met de zon, wier kind de roode draak met de zeven door koninklijke hoeden bekroonde hoofden, dreigt te verslinden; de elfde: den strijd van den aartsengel Michael en zijne engelen tegen den satan en diens engelen; de twaalfde: de aanbidding der beide monsters, die uit de zee zijn opgekomen en daarboven God op zijn troon met de scherpe sikkel en de engelen, die gereed staan voor den bloedigen oogst. De dertiende teekening beeldde den bruiloft des Lams af; op die kleine ruimte waren niet minder dan vijftig figuren zichtbaar. De veertiende gaf de groote Babylonische ontuchtige vrouw te zien, hetzelfde onderwerp, dat meester Wolgemut met zijn "Pausezel" had weergegeven. Hoe geheel anders had Dürer het opgevat en uitgevoerd! Hij had er geen afzichtelijk dier van gemaakt, doch een menschelijke figuur, een vrouw met weelderige vormen, gekleed in een laag uitgesneden kleed van brocaatzijde, rijk met goud en edelgesteenten versierd, gezeten op een beest met zeven hoofden, en in de hand den gouden drinkbeker vol van gruwelen en onreinheid. Voor haar staan een menigte menschen, die onverschillig en zonder ontzag naar haar kijken; alleen een kunstenaar werpt haar een dreigenden, toornigen blik toe, terwijl een monnik eerbiedig en aanbiddend voor haar knielt. Boven in de wolken komen reeds de twee engelen aanvliegen om haar het oordeel Gods te verkondigen. De laatste teekening vertoont eindelijk den grooten engel der wrake, die op het punt is den duivel en satanas in den afgrond op te sluiten, totdat de duizend jaren zullen zijn geëindigd, terwijl een andere engel den in verrukking geraakten profeet het nieuwe Jeruzalem toont, dat is het heilige, zuivere evangelie, niet verduisterd door menschelijke dwalingen.
Pirkheimer was diep getroffen door deze prediking in beelden van zijn vriend; hij voelde zich er door overweldigd en van gedachten veranderd. In den grond der zaak was hij het wel met meester Wolgemut eens geweest, maar de al te ver gedreven spot had hem mishaagd. Hij zag nu, dat Dürer de juiste maat had weten te houden en meegesleept door den overweldigenden indruk, drukte hij hartstochtelijk 's meester hand: "O, laat mij u danken, laat mij u de hand drukken, de hand, die zoo iets groots heeft kunnen scheppen! Zie, ik ben er diep door getroffen! O, hoe geheel anders is uw prediking dan die van den ouden Wolgemut! Nu begrijp ik, dat men met bijtenden spot en bitteren hoon niet verder komt; uit uw werk spreekt de heilige ernst van een geloovig hart, en dat is het ware. Het hart moet spreken, het hart, dat lijdt onder den druk der tijden en deze predicatie zal haar weg tot aller harten vinden. Ja, predik, mijn vriend en het volk zal naar u luisteren!"
De goedkeuring en aanmoediging van zijn vriend deden den kunstenaar goed en met vernieuwden ijver herzag hij zijn scheppingen in alle deelen, om ze tot meerdere volmaking te brengen.
Er ging nog een jaar voorbij, voordat de profeet zijn prediking tot de wereld richtte: de teekeningen moesten eerst in hout worden gesneden en afgedrukt. Doch toen kwam Pirkheimers voorspelling uit en verwekten Dürers illustraties van de Openbaring van Johannes groot opzien en oefenden een verbazenden invloed. De kunstwereld zag met verwondering, dat meester Dürer ook op dit gebied iets nieuws had gevonden en een ongeëvenaard standpunt innam. Maar niet alleen dat: iedereen begreep, wat hij had willen zeggen met deze zwijgende afbeeldingen en een ieder wilde de exemplaren bemachtigen. Ze werden niet alleen door de rijken gekocht, ook de arme tastte in zijn zak en had geen berouw over zijn uitgave. De geestelijken en kloosterlingen zagen toe met donkere, booze blikken en voelden den steek, dien meester Dürer hen toebracht, maar hun smalen verstomde bij de algemeene opgewondenheid en hun woede gaven zij lucht in heimelijk tandgeknars.
Hoofdstuk XIII.
Vriendentrouw.
Op een helderen, kouden lentedag van het jaar 1499 stroomde een groote menigte volks naar de Hallerweide, om daar te genieten van den aanblik, dien de inspectie van een legerafdeeling aanbood. Keizer Maximiliaan had een oproeping aan het rijk gedaan om hem manschappen te bezorgen tegen de Zwitsers, die hij met het zwaard wilde terugbrengen van hun voornemen om zich aan zijn heerschappij te ontrukken. Terwijl hij zelf in Tyrol troepen uitrustte en de Zwaabsche bond onder Graaf Fürstenberg huurlingen wierf, wilde de rijksstad Neurenberg hierin niet achter blijven. Zij versterkte het keizerlijke leger met vierhonderd man voetvolk, zestig ruiters en zes stukken geschut. Het gevoel van kracht, dat in gelijke verhouding steeg met het toenemende algemeene welzijn, wilde zich nu ook uiten in krijgshaftige verrichtingen en bij den glans des rijkdoms ook dien des heldenroems voegen.
De vierhonderd voetknechten boden reeds een trotschen aanblik, maar zij werden overtroffen door de ruiters, gekleed in een schitterenden, rooden wapenrok. Het volk genoot van dit ongewone schouwspel en keek met trots naar de bende ruiters, in de zekere verwachting met hen eer in te leggen in den strijd, vooral nu zij werden aangevoerd door een man, van wiens moed en veldheerstalent men de hoogste verwachtingen koesterde: namelijk door Wilibald Pirkheimer, den jongen raadsheer.
Hoe trotsch stapte zijn zwart strijdros, schitterend opgetuigd en met een blauw met gele zijde gestikt zadelkleed, alsof het voelde, dat het een eer was den veldoverste te mogen dragen. En hoe schoon zag deze zelf er uit in den scharlaken wapenrok, het harnas van verguld staal en den wapperenden, witten vederbos! Aller harten klopten opgewonden, toen zij hem zagen en hij werd luide toegejuicht, toen hij de troepen in lange, rechte linie had opgesteld.
Een weinig buiten het gedrang van het volk stond onder een alleenstaanden lindeboom een man, wiens oogen met gespannen aandacht het schouwspel volgden. Zoodra de troepen waren opgesteld, nam hij een stuk perkament en een potlood uit zijn borstzak en ging ijverig aan het teekenen. Toen na een half uur alles was afgel
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg