Aboe Bakar: Indische Roman
P. A. (Paul Adriaan) Daum
Door Maurits
BATAVIA ’S-GRAVENHAGE G. KOLFF & Co. LOMAN & FUNKE
Inhoud.
Eerste Deel
Hoofdstuk. Bladz.
I. Kennismaking met een onaangenaam mensch 1 II. Een jaloersch heer 10 III. Een treurig voorval 20 IV. Niet zonder reden jaloersch 31 V. De in ongenade gevallen president 39 VI. Het vierde kind 45 VII. Adam wordt een knappe jongen 52 VIII. De knaap vertrekt naar Batavia 61 IX. Laaghartige wraakzucht 70 X. Teleurgestelde verwachtingen 80 XI. Onaangename brieven uit Holland 91 XII. Een mislukt jongmensch 103 XIII. Een voorzichtige moeder 113 XIV. Een onaangename verrassing 122 XV. Een declaratie in optima forma 132 XVI. Aan boord van een mailstoomer 143 XVII. In Indië terug, maar.... aan een sterfbed 152 XVIII. Het gevonden portret 164 XIX. Een nieuwe vlam 174 XX. Onterfd 182 XXI. Vergeefsche moeite 192 XXII. Adam is ontevreden 201 XXIII. Moederliefde 210
Tweede Deel
I. Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis 1 II. Ik wil niet gelijk gesteld worden 9 III. Het Europeesch vernis verdwijnt 20 IV. Opnieuw verloofd en getrouwd 28 V. Onaangename ontmoeting en wroeging 36 VI. Aboe Bakars teleurstelling 44 VII. Een beschaafd Mohammedaan 53 VIII. Ongelukkige familieberichten 63 IX. Schoonmoeder en schoondochter 73 X. Een trouweloos Mohammedaan 82 XI. Hoe zal ik sterk zijn? 91 XII. Zonderlinge ontmoeting 98 XIII. Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw 107 XIV. Geldelijke verwikkelingen 115 XV. Men kan geen priester en koopman zijn 124 XVI. Een listig mensch 131 XVII. Wacht u voor zulke vrienden 137 XVIII. Toenadering tusschen de vrouwen 147 XIX. Minah op een verboden weg 156 XX. Aboe Bakars ondergang voorbereid 166 XXI. Een dubbel offer gebracht 174 XXII. Dailah ontdekt het gevaar 186 XXIII. „Ze hebben hem vermoord.” 196 XXIV. Besluit 210
Eerste Deel.
Eerste Hoofdstuk.
Kennismaking Met Een Onaangenaam Mensch.
Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het Indisch landschap een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote, gloeiende vuurbol wierp er zijn heete gouden lichtbundels niet over; hulde niet alles in het zware oostersche geel, met omhoog het scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem. Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust.
Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen gedeeld in breede strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend grillig robe-dessin, wierp grazend de koppen naar rechts en links, zoekend de fijne beetjes in den groenen voêrbodem; en had niet hier en daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen hoog opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden een stukje Holland te zien.
In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met kleine beweginkjes in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid door den grooten bloementuin; niet eens sterk genoeg om er de overstaande rozen te ontblaren.
Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat den grooten ernst van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat was zijn liefhebberij, zijn eenige; dit vroegere stuk weide had hij herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig waarneembare geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het egoïstisch individueel „verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor overdracht.
Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale inspectie; van de houten trap zijner ruime paalwoning over de groote variëteit van kleurvlekjes, in het à jour groen langs de paggers en in de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de blauwige lippen wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie sterke manstanden.
Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord van aardewerk en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met een lidi, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag kinderstoeltje en at, ’t geopend blad op de scherp opstekende beenknieën, de rijst eruit met de vingers, die stijf in de massa gingen en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó dejeuneerde hij lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als after-breakfast sigaar.
Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen de zijkamer naar voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag aanbolde met bij oostersche langzaamheid onharmonische drift. John greep een kijker, die aan een touwtje hing boven de balustrade en loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel twintigmaal op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed balanceerde gemoedelijk op het water, binnenvallend na slechte vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje van een stoomer, nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij.
Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een andere wuifden op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met groot vertoon van vriendelijkheid terug. Maar toen ze uit ’t gezicht waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke vent! Was hij niet een njo, net als hij zelf?
De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne! Allebei hadden ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in goede papieren; allebei konden ze het stellen buiten den arbeid, geld overhoudend bij hun geringe behoeften.
Daar had nu die malle vent, die Verlande, een pur-sang vrouwtje getrouwd en .... uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed en wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden recepieeren. En dan de soesah in huis, met die Hollandsche wrijf- en poets-dames, die geen bedienden kunnen houden, zich dood ergeren aan vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen. Wat ’n leven! Verbeel je dat hij ....
John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet en zou hij ook nooit worden!
Hij hield zich maar aan zijn gewone njai; zij had al drie kinderen met hem en dreigde met het vierde.
Soedah, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in de bijgebouwen bij hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan hun moeder door een stillen handel in batiks en diamanten verdiende; ze stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool. Habis perkara! Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan kwee-kwee maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had geld; als de jongens dom bleven, dan maar het land op.
En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van die totok kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten studeeren om geleerden te worden .... Nu die zou er pleizier van hebben!
Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke zelfgenoegzaamheid glad, met een uitdrukking van groote verbazing de wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend doorgaand onder het atappen overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, kwam rechtop in het licht, vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen tulband ’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop; helder wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn ruischend gewaad van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar rustig, in groote gemak-stappen, ging hij heen, over de grind met het dof geglinster van de verlakte lage schoenen om zijn bloote bruine voeten.
Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn diepliggende zwarte oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche smeerlap! En dat terwijl hij, honderdmaal was maar eens, zijn huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een arabier op zijn erf of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag, in zijn haast met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer maakte, en hij stoof de kamer in van zijn njai, juist, de armen omhoog, bezig te verwisselen van baadje.
Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend van opgewondenheid, al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde; zij zweeg, en toen hij uitgeraasd had, wees ze naar een doos op de tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen, als ik met de menschen niet praten mag.”
Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er nieuwsgierig naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke opgerolde lapjes uit, waarin diamanten haarspelden geprikt zaten; hij ging bij het open venstertje staan en liet het invallend licht door de steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend bij het bespieden van straalbreking en kleurwisseling.
„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid, smadelijk haar de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend met de knokkelvingers, „die heeft een vlek; die ook; dat is een erge gele; dat ook! en ik geloof waarachtig dat er foelie achter zit. Prullen, anders niet!”
Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de doos.
„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of een zijner vuile Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel in hun bast. Ik zal m’n geweer naast m’n stoel zetten in de galerij; ik schiet ze dood. Ziedaar!”
En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen op de dikke schouders en armen; tot ze ook woedend adoe! had geroepen, minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê terugschold.
Tweede Hoofdstuk.
Een Jaloersch Heer.
’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle gendie, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit; maar kwaad bleef hij; zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid; telkens eraan denkend, dat ze van baadje had verwisseld; zich opnieuw opwindend als hij begon te bedaren.
Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap af, maar een inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker, gaf hem een brief. Dat leidde hem af. Het was „van wege” de societeit, zijn grootsten trots. Men had hem tot president „gebombardeerd,” zooals de jongelui zeiden.
Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n man moet „maar” president van het kleine clubje zijn, dat eens in de week, Zaterdagsavonds, in ’t gebouwtje met steenen buitenmuur en bamboezen binnenwanden, de societeit Belvedère, bijeenkwam. Dáárom hadden zij het hem gemaakt.
John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale waardigheid aan zijn schrijftafel zitten. Er was een „voorstel” ingekomen, natuurlijk voor een pretje, andere voorstellen kwamen er nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven had, meende dat over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee, geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig met een business-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets kwam vragen, met een: „Zie je niet, dat ik zit te werken?”
Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele bestuursvergadering zou houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij vergat den schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den „woestijnschurk,” den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar, de honden schoppend, die jankend naar buiten vlogen, schreeuwend tegen de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig vertoon met zijn geladen geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer der paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld veroorzaakte.
’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn njai nog eens bij, en hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar nu het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders, dat hij elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou neerschieten als een hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij dien onder schot kreeg ...! Haar kalm gezicht van rustige, welgedane inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij.
„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog ongeluk van kunnen komen.”
Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover een geweer, als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die hem kende, dat hij een Nimrod was. Zoodra het jagen ter sprake kwam, raakte hij in extase; dan vertelde hij van jachten op tijgers, bantengs, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke hoeveelheden snippen en wilde duiven, gevallen door zijn moordend lood. En men geloofde het wel niet, zooals hij het zat op te snijden, maar hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel niet. Zijn eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed onderhouden en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud, eigenlijk blij, als dat was afgeloopen; hij hield er niet van.
Maar nu zou hij, omdat zij zoo bang was en omdat zij het verzocht, voor ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van z’n leven.... en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen arabieren en de vreeselijke bedreigingen, die hij casu quo ten uitvoer zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen.
De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een druktemaker hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes; maar zij was wel zoo slim het door niets te laten merken, en zij ging zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar gewoon dagverblijf in de bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie met het geweer grooten indruk had gemaakt.
In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid hoog op; hij sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit ambtsbrieven, over de geringste dingen, wenkbrauwfronsend achter den gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een dikke gouden horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn presidiale positie; hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets te gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen der heeren gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment bij de hand met zijn sigarenkoker en de gebruikspropositie.
Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen „voorstel” werd veel gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens werd over het pretje. Men zat nog een uurtje rustig bijeen in de achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren rand eronder, voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de dakbedekking, een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam.
Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der maan, zoo mooi weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar de menschen gaven er de voorkeur aan in huis te zitten bij leelijk lamplicht.
„Wat heb je toch kranige kerels onder die arabieren,” zei, onder het napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid.
Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was rechtstreeks tot hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder iets te zeggen.
„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant voort, „’n mooie kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke kerels, dat moet ’n gezicht wezen.”
„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen nooit in mijn huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het is gemeen volk.”
„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?”
„’t Zijn bedriegers en oplichters.”
„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche vrouwen; met hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in preciosa, hebben ze al menigeen ’n koopje gegeven. Neen, ik ben het met mijnheer Silver heelemaal eens.”
Maar de luitenant was een aanhouder.
„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik waarachtig geen ongelijk geven.”
Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een gedachtengang, waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te verdedigen, waarbij van onpartijdigheid of objectiviteit geen sprake kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige kerels gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de njai’s, die hun meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille verontwaardiging over zooveel onzin.
Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg nippend, „het is alweer tijd.”
De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het ging niet; hij voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn sluippasjes scharrelde hij den strandweg op naar huis, geplaagd onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg als ’s ochtends door het hoofd maalde.
Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat hij een groote, in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien. Spiedend stond hij een oogenblik stil, deed zijn schoenen uit, nam ze in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend naar boven; zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met bevende hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten.
Zijn njai, die op een baleh-baleh lag te slapen, was even wakker geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer uitgaan, het geweer in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde; in een geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: orang gila, en sliep weer rustig in.
Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn woest jaloersche aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur dat hem anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij „welstaanshalve” had gedronken, maar waartegen zijn teatotalers gestel in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer ingetoomd door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het geweer in de hand ging hij voorzichtig en stil naar beneden, rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en op het punt te vuren, als hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende daken. Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment schaamte over hem komen deed.
Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij te loeren naar het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren, voor hem gelijk iets was; maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op den breeden houten rand, en hij sliep in, het geladen geweer tegen de stoelleuning.
Derde Hoofdstuk.
Een Treurig Voorval.
Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem had de temperatuur doen dalen, en als indo beter kunnend tegen warmte, dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken en zich schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den achterstand bij, van een half doorwaakten nacht.
Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De huishoudster, die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van njai Peraq, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden dan al lang door het huis en op het erf rond, in het duister nog, badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend, kijkend den aanlichtenden dag tegemoet.
Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun drieën liepen ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en gingen om het jachtgeweer staan, vol bewondering elkaar lachend aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen vol van een tot beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken, dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan den trekker, aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens familiaarder met het heerlijke ding, het geweer.
Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje, kon ’t niet beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met z’n bloote voeten marcheerde hij in nagebootste soldatenhouding ermee op en neer, nagekeken door zijn broer, vol afgunst en bewondering; toen die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil, om pa niet wakker te maken, maar toch woedenden twist met scheldwoorden, trappen en stompen, en trekken en rukken vooral aan ’t geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun uit de handen viel. En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend op den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken, over de pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg....
Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het eerst bij het gewonde kind, had het in haar armen genomen en was hard den grooten weg opgeloopen, naar den dokter; John Silver, in ’t eerste oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop in z’n bed, kwam, toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel begrijpend dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies kunnende voorstellen wat; ook niet geneigd op den publieken weg het spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster met het getroffen kind in de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets doen, en schreeuwend tegen een baboe, vroeg hij haar, wat er gaande was. De sinjo’s hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en nonni was gewond. Waar waren de sinjo’s? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich opwindend in die richting, haalde hij een rotan uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen en den tuin, waar hij aan de vernieling van eenige mooie opkomende planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven de oogen, keek hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes.
En dreigend de rotan schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood zou ranselen, als ze terugkwamen. Maar nu moest hij wel naar den dokter; hij kon niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast, verlegen en beroerd over het heele geval; in zich zelven scheldend op die vervloekte ondeugende jongens, die hem nu weer zoo’n geweldig koopje gaven.
Toen hij aankwam aan het doktershuis en met een vertoon van drukte en veel praatjes binnentrad, werd hem eenvoudig door een: stt! het zwijgen opgelegd.
De controleur was er ook; zijn njai stond huilend bij het bed, waar de geneesheer het werk deed; er waren nog een paar heeren van de plaats; Verlande ook met diens vrouw, die hielp het gewonde kind zoo te houden als voor de behandeling noodig was, en tusschen de stilte in de schreeuwen van het kind, als de pijn hevig stak.
„’t Zal alles wel losloopen,” zei de dokter, opkomend uit zijn voorover buigen, „maar het ééne oog is ze kwijt. Daar helpt niets aan.”
Men vond het verschrikkelijk; de dokter ook; heel onvriendelijk keek hij Silver aan.
„Hoe is het mogelijk,” zei hij, „dat iemand zoo onverantwoordelijk onvoorzichtig kan zijn.”
„Ik was in slaap gevallen,” zei John.
„Maar wie zit nu ’s avonds in de voorgalerij met ’n geladen geweer.”
„Ik wou.... kalongs schieten.”
„Kalongs schieten!” riep minachtend en ongeloovig tevens de controleur. „Iets voor aankomende jongens.”
„Hoe dan ook, het is meer dan erg,” zei de dokter weer, „iemand, die kinderen heeft, mag een geladen geweer niet onbeheerd ergens in zijn huis laten.”
Dàt was iedereen met hem eens; John Silver kreeg den wind van voren op een gruwelijke manier; hij voelde, dat zijn „prestige” erg geschokt werd, toch blij, dat hij er nog zóó afkwam. Met een arme zondaarsgezicht liet hij de „standjes” langs zijn koude kleeren gaan; het kind was niet dood; men geloofde ten naasten bij aan de kalongs,—het viel betrekkelijk alles nog mee.
Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht; men houdt daar zoo geen rekening mee; en niets verbaasde hem meer, dan de schrikkelijke manier waarop ze hem aanviel, toen ze, het kind bij den dokter latend, terugkwamen thuis.
Zij schold en hoonde hem; zij maakte hem in het maleisch uit voor al wat leelijk was.
Verstomd had hij in het eerst naast haar voortgeloopen, totaal in de war over het ongelooflijke feit, dat zij zoo tegen hem, haar heer en meester, te keer durfde gaan.
Ze was in hooge mate zenuwachtig en opgewonden. Toen, gaande met haar langs de bijgebouwen, terwijl ze scheldwoorden als ’t ware vallen liet uit haar mond, hij, kwaad, een bezemstok greep, dreigende haar te slaan, vloog ze als razend de keuken in, nam er een mes en kwam op hem af.
John Silver sloeg vastberaden op de vlucht en sloot de deur zijner kamer achter zich; orang takoetan! schold zij hem na.—
Hij bekwam er niet van; de toestand drong niet tot hem door. Twaalf jaren had hij die vrouw in huis; altijd was ze rustig geweest, gewillig, onderworpen; hij had haar, als hij boos was, aller lei leelijks naar het hoofd gegooid, zonder dat ze ooit veel weerwerk gaf; hij had haar gestompt en geslagen, zonder dat ze in al die jaren aan verzet had gedacht; en nu er een „ongeluk” was gebeurd, nu was ze zoo „recalcitrant!” Ze zou hem dat mes tusschen de ribben hebben gestoken, hij had het duidelijk gezien aan haar gezicht; een angstig gevoel kwam over hem, als hij er aan dacht.
Zij was gek, dacht hij; het ongeluk met het kind had haar gek gemaakt.
Een oogenblik pikirde hij erover haar weg te jagen, een oogenblik slechts; wat zou er van zijn huishouden worden? en dan de kinderen, en.... de menschen?
Zijn bekrompenheid zag alles in een onzuiver licht. Hoe de haat der inlandsche vrouw zoo tegen hem was uitgeslagen, bevroedde hij in het minst niet.
’s Middags ging hij bij den dokter informeeren naar het kind, dat redelijk wel was en maar weinig koorts had; en hij deed zijn beklag; die vrouw had hem willen doodsteken, wat moest hij doen?
„Wel niks,” zei de dokter. „Ik vind het zeer natuurlijk.”
„Natuurlijk?”
„Zeker, U zult niet ontkennen, dat u de hoofdoorzaak bent van het gebeurde.”
„Wat deden de kwajongens eraan?”
„U hadt het wapen moeten meenemen en opbergen. Kinderen zijn kinderen; niet waar? Dus nog eens, u bent de oorzaak.”
„In Godsnaam dan,” zuchtte John Silver, vol gebrek aan schuldbesef.
„De vrouw mag een inlandsche zijn, zij is in de eerste plaats moeder.”
„En ik vader.”
„Het kan zijn, maar dat is niet hetzelfde; u hebt haar kind een ongeluk bezorgd; daarvoor zou ze u kunnen vermoorden.”
Maar John Silver begreep er niets van, dan dit ééne: dat de dokter blijkbaar twijfelde aan zijn vaderschap! Zou hij misschien iets weten of.... vermoeden?
„Ik geloof,” zei hij, „dat ze altijd een brave vrouw is geweest.”
De ander haalde de schouders op, niet meer denkend aan het losgelaten woord buiten den gesprekszin.
„U zei,” ging John Silver voort, „het kan zijn. Wat bedoelde u daarmeê? Weet u ook soms iets.... iets....”
Hij vulde het aan met de uitdrukking van z’n gezicht, die den dokter even duidelijk was, als ’t hem walgde dat zoo’n man, in plaats van eenig gevoel te toonen voor de verwonding van zijn kind, of begrip van de rechtmatige grief der vrouw, als een klis bleef hangen aan zoo’n idee.
„Ik weet in ’t geheel niets,” zei hij norsch, kortaf en boos. „Ik weet alleen, dat het mijn tijd wordt voor de inspectie in het hospitaal. Adieu!”
Het was een formeel congé, dat John Silver erg hinderde; men had op de plaats niet de gewoonte hem zoo cavalièrement en uit de hoogte te bejegenen; hij werd nogal ontzien om zijn geld; en na dit gevalletje was iedereen tegen hem in ’t harnas. Onder het naar huis gaan pikirde hij daarover, en hij begreep er niets van, totaal niets. „Wat hebben ze toch tegen mij?” vroeg hij zich zuchtend af.
Het zou nog erger worden.
Vierde Hoofdstuk.
Niet Zonder Reden Jaloersch.
’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed, bingoeng van al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.
Zij had er pleizier van en lachte hem uit.
In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter de stores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.
Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens de plat du jour geweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en niet om kalongs te schieten, maar Arabieren.
Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.
Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch op haar was, kon er niet meê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.....
De controleur zei ’t hem ronduit.
„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”
Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de huishoudster.
Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.
De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.
„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.
„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven. Ga maar heen.”
„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld te verdienen.”
„Misschien later.... nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”
Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt....”
„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”
Hij knikte maar, om van den vent af te komen; de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie inniger had kunnen zijn.
Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie met njai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.
Nu wilde zij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.
„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”
„Het is niet noodig.”
„Zijn ze dan terug?”
„Nog niet; ik heb een soeroean gehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”
Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.
Doch het hielp niet.
In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent” à faire had genomen.
En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.
’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, die kasian met hem had, en ook zoo’n arabieren-fresser was, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.
Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.
De moeder nam een rotan en sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en zij hun adoes uitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het opnieuw met de rotan; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen dreigend. Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun wilde doen.
„O.... Meier.... pardon.... Ik had je niet gezien.”
Vijfde Hoofdstuk.
De In Ongenade Gevallen President.
Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; de njai ging in haar kamer en bergde de rotan op; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog had toegekeken bij de strafoefening.
„Ik had je even alleen willen spreken.”
„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging Silver voort: „Een sigaar?... Niet... ’n sigaret dan... iets gebruiken? ’n glas bier?... ’n brandy soda?...”
Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.
„Er is over die perkara veel gesproken.”
„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten, hier meneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren... wat? één uur?... twee en een half uur; soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”
John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.
„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat het kalongs waren?”
„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”
Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.
„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”
John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep hem immers. Hij deed het.
„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”
John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor een fait accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had hij, zeer ad rem, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”
Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.
„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken... Nou hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ik neem het; vandaag nog.”
Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug onder totoks dikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige sociale raison d’être. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van Hadramaut!
Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.
Het was als een openbare aankondiging van zijn val.
Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit kwam hij niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als begrensd door de pagger van zijn tuin.
De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.
Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, dien njai Peraq tegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.
En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem van njai Peraq, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.
Zesde Hoofdstuk.
Het Vierde Kind.
De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig welletjes.
Nu de baboe hem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en als vragend keek hij de baboe aan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.
„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.
De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.
Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijn njai zich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken op een bankje in den tuin had zitten pikiren, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging heen.
Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.
De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wreken moest hij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.
Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn stroohoed in zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?
Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig, te eenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moeten pikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel maken. Door zijn trouvaille kwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken, weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.
Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.... Nu niet.
Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.
Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.
En zóó bleef het.
Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte, als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.
Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.
Zevende Hoofdstuk.
Adam Wordt Een Knappe Jongen.
Door de eenvormigheid en het eentonige van het Indische leven stapte de Tijd met groote, snelle schreden. Adam Silver werd ’n jongen van zes, zeven jaar; een mooie jongen, slank en sterk gebouwd, met iets ernstigs door het groote voorhoofd, de zware wenkbrauwen en de dikke lange wimpers; njai Peraq was erg oud geworden de laatste jaren; de arabier had zijn handel naar elders verplaatst, Silver liet haar voor wat zij was; dus, als vrouw verwaarloosd, deed zij dat ook haar zelve; zij zag er nu leelijk en vervallen uit; een goede menagère bleef zij; het kon in een huis niet zuiniger en geregelder toegaan dan in dat van John Silver; en zij maakte ook geen onderscheid in de behandeling harer kinderen; Adam scheen voor haar evenveel of weinig als de rest.
Maar hij moest schoolgaan, zei ze, zooals de andere jongens en daar kon Silver niets tegen inbrengen.
„Waarom stuur je hem er niet heen?” vroeg zij.
Hij dacht een oogenblik na.
„Ik wou hem graag meer laten leeren.”
Verwonderd keek ze op.
„Waarom? Is het niet genoeg? De jongens schrijven mooi. Al kan ik het niet zelf, ik zie het toch wel. Zij kunnen heel goed rekenen; als ik hun vraag de rente uit te rekenen van geld, dat ik heb geleend, kunnen ze het dadelijk; zoo gauw, zoo gauw op hun lei,—haast net zoo gauw als een chinees met de balletjes.”
Maar hij glimlachte over haar domheid en schudde het hoofd.
„Het is niet genoeg, tegenwoordig; de menschen worden zoo knap; het is voor Adam niet genoeg.”
„Waarom voor hem niet?”
„Hij is erg pienter.”
Ja; dat vond zij ook; hij kon soms heel wijs praten voor een kleinen jongen.
„Wat wou je dan?”
„Hier niet; hier is het maar een kleine plaats. Ik meen te Batavia.”
Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat residenten en rijke planters hun kinderen naar die scholen te Batavia zenden; maar hij, die zoo zuinig was,—en dan zij zelf, vooral niet minder dan hij op de penning....
„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?”
Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend op de handpalm, in gedachten voortwerkend aan zijn plannen.
„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.”
„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens uit. „Heb ik geen geld genoeg? Zou ik geen jongen...” Een oogenblik hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een jongen van me,” maar dat wilde er niet uit... „Zou ik geen jongen naar Batavia kunnen sturen? Wel, dat is mooi!”
„Mooi... niet mooi... Het kost veel geld.”
„Soedahlah! Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik; hij heeft al ’n beetje lezen geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.”
Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere inlanders al dikwijls op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het hart had gelegen, door haar pure liefde voor het geld, zou zij dadelijk hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls over; zij, altijd met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem was; maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor Adam’s opvoeding.
Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden sobat te Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de zweetdroppels van geestelijke inspanning op het voorhoofd; ten slotte was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich pienter. Er moest, had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de beste school; hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo Europeesch mogelijk worden opgevoed; wat het kostte deed er niet toe.
Toen het antwoord kwam, dat voor alles zou gezorgd worden, mits hij maar doewit zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der geldzaak was zijn minste zorg, die was met een paar korte briefjes, nog denzelfden dag, dien van aankomst en sluiting der mail, in orde.
En eerst daarna zei hij aan njai Peraq, dat alles beslist was; dat Adam met de volgende mail naar Batavia werd verzonden, en de oude mandoer Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog de helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog:
„Waah! zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een opziener blanda.”
„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.”
Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij lachen. Daar waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu ineens wèl voor Adam. En ’t mocht wat! Zij was maar een domme inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het gaf alles niets dan soesah; hoe knapper, hoe meer soesah!
Zoo mopperde zij door, in de goedang en in de keuken, hardop, meteen vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende bedienden; die, in stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de gabah te ontvangen, kokki bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en boemboe, een luie baboe tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom was toean toch zóó gesteld op dien sinjo Adam? Waarom wou hij dàt kind, dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de anderen, en er zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden.
Njai Peraq zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke onverschilligheid tegenwoordig voor alles wat geen geld was, wischte veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend, ook in haar gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer terug naar Silver.
„Hoe moet het met zijn pakéan?”
Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen.
„Dat komt terecht.”
„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet aan boord.”
„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt. Traperdoeli, maar zanik niet.”
De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een akal; hij moest er iets op verzinnen, om weg te komen vóór het vertrek van de mailboot.
Op een avond schudde hij haar wakker.
„Ik heb een brief gekregen. Sta op.”
Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte haren zich uit het gezicht, en haar: apa lagi? klonk als een: vervelende vent, wat mot-je nou weer?
Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort:
„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken een ongeluk gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er dadelijk heen.”
’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men een ander! Doch ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over zulke dingen.
„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n boodschap gestuurd om ’n prauw.”
Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden wind; en hij lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op de zachte golfjes, achterover in een langen stoel den rook van zijn strootje omhoog blazend. Zij had er niets van gesnapt, dacht hij, en dat had ze ook niet. Op de pasar vertelde zij luid, dat mijnheer Silver plotseling naar de perken had moeten gaan, wijl de administrateur heel ziek was.
Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje thuis kwamen; maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere zijde der eilanden; wat gaf men om een onbekenden man?
Achtste Hoofdstuk.
De Knaap Vertrekt Naar Batavia.
Toen njai Peraq haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer Verlande, die met vrouw en kinderen, naar Batavia ging; zij wist wel, dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige bagage van den kleinen Adam bestond uit een boenkoesan katoenen goed in een oude sarong geknoopt; verder had njai Peraq hem netjes aangekleed met een vuurrood kieltje aan, een meisjes stroohoed op met groene en gele bloemen gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan; de mooi gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden opschik, meer van een grooten kermisaap, dan van een kind: de Europeesche passagiers lachten erom.
„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal onderweg wel voor hem zorgen.”
En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg njai Peraq ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de Europeanen ontroerde, en hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat een moeder toch een moeder blijft.
Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit geval; het eerste, wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den jongen meenemen naar haar hut, hem ’t apenpakje uit, en ’n proper broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem zorgen, tot groote vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen en vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim, zonder zich ooit over den sinjo te bekommeren.
En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze nieuwe omgeving, waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar geen tijd voor, de aandacht heelemaal in beslag genomen door de zee, het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande had hij een nooit gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten, slapen, pret maken!
Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind aanvankelijk als in een roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan biologeerden den aan haast volkomen vrijheid gewonen knaap. Maar hij verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam en aan physieke ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten; meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren; hij verslond het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls den neus optrokken, niet omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift door behoefte.
Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, geregelde korte mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op vrije dagen bij haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen. Silver beantwoordde de eerste een enkele maal; hij vond, dat ze als „dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen, dat hij „beleefd” was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met dankbetuiging voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen jongen” of van „Adam,” dàt wisselde hij zoowat om en om.
In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo hij een vroolijk klein kind was geweest in de oogen van John en njai Peraq,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een bijzonderen aanleg bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel; alleen was hij goed van aard; niet lastig of slecht van karakter; vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën hadden gewoed en de school kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam Silver niet; hij groeide tegen alle invloeden rustig en lustig op tot een grooten sterken boy, met op z’n twaalfde jaar de eerste geprononceerde beginselen van een knevel, wat hem van vele medescholieren de achting en de gunst bezorgde.
Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen had geleerd, zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw Verlande bevestigde? Deze vraag had John zich wel honderdmalen gesteld.
En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies zulke stommelingen waren, als die vervloekte Adam.
Indien ’t kind nu toch eens van hem was geweest en niet van dien hadramautschen hond?
Hij had er lang over gepikird; hij had boeken laten komen, waarin hij weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen” te betrappen; het hielp niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, Silver, begreep het niet... Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met njai Peraq, maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend, wat hij bedoelde, en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend: barang kali. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande gekscherend melding maakte van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok hij van! Voor een der verweerde spiegels in zijn voorgalerij bekeek hij door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een van z’n jongens—de oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette hij ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor!
Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn huis als zijn zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en zij schreef erover, dat ze met haar man naar Holland ging,—wel, ze moesten dien vervloekeling dan maar meenemen. Het ging hem wel aan ’t hart, want het zou een „hoop” geld kosten, maar aan den anderen kant was het toch ook aardig en speelde het geheel in ’t spel, dat hij nu al jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was de resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de zekerheid had, dat het doel zou treffen.
Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw Verlande; hij beklaagde zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar, dat, zoo Verlande al goede zaken maakte met zijn aandeelen in landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed ondervond; maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te geven.
En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er ontroerd door. „Het is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot Verlande.
Maar Silver kon hem, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken.
„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil zenden, maar om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.”
Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld te zenden en eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de hoofdzaak was, liet men het erbij. Maar John Silver waren die twee duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met den leeftijd werd hij gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen van vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben behandeld als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop uit moest met de kostelijke twee mille in den zak, om er een gouvernementswisseltje voor te koopen!
Voor geen geld zou hij het njai Peraq hebben verteld; het huis zou een hel zijn geweest, dag in dag uit.
Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor hadden hem geprezen; geen sterveling was meer op de plaats van hen, die er twaalf jaren vroeger waren; niemand wist iets van de oude, bij slot van rekening toch onbeduidende perkara. Alleen stond Silver bekend als een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders, tegen fabelachtige rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van huisjes met recht van wederinkoop. Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze terugbetaling van het geleende geld heette de uitoefening van dat recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was, vooral bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel eens te betalen, en dan waren Silver of zijn njai erbij als de kippen om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit alles was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij zooveel over had voor de opvoeding van een zijner zonen.
Negende Hoofdstuk.
Laaghartige Wraakzucht.
„Wij vertrekken morgen met de Conrad,” schreef mevrouw Verlande later, „en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons geen last aandoen, want hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met het leeren beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken. Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook onze kinderen laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met A.; wij noemen hem altijd enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de groep sturen wij eveneens een exemplaar hierbij. Vele groeten ook van Verlande: wij hopen, dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman na zijn leertijd in Indië zult terugzien.”
Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij dien Verlande zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die pur sang Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven, was zijn opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar eenvoudig maar altijd handelend en goed optreden. De enkele maal, dat hij sprak met europeanen, had hij het altijd over haar; dan blufte hij er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde hij met een gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij iemand voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals hij zich bij voorkeur uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in één adem sprak.
De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij: welk een kerel voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo netjes aangekleed—voor zijn, Silver’s, duiten,—met een rustige, breede bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet wat was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn oogenwit met gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen; hij nam van de schrijftafel, waaraan hij zat, een pennemes en stak in het portret, een kwaadaardigen glimlach om den breeden mond. Daar! daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk, toen er geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over een aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij zitten, telkens met nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot Adam’s vernietiging in effigie voltrokken was.
Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van njai Peraq in de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord en zij wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch rabbelend buiten al, met den deurknop in de hand, ging hij de kamer binnen.
„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik heelemaal niks meer te zeggen? Ik moet het immers betalen!”
„Apa, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in zilver gevatte brilleglazen.
„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.”
Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of Holland,—’t was volgens haar geographisch begrip alles sama djoega. Was John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte?
Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem; hij had ’t voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten wou hebben, maar toch ook ’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem, die de reis nooit gedaan had een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien; bij al zijn omgang met inlanders van allerlei soort, mannen en vrouwen, was hij geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar eigen conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet ingezien, dat voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was geweest, waarop ze geboren werd, over de zee, over de zee was.
„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest aanvullen wat er ontbrak aan woordbeteekenis.
„Soedah, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch zoover weg is om knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den dag, dat ik hem op de boot bracht in zijn mooi rood kieltje. Kasian, wat weet ik van hem.”
John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in; ja, dat hoorde hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar manier er een stil verdriet over. Het was voor het eerst, dat hem dit opviel, en voor geen geld, hoe lief dat ook was, had hij deze gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst stuitte een goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk werd van zijn eigen woorden, zei hij:
„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen zijn.”
Njai Peraq zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende handen, lagen stil in haar schoot op de blauwe en roodachtige kainfiguren, in de eene het half afgezoomde baadje, in de ander de naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren vingerhoed met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t kamertje, met de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige Japansche strooken aan den wand; met tot achtergrond de groezelig witte klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche klokje op de tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor njai Peraq.
Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te loopen over den roodsteenen vloer.
„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun kinderen; daar staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?”
Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „Itoe dia,” zei ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer herkend; tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren geleden, had weggebracht naar den stoomer en de beeltenis van dien grooten sinjo, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange witte pantalon, bestond geen verband; maar de kalme somberheid van den kop en de boeddhistische rustigheid der figuur had, zonder dat ze ’t zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen spreken aan den vader.
En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot haar door; het verteederde haar; het deed haar zuchten keer op keer; het wekte in haar een groot gevoel van teederheid en van verlangen om dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen; dat laatste vooral.
Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd was, dat er tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den grooten mond strak naar binnen trokken.
„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo erg ver. Als hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier kunnen laten komen. Nou hebben ze hem mee naar Europa, en komt daar niks meer van.”
„Hoe?” vroeg njai Peraq, die maar half geluisterd had.
„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.... God weet hoelang.... Je kunt zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.”
„Als wij willen.”
„Hè? Wat willen?”
„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.”
„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol goud, zou het nog gekkenwerk wezen.”
„Zullen we dan Adam nooit terugzien?”
„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij met leeren klaar is.”
„Hoe lang?”
„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan misschien maar kort, en anders lang.”
„Mag ik het portret houden?”
Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te zetten en op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond, en hij dan bij gelegenheid dadelijk het bewijs kon leveren voor de goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte, tusschen hem en de familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind” voor den neus te hebben, was te erg.
„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt...”
Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het portret haastig weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met roode banden, waarin achter een chubb-slot meer waardvolle dingen verborgen werden.
Tiende Hoofdstuk.
Teleurgestelde Verwachtingen.
Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een warme broeiige temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een benauwende nevelatmosfeer van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine tafeltjes tegen de witte welvende muren, door aankomende schilders met schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende sigaren onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de rijen in, haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren geldtaschjes om het midden door de witte sloven; nu en dan, als er een gast kwam of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene zwaarwollen tochtdeur naar binnen; het ineenloopend geluid van stemmen, allerlei dooreen, tusschen het drinken; het flauw worden van het drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig worden en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd geroep der kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat, half!
Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen hadden tweemaal zooveel drukte en geluid gemaakt.
De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de trap; gestommel en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur; een luidruchtig troepje opgewonden, jolig jong volk, met roode gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een bons de groene deur binnen.
De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren, uit Leiden naar Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat achterlijk in hun studie, maar vooral met niet minder allures en brutaal optreden en met geld in den zak; de meesten uit Indië, donker van tint, met een groot vertoon van levendigheid en opgewekt zijn.
Zij waren nu heel erg uit op hun manier; ze bleven later dan hun permissie; ze zaten een uur heel hard dooreen te schreeuwen in den bierkelder, de dikke stokken omhoog, de kleine hoeden achter op de hoofden; en ze goten zich het bier in uit de groote glazen, met airs van beproefde kneipers, schots en scheef op de stoeltjes, de buiken vooruit, de vesten ’n beetje opgestroopt, stukken overhemd er tusschen uit over den broekband.
De bedaardste aanvankelijk was Adam Silver; hij deed wel mee, maar zonder enthousiasme; het hinderde hem nog, dat hij op dien tijd niet was, waar hij moest wezen: het instituut, waar hij interne was.
Want de Verlandes hadden hem wel eerst bij hen aan huis genomen, maar zij zagen zich in één verwachting teleurgesteld: het koel klimaat van het Westen hielp Adam zoo min aan vlugheid en aanleg, als aan lust tot hard werken; hij kwam wel wat vooruit, maar heel, heel langzaam; elk jaar minstens doubleerend. Alsof het bij wijze van compensatie was, zoo ontwikkelde hij physiek; het ging niet, dien grooten, zwaren kerel, lichamelijk met zijn zestiende jaar heelemaal een man, op de banken te laten zitten der gewone bijzondere scholen, tusschen jongetjes van tien, elf jaren. Verlande wanhoopte aan hem en was telkens boos; mevrouw had kasian maar toch ook een zwaar hoofd in de toekomst.
Hij moest weg naar een onderwijsinrichting met internaat; dan waren zij van een even noodelooze als vrijwillige verantwoordelijkheid af. Maar ze aarzelden, want ze hielden van hem om zijn goedheid en meegaand karakter. Tot één omstandigheid besliste. Adam had het werkmeisje tot „speelmakkertje” gekozen, en daar kon de familie niet tegen!
Zóó was hij dan nu op een soort kostschool; had, omdat hij al „zoo’n kerel” was, verlof gekregen tot negen uren uit te gaan, en zat, veel later al, in ’n bierkelder met ’n troepje jongelui; zijn wroeging verdronk in het bier, dat hem naar het hoofd steeg; hij werd óók luidruchtig; zij liepen den kelder uit, naar café’s toe, grog inslikkend na het bier; en eindelijk, toen ze allerlei gelegenheden bezocht hadden, dronken en opgewonden, kwamen zij „in aanraking” met de politie.
Adam werd ’s morgens door het hoofd van het instituut afgehaald om zijn eersten jeugdigen kater thuis te brengen; hij kreeg straf en een boetpreek, en daarmee was het op school wel uit, maar niet in zijn hart, dat hunkerde naar meer uitgaan en „jool” hebben. De herinnering deed hem bij zichzelf glimlachen; hij moest daar meer van hebben; en wel wist hij niet hoe dat aan te leggen, eerst, maar bij het wederzien van ’t vroolijke clubje, bracht men hem dat wel aan ’t niet vlugge verstand.
Zij vonden, dat hij zich moest laten gelden, dat hij meer zelfstandigheid aan den dag moest leggen; „wâ-bliksem,” hij was geen kind! En zij vloekten erg flink, als vertoon van eigen groote zelfstandigheid. Hij moest niet schrijven naar Indië; hij moest maar „beren” maken, die zouden zelf wel aan „de-n-ouwe” schrijven om duiten. Adam vond dat wezenlijk goed gedacht; hijzelf, van nature zonder streken of listen, zou nooit op zoo iets zijn gekomen; uit den mond zijner vrienden klonk het hem als bezonken geleerdheid; hij zou toch niet tot een universiteit toegelaten worden en promoveeren; hij zou nooit aan de Delftsche academie komen en ’t groot ambtenaarsexamen doen; ook zou hij zelfs nimmer op een hoogere burgerschool of een gymnasium gaan en eenig eindexamen doen. Och, wat was dat nu? Er kon, dat besefte hij, geen quaestie van zijn, dat hij ooit eenig examen deed of daar moesten er worden ingevoerd in het bier drinken, rooken en de meisjes naloopen. Dàt kon hij uitstekend.
Hij trok het zich niet aan, overtuigd dat hij ’t niet helpen kon. Het was nu eenmaal zoo. En dan, hij zou immers op het land gaan werken, zooals zijn broers deden; keerde hij terug naar Indië, dan behoefde hij niet bepaald „een betrekking” te hebben. Zijn vader was rijk, dat hadden de Verlandes gezegd. Nu moest hij nog praten met den directeur der school: hij moest meer vrijheid hebben. En toen hij daarmee aankwam, keek die hem eens aan, en schudde het hoofd; och, hij mocht hem wel; precies als iedereen, omdat het zoo’n goeie, aardige vent was; ook had hij het indische geld zoo lief als een Nederlander het slechts hebben kan; maar de reputatie van zijn instituut was hem nòg liever, en hij zag heel goed in, dat die bij Adam Silver niets te winnen had.
„Heb je daar al over gesproken met meneer Verlande?”
„Neen,” zei Adam. „Ik dacht niet dat het noodig was.”
„Dan zal ik het wel doen.”
De directeur deed het, maar heel anders; hij proponeerde voor Adam ergens bij een familie een kamer met pension te huren en hem dan privaatlessen te laten nemen in het instituut.
Verlande dacht erover na.
„Zou er iets van hem terechtkomen?”
„Bedoelt u door studie?”
„Ja, natuurlijk!”
„Zoo heel natuurlijk vind ik dat niet; mijn knapste leerlingen kwamen niet het best terecht. Maar als u bedoelt of hij door studie in de gelegenheid zal komen carrière te maken, dan: neen, stellig niet!”
Daar Verlande’s jongens het heel goed maakten, vond hij het verschrikkelijk.
„Zijn ouders zijn immers zeer gefortuneerd?”
„Dat wel. John Silver heeft aardig geld.... Bovendien, Adam kan op het land werken.”
„Zoo heb ik ook gedacht. Al maakt hij hier dus een beetje pret, dan kan dat geen kwaad; hij is physiek zoo sterk als hij intellectueel zwak is en toch heeft hij een goed verstand; geen vlug, geen geoefend.... Ik, die zooveel en zoo verscheiden jongens onderhanden krijg, heb over dien Adam nagedacht. Weet u wat ik zou zeggen?”
„En?”
„Dat hem zekere erfelijke aanleg ontbreekt, zooals dat met kinderen het geval moet zijn uit geslachten, die nooit iets aan leeren of studeeren hebben gedaan.”
Verlande, die de geschiedenis kende, dacht aan njai Peraq, van huis uit houdster van ’n warongje in de kampong, en aan den grooten arabier, die niets kende dan ’n paar koranspreuken en deftig buigen. Zelf een njo werd hij gauw wantrouwend tegenover pur sang europeanen, en hij dacht eerst, dat die „schoolmeester” de klok had hooren luiden en nu eens wilde vernemen waar de klepel hing, maar hij zag wel dadelijk aan de heele gezichtsuitdrukking, dat hij zich vergiste.
„Weet u een geschikte gelegenheid voor hem?”
Doch ook die verantwoordelijkheid werd niet geaccepteerd.
„Het beste zou zijn.... een advertentie.”
’t Was erg gauw in orde!
Toen Adam het hoorde was hij dolblij. Van den kostjongen werd hij nu ineens een soort van student, een heer, want hij en al z’n vrienden waren het daarover eens, dat ’n jongmensch op kamers wonend en buitenaf les krijgend een heer en een student was; ’n universiteit, nu ja, dat was eigenlijk maar ’n bijzaak, waar men, om student te zijn, best buiten kon.
Hij „betrok” zijn kwartier, een eenigszins ouderwetsch met second hand’s goed gemeubelde kamer, in een prettige buurt en bij vriendelijke menschen, wier eenig doel al spoedig bleek hem lang te houden, omdat er zoo goed voor hem werd betaald. Wat hèm ’t best beviel, was de vrijheid; de groote vrijheid van te gaan hoe en waar-je-wil en te doen op je eigen kamer, wat-je-wil.
Het was wel koud, maar hij schoof een der ramen hoog open, en ging ervoor zitten, de armen op de vensterbank, een lange sigarenpijp voor hem uit buiten het raam, loerend naar de vensters aan den overkant, of er ook meisjes waren tusschen de schuine overgordijnen en achter de horretjes, boven of in de benedenhuizen, bij de étalages van mode- en toiletartikelen, pleizierig gestemd de drukke buurt overziend; het gejaag van bezige menschen met haast langs den weg; het hard trappelen van mooie glimmende equipage-paarden en het sleurig opbonken van doffe vigelantenknollen. Het was heerlijk, vond hij, dat alles te zien van zijn eigen „kast,” en niet meer in die ellendige kamer met vier bedden in het instituut als gevangen te zitten met drie kwajongens, die haast al hun vrijen tijd doorbrachten met den neus in de boeken; niet meer te hebben, dat voor hem èlken dag wederkeerend pijn-in-den-buikachtig gevoel van een les overhoord te zullen worden, die men niet kent, van vragen te zullen hooren, die men niet kan beantwoorden; van werk te moeten meemaken, dat men niet begrijpt en dus onvermijdelijk fout maakt.
Elfde Hoofdstuk.
Onaangename Brieven Uit Holland.
De mail had drie brieven meegebracht voor John Silver; het waren er twee meer, dan hij ooit uit Holland had ontvangen. Wel ontving hij „kabar” van de Verlande’s zoo nu en dan, en hij wist dus ook welke maatregelen zij hadden genomen,—nu, dàt was hem onverschillig,—maar met andere menschen in het Westen briefwisselde hij niet. En daar lagen nu vóór hem twee dikke brieven, geen prijscouranten of prospectussen, want die waren in open couverts en met drukwerk-postzegels er op; neen, ze waren goed dicht en met briefport gefrankeerd.
Het waren Adam’s beren, die voor de eerste maal bescheiden en beleefdelijk brulden in het Oosten.
In het eerst snapte John het niet; hij zat eenigszins sufferig te kijken op die groote enkel-vellen papier, en las de reusachtige hoofden met afdrukken van koninklijke wapens in het midden, zag de groote versierde aanvangsletters der firma-namen, en aan beide hoeken opsomming van alles wat in de magazijnen te krijgen was, en dan op een regel in geschreven schrift „WelEdelGeboren Heer; en vervolgens de mededeeling, dat zekere WelEdelGeboren Heer Silver te ’s Gravenhage debet was aan.... wegens aan ZWEdG. geleverd als volgt...”
Nog nooit had John Silver zoo iets gezien; wat hij noodig had, kocht hij al z’n leven lang op de plaats zelf in de eenige Europeesche toko of bij den chinees, en daarvoor kreeg hij eens in de maand een rekening op ’n gewoon velletje blauw gelijnd papier, met twee roode dwarslijnen voor de guldens en de centen. Welk een geurmakerij zoo’n Haagsche rekening! En dan die „WelEdelGeboren Heer”; dat was Adam!.... Adam!...
Toen zijn eerste verbazing over was, schoot hij in een lach!
Wel gévédé! dat was toch sterk! Adam, dat „hondenkind”!
Maar hij nam de rekeningen weer op, en keek ze door, bedaard en ernstig. Het was onmogelijk; in zijn heele leven had hij, John Silver, zooveel jassen, broeken en vesten niet gehad, als die Adam in een paar jaren; en dan die andere, de groote, voor wijnen, dranken, sigaren,.... er stonden zelfs woorden op die hij niet kon uitspreken of begrijpen!
Ja, de begeleidende briefjes—nu, dàt snapte hij gemakkelijk genoeg; men maande den Hoog WelGeboren Heer John Silver aan om het debet van den heer Adam Silver te voldoen. Ten naasten bij twee duizend gulden! Brutaalweg de mededeeling erbij, dat als niet binnen zes maanden de rekening was voldaan, de kerels rente gingen berekenen.
Dan sprak men nog van woekeraars in Indië! Als hij ’n jas noodig had, kocht hij ’n stuk wit of ander goed en liet het maken bij den chinees; en daar stonden op die rekeningen enkele jassen tot prijzen, waarvoor hij er een dozijn had!
Wat een afzettersboel toch in dat Holland! Bij de tweeduizend pop!
„Kom eens hier!” riep hij hoog en scherp tegen zijn huishoudster, die hij hoorde op de galerij. En toen zij binnenkwam: „Dat is me een gladakker, die meneer Adam! Dat is me een toean besar, hoor! Wel gévédé!”
Zij schrikte ervan; in lang had ze weer niets van den jongen gehoord en ze dacht voortdurend aan hem, hoe langer hoe meer, maar ze durfde niet vragen; ze had wel gevoeld, dat er iets niet in den haak was, dat Silver iets in z’n schild voerde en veel te bijzonder was ten opzichte van dat kind. Nu scheen hij weer heelemaal gek geworden; nu schold hij hem voor een „gladakker” en noemde hem tevens een groot heer.
„Wat is er?” vroeg ze.
„Wat er is: hier, hier!” riep hij, haar de rekeningen met de eene hand voor het gezicht houdend en met de andere erop slaande, dat het velijn papier trilde en knetterde: „Hij maakt schulden! Dat draagt jassen, ja, van tachtig gulden; dat drinkt fijnen wijn en rookt havanah sigaren; dat speelt in Holland den toean besar. En mij sturen ze hier in Indië de rekeningen om te betalen. Zoo’n satansch honden....”
Silver schrikte van zijn eigen vervoering, ineens ophoudend.
„Is hij gezond?” vroeg njai Peraq.
Daar stond Silver van te kijken. Zij, zij, die het geld zóó liefhad, die zoo gierig was, dat hij zelfs nooit had durven zeggen, wat hij maandelijks uitgaf voor dien Adam,—zij maakte geen misbaar, toen hij het groote bedrag genoemd had; het was alsof het niets was.
„Stik!” zei hij in ’t Hollandsch en ging de kamer uit.
Het was waarachtig te erg! Onderaan de rekeningen was met een slordig schrift iets gekrabbeld; als men goed keek; zag men, dat het een voor-accoord-verklaring was, onderteekend: A. Silver. Wat ’n gemeen schrift! De minste djoeroe-toelis kon het netter. En dat had zooveel geld gekost! Enfin,—’t kwam wel alles terecht; hoe meer hij nu genoot, des te beter.
Toen hij zich dáármee had verzoend, kwamen andere overwegingen. Want hij had nu wel opgespeeld over het geld, en zijn haat eens gelucht—maar het zou hem nu niet hinderen, al betaalde hij het nog tienmaal; het liep financieel toch alles mee in den laatsten tijd.
Er was iets aardigs in, vond hij; iets aardigs, dat die Haagsche tokohouders hem voor zoo’n groot heer hielden en hem zoo hoog betitelden. Het streelde zijn ijdelheid. Dat pleizier had hij er dus bovendien nog van! Natuurlijk zou hij de duiten sturen; niet om dat „hondenkind”, maar om zijn naam; die daar zoo’n goed figuur maakte achter het klinkend praedicaat.
„Ik wou wat zeggen,” zei njai Peraq bij hem komende.
„Wat is het?” vroeg hij norsch.
„Als je het geld voor Adam misschien liever niet betaalt, zal ik ’t wel geven van het mijne.”
„Wat jij? wat jij?” riep hij kwaad. „Denk je, dat ik zelf niet kan betalen? Daar heb ik jou niet noodig voor.”
Zij sloeg, nu ook uitvallend in toorn; met de hand op de tafel.
„Wel, schreeuw dan zoo niet? Ben je een gek? Ben je een beest? Maakt een mensch zulk een leven als hij moet betalen voor zijn eigen kinderen?”
Zij bemerkte niet in haar opkomende boosheid, wat zij trotseerde; haast werd het hem te machtig; het was de vrees voor haar, die ten slotte sterker was dan zijn opwellende drift; dáárom zweeg hij, schoon zijn ingevallen borst van groote aandoening zwoegde.
Kort en daardoor uit de hoogte, waren zijn briefjes aan Adam’s crediteuren; maar de wissels staken erin en hij schreef erover aan de Verlande’s, want op den brief van Adam wilde hij niet antwoorden; hij had dien al met tegenzin geopend en met diepe minachting voor het slordige adres; de aanhef: „Waarde vader” bracht hem geheel uit den koers; hij dacht een beroerte te krijgen van kwaadheid; hij verscheurde den brief ongelezen; neen,—betalen zou hij, maar daarmee uit; zich door dien welp van zoo’n smerigen arabier, „vader” te hooren noemen, en diens brieven te lezen, dàt was hem te machtig; dàt verdroeg hij niet.
„Heeft het kind niet geschreven?” vroeg zijn huishoudster.
„Het kind... het kind... ’t is waarachtig een lief kind!”
Zij schudde er het hoofd over. „Ik kan hem niet anders voor mijn oogen krijgen, dan als een kind.”
„Nou, maar ik dan wèl, hoor, en voor mijn portemonnaie ook!”
„Schrijft hij nooit?”
John Silver lachte hoonend.
„Ja hij zal nog schrijven!” loog hij ontwijkend. „Denk maar niet, dat je ooit een brief van hem zult krijgen.”
„Ik niet. Wat zou ik er aan hebben? Ik kan het immers toch niet lezen. Maar waarom schrijft hij niet aan jou? Doet hij het niet? De mandoer, die naar het postkantoor is geweest, zei, dat er drie brieven uit Holland waren; de rekeningen waren maar twee....”
„Een was van mevrouw Verlande,” loog hij.
„Vertelde zij niets over hem? Je was kwaad, toen ik vroeg of hij gezond was. Mag een moeder niet meer vragen of haar kind wèl is? Begrijp je dat niet?”
„Ik was kwaad om dat geld. Zeur toch niet, hè? Is het misschien nog niet genoeg, dat die rakker me zooveel duiten kost? Moet jij me nu nog vervelen met je gezanik?”
„Ik vraag enkel maar of hij gezond is en je wilt me niet antwoorden; je zegt maar zoowat... zoowat... je spreekt altijd maar kwaad van hem... Wat is een vader; die zijn eigen kind haat?”
Zij speelde hoog spel; ze was zich daarvan volkomen bewust; ze wilde eindelijk weten of haar vrees gegrond was; ze had hem straks aangekeken, toen ze nadruk lei op het anaknja sendiri, en zij had zekerheid! nu was het haar volkomen helder, nu wist ze, dat hij vermoeden had van de waarheid.
Want toen ze hem die woorden als in het gezicht wierp; haar groote goedige oogen recht op de zijne en haar gelaat rustig, onverstoorbaar in het volle licht, de trekken onbewogen als een Vishnoe; was het hem of hij het ondersteboven ging; hij voelde, dat hij hevig ontstelde en dit te zien moest wezen aan z’n gezicht; hij stamelde een paar losse woorden, die hij zich een minuut later niet meer herinnerde; hij trachtte minachting te veinzen voor haar gepraat, en ging heen, den tuin in, als een dronken man.
Het was verschrikkelijk! Had zij zóó kunnen wezen, als het waar was, wat hij nu al zooveel jaren vast geloofde? Kon zoo’n gewone inlandsche vrouw zóó brutaal, zoo verregaand, zoo onovertroffen listig en bedriegelijk zijn, als zij had moeten wezen om hem met zulk een gezicht en op zulk een toon dat „eigen kind” naar ’t hoofd te gooien? En toch... Neen, het was geen zoon van hem; het kon er geen zijn! Dáár, dáár kwam er een aan, van het land, op z’n bloote voeten, de slaapbroek opgestroopt, en ja, dat was nu een dikke vette kerel geworden net als njai Peraq met heel veel in figuur en gezicht van de moeder, maar toch zag men in één oogopslag, dat het ’n kind was van hem, John Silver. Daaraan viel niet te twijfelen.
Maar ’t hielp niet of hij al redeneerde,—hij kon de manier niet vergeten, waarop ze hem dàt had gezegd; het was terlaloe! En elk oogenblik van den nacht en den dag, zag hij haar weer in die groote kalmte, die geloof opdringt.
Het werd een idée fixe; uren kon hij voortaan stil zitten pikiren, met de hardnekkigheid van een lijder, die denkt aan zijn ongeneeslijke kwaal, die geheel erdoor wordt in beslag genomen en ten slotte over niets anders haast meer denken kan, dan zijn kansen van levensduur.
Twaalfde Hoofdstuk.
Een Mislukt Jongmensch.
Adam pikirde niet. Binnen de drie maanden had hij al beleefde brieven van zijn leveranciers, dat zijn papa geremitteerd had; zij waren erover uit; zij recommandeerden zich. Crediet? Wel als ’t ware ongelimiteerd! Juist dat korte briefje van John Silver had zoo’n effect gemaakt samen met het geld. Het leek zoo uit de hoogte en dat had imponeerend gewerkt. En Adam, die wel ’n beetje bang was geweest al dien tijd, leefde heelemaal op. Dien dag gaf hij er de privaatlessen aan, waarvan hij toch al zoo weinig profiteerde, bestelde hij van alles wat hij noodig had, niet mondjesmaat, maar op de royaalste manier, onthaalde zijn vrienden op zijn kamer, tot ze in gloeiende toasten het bewijs van hun lichtbewogenheid gaven, en nam zich voor Nora Tiele serieus het hof te maken. Nu „de oude” zich zóó royaal toonde en zelfs niet mopperde, was het toch waar, wat hij al zoo dikwijls van anderen had gehoord; dat de Silvers wezenlijk gefortuneerd waren.
Welk bezwaar had het dan in, dat hij Nora vroeg, den een of anderen dag? Een positie... neen, zelfs geen idée van ’n kans daarop. Maar waartoe ook? Een fortuin was beter. Wie dàt kon aanbieden, zou men toch zeker niet naar een armzalig „baantje” vragen!
Den ochtend na zijn feestje, dat hij de eerste overwinning zijner beren noemde, werd hij zeer berooid wakker; bij het kwartlicht van een donkeren regenochtend, zag hij hoe beestachtig zijn kamer er uitzag, hoe wanhopig zijn oppasser het stond aan te zien; hoorde hij hoe kijvend de stem van zijn hospita op het portaal klonk, waar zij stond uit te cijferen, wat Adam haar moest betalen voor het bederven van karpetten, tafelkleeden en gordijnen door wijn- en andere vlekken.
Het leek hem alles met een grauwgrijs overgoten, wat hij hoorde als wat hij zag; in zijn warm hoofd bonsde het met groote regelmatigheid; droge mond en rauwe keel eischten water en lucht; zoo guur als het was, gooide hij de ramen open en hield zijn gezicht wel een minuut lang in het water van een lampetkom; de oppasser was intusschen bezig met het opruimen van glazen, flesschen en de rest.
Langzamerhand kwam er weer orde en frissche lucht in de kamer en grooter genietbaarheid over den persoon van Adam. Wel zagen zijn oogen rood en was zijn gezicht wit toen hij geeuwend, huiverend en rekkerig voor het open venster ging zitten, geheel gekleed nu; wèl smaakte hem de sigaar niet, en wierp hij die weg, op de straat,—maar hij knapte toch op, en genoot van zijn kop thee, toen het binnentreden van een dame hem verschrikt deed opstaan; het was mevrouw Verlande.
Zij zag er nog heel goed uit, al was ze de veertig voorbij; zoo goed geconserveerd, zoo vlug en veerkrachtig, met frissche blozende kleur, relief gevend aan het blauw en blond van oogen en haar, dat ze had kunnen doorgaan voor tien jaren en meer, jonger. En hij, Adam, opstaande tegenover haar, in de vroegrijpheid zijner physiek, een volwassen man.... Mevrouw Verlande snapte ineens de nooit gedachte mogelijkheid, dat er voor de wereld iets geks kon zijn in een ochtendbezoek van haar aan Adam Silver; aan den kleinen A. het roodkieltje!
Eenigszins bedremmeld keek zij rond, ruikend de alles doortrokken hebbende kroeglucht van sigaren en wijn; aan den wand floretten, sabels en schermmaskers; op de tafel en den schoorsteenmantel portretten van min of meer gekleede „tingeltangelinnen”; de penantspiegel geflankeerd met duitsche pijpen,—en tegenover haar die groote, zware kerel met z’n donker uiterlijk en aankomend baardje. Was het mogelijk?
„Hoe maakt u het?” vroeg hij goedig en eenigszins onthutst een stoel aanschuivend: „Gaat u zitten.”
„Heel goed, dank je... Neen, ik ga niet zitten... Ik moet weer dadelijk heen. Je pa heeft geschreven.”
Daar zweeg hij op, knikkend enkel met het hoofd.
„Dat gaat zoo niet.”
„Waarom niet?” vroeg Adam glimlachend.
„Wat moet er op zoo’n manier van je worden A.? Je leert haast niets meer, en... en eigenlijk weet je nog niks.”
„Pa is immers rijk. Laat mij nu maar wat pret hebben hier, zoolang het duurt.”
„Zoolang tot het je pa verveelt, en wat dan?”
„Dan ga ik naar Indië, werken op het land.”
„Het is wat moois! Dáárvoor heb je dan zooveel geld gekost en een opvoeding in Holland genoten.”
„Ik kan ’t niet helpen, mevrouw; ik geloof niet, dat ik zooveel dommer ben als de rest, maar ik kan niet leeren, niet onthouden, dàt is het.”
„Malligheid, je geeft je geen moeite, je bent lui.”
„Ja,” zei hij met overweldigende openhartigheid. „Dat is waar, ik ben lui, het is ongelukkig.”
„Als een jongmensch zich beteren wil, dan kan hij ook.”
„Dáárvan niet, mevrouw. Geloof me, ik wilde wel, dat het anders was; maar als ik een boek in handen neem en ik span me vijf minuten in... in...”
„Dan?”
„Dan val ik in slaap.”
Zij moest erom lachen. Neen, ze wist het wel van vroeger, dáár was niets tegen te doen! En ze nam hem nog eens op, dien brute, van top tot teen, wiens stoffelijk bestaan zulk een scherpe tegenstelling vormde met zijn geestelijk. Maar tegelijk dacht ze eraan, dat ze niet langer kon blijven.
„Probeer het, A., en maak geen schulden; dàt is altijd slecht; het behoeft immers niet, want je hebt zonder dat van alles voldoende; meer dan de meeste andere jongelui.”
Hij beloofde zijn best te zullen doen, wijl zij het graag had; maar hij dacht er in ’t geheel niet bij, meer beziggehouden door het geklop in z’n hoofd, dat opnieuw en erger was begonnen.
Toen ze hem de hand reikte, nam hij die, en wou, net als hij van ouds gewoon was, toen zij hem als kind met de andere kinderen te bed lei, haar ook een zoen geven. Maar zij trok zich snel terug en liet haar voile neer, niet willende laten zien, dat ze een kleur kreeg. Drommels neen, dat ging niet, vond mevrouw Verlande; zij was niet oud genoeg om zich door zulk een jongen man op diens kamer te laten kussen, al had ze hem ook als kind op den schoot gehad.
Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon. In al zulke zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip. Integendeel, daar had hij een scherp oog voor, als iets hem zelf betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid.
Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te beteren. Nu ja, schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft, die ’t betalen kan en wil. Maar zoo gelukkig was hij immers! En in den loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect der vermaning van mevrouw Verlande.
Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen de talrijke flaneurs, had hij volkomen het air van een deftig jonkman, door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand, die iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe hij doen zou met Nora Tiele.
Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel meisjes uit de kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe ook sommige vrienden behoorden: deftige menschen met mooie betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone geschiedenis. Hij kon in die kringen meisjes à prendre vinden bij dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen; dáárom was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook; die hem bijzonder graag mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil niet beneden zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel met zijn goedige zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer naar hem keken, dan ze luisterden naar de praters; doch als het niet gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde hem koopjes te geven; als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret maken of de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee.
Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó het hof maken, dat hij fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand vragen aan haar vader? Zij trok hem aan, heel sterk; hij verlangde er dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen..... och, dat laatste niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel uit gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als liefdebetoon niet; dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo pikirde meende hij, dat het verkeerd was zich te haasten, hij kon het wel plan-plan aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen; dat zou best gaan; dan bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor één, die hij kon aanvoeren.... Hij drukte op den belknop in de deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen.
Dertiende Hoofdstuk.
Een Voorzichtige Moeder.
De oude heer Tiele, recht en mager als een liniaal, de grijze bakkebaarden in punten omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend gezicht, heelemaal geen face haast, met overdadig profiel als een vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk aan, ’n welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd behoord tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst respectabele maatschappelijke positie gehandhaafd, maar daar hadden ze dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk. Nooit was er ook maar eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten achtereen was het altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu was over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die Adam Silver, die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen zijn, het kind eener inlandsche vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche begrippen aan alles is wat uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij zou zelf eenmaal rijk zijn.
En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk dat fortuin zou trouwen... Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde Adam in de verste verte niet, dat hij bij de Tiele’s reeds als toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren zin de grondslag was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam niet bij hem op.
Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te klein voor het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van de huisvlijt der dochters, die met tapisserie, of smaak- en schilderwerkjes wonderen deden, de onoogelijkste houten geraamten omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door het overtrekken met zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes. Alles lief, aardig, honneponnig, snoezig!
Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid der ouderen, waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen kon hooren rammelen,—zat Adam Silver in het koude licht van den zonloozen herfstnamiddag als een pagode, moeilijk met zijn breedte op een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand, den hoed op een voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met de meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo dicht bij Nora zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte handjes, raakte hij erger op haar verliefd; zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te meenen, zonder reserves, met gereede plannen.
Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg haar uur en plaats, en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het gewone wandelterrein van iedereen. Adam kon niet zeggen, dat ’t hem meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen, en al aarzelde hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was, dacht hij weer anders.
Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn voorbarigheid.
’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere meisjes liep; ’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en kennissen elkaar rendez-vous hadden gegeven.
Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar veilig aanspreken en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou dadelijk een praatje van „engagement” de ronde hebben gedaan.
Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even stilstaand voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend. Zelfs de oude mevrouw Tiele sloot zich aan en op een gegeven moment kon Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan, wijl de familie huiswaarts keerde.
Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat het zoo gek gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij hem, buitengewoon lief en aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar en wanneer, dacht hij aan heel iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak, precies eender had kunnen zijn.
Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat Adam Silver haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek bedenkelijk.
„’t Is wat haastig,” zei ze.
Nora vond dat eigenlijk ook.
„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit....”
„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.”
Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver „serieus” moest worden!”
„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor hem.”
„Maar ma!”
„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over hem... Ik weet het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast zeggen.”
„Hij is niet demonstratief...., dat mag ik juist in hem.”
„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel verandert,—verliefde jongelui blijven altijd dezelfden; men kan het hun aanzien; aan hem merkt men haast niets.”
„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets is akeliger dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo jong als hij is, is hij daar teveel man voor.”
„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben. Er is zoo’n tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij weinig heeft geleerd; zóó weinig, dat het beschamend is; hij heeft zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij u aanziet met zijn groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst, dan maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.”
„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen indruk door haar scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven. „Het is waar, ma; God, wat hebt u hem geobserveerd.”
„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht steunend met de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren, vrijmoedig, kalm, als met een vorstelijke waardigheid. En het is geen poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het is de aard van zijn heele wezen. Dan zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch houden, en als men hem kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo dwaas.... Ik kan er niet overheen komen.”
„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter zoo, dan dat hij er een onnoozel uiterlijk bij had.”
„Maar hij is niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij dat hier begrijpen, hij heeft een je ne sais quoi...”
„Dat niet in zijn nadeel is.”
„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig geweest.”
„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik wilde het ook niet. Ik houd van hem, meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist om wat u daareven zei.”
„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven, laat staan de hand.”
Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl had ’t hem genoegen gedaan, dat hij zich nu niet had moeten „afficheeren,” maar het rendez-vous, dus verloopen, had toch zijn ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat ervan, ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal, zooals hij in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig was onder vrienden, en als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet onder te doen.
Veertiende Hoofdstuk.
Een Onaangename Verrassing.
Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de tafel, waar hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd uitgebreid; goede wijn volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s nachts thuis kwam en uit gewoonte zijn kamer en zijn bed vond, moê en duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed.
En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op zijn toilet een brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die schreef altijd keurig, maar met een slordige ruwe hand aan hem geadresseerd.
Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de handteekening: „Bram Silver” wees hem den weg. Het was dus een brief van zijn broer, den eersten, dien hij ooit in z’n leven had ontvangen. Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer of z’n ouders, maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude heer is al lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die ziekte zóó toe, dat hij er suf en malende van geworden is. De dokter zegt, dat pa een idée fixe heeft, en er iets is, waarover hij altijd tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt. Het eenige wat hij uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij maar door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en zegt: Adam, Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa, brachten den dokter op het idee, dat het misschien goed kon zijn, als jij hier waart. Daar je toch in Holland niets omhanden hebt en dus best komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan mijnheer Verlande, die voor het geld en zoo zorgen zal.
Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg achteruit gegaan en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld verloren. Enfin, dat komt terecht. Hopende je spoedig hier te zien.
Je toegenegen broer Bram Silver.”
Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief gelezen had, op den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had altijd geweten, dat hij naar Indië moest; dat er een eind zou komen aan het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had daar zelfs meer dan eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas kwam; nu bleek het ermee ernst te zijn als met den dood, die ook iedereen weet, dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand, als hij komt, ook maar in het minst is voorbereid.
Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging niet; hij kwam niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem eigenlijk niets. Van vader, moeder, broers, zusters, eigen woning aan de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets, niets! Het lachte hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen beschouwde hij, een echten totoh gelijk, eigenlijk als een graadje minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er nu en dan een ontmoette bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer gevolg gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de kennismaking voort te zetten.
Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat overweldigend veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat moeilijke en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij zich, ontbeet als machinaal, en ging de deur uit, regelrecht naar de Verlande’s.
Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den namiddag, en ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht.
„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord zijn.”
En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval niets begreep, en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd wordt, moest hij in zichzelf lachen, en deed met opgetrokken wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar.
„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.”
„En Indië is een goed land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk.
Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een njo, was nergens liever dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n pur sang Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië.
„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik nog.”
„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort... „Maar laat ons geen gekheid maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn uitrusting hebben.”
Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den leverancier zich de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem meenam naar het kantoor, bleek het, dat er nog dozijnen dingen waren, die hij noodig had en zich moest aanschaffen; Verlande maakte er een lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen; doch hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van ongewone drukte, dat hem bingoeng maakte.
En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó maar weg gaan; hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger, buiten haar tegenwoordigheid; hij had de sterke overtuiging, dat hij zich aan haar declareeren moest en er ook over spreken met haar vader. Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren, in Indië en bij zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij, Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw.
Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder vier oogen en met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen vertrek.
’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere lucht; het speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn, en niet maar liever de eerste gelegenheid de beste had aangegrepen. Nora was erg ontsteld, met een gevoel nu, dat zij doodelijk was van Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig over de „flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had gevonden.
Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan worden aan Adam’s verzoek; het was een drang in die richting, als wilde men hem met Nora een apartje geven in haar slaapkamer. Zóóver kwam het wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen en een uurtje weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde, „de kogel wel door de kerk” zijn.
En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en wat hij, in verband daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich daarnaar, zoodat van haar blanken hals veel te zien was; van voren vooral.
Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd; hij ook; de omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn gewone, rustige kalmte glad bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig. Nora merkte het aan zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen, nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om; zij had het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als altijd anders.
„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen.
Nora schudde zacht het blonde hoofd.
„Neen,” zei ze.
„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst met je te hebben gesproken.”
„Ja,” zei ze.
Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht hij, niet moeilijker wezen.
„Hier is de brief.”
Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet wetende, wat hij verder nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze met haar antwoorden zat te houden en het toch te gek was, dat een meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets anders had kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare belangstelling; zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s; zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon zooveel geld had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en nu, als in een droom, telkens diens naam uitsprak, groote plannen had met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken of landgoederen te geven.
Vijftiende Hoofdstuk.
Een Declaratie In Optima Forma.
De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden tusschen de bruine staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen; het was een knap paartje, zooals het daar zat op de chaise longue; mooi in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid, tegenover zijn donker robust.
„Heb je geen herinnering aan je pa?”
„Niet de minste.”
„God geef, dat je hem nog levend vindt.”
„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest lang duren in Indië.”
„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?”
„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid.
„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.”
Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde haar niet bedriegen.
„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.”
Verwonderd keek ze hem aan.
„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht sterven, zal ik er wel voor de zaken moeten blijven.”
„En dan?”
„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.”
Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen.
„Ik geloof er niets van.”
„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt engageeren. Ik zal vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in Indië zal ik er thuis werk van maken.”
„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder antwoord op mijn vraag: en dan?”
Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met een lief, vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van zijn sentiment, lette niet op haar andere schoonheden, en zij dacht daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel goed hoog en stijf gekleed kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest.
Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede borst en kuste haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets anders dan een diep gevoel van onschuldige genegenheid, dien eersten kus terug; ze waren allebei beter en reiner mensch nu, dan ze zelf vroeger hadden geweten of gedacht.
En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te trouwen bij volmacht en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar zij een heerlijk leven zou hebben; zoo goed als gefortuneerde lui in de binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel had hooren spreken, het maar hebben kunnen.
De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben, al was zij uren later thuis gekomen.
Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een onverwacht bezoek. Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat hij met den ouden heer alleen zat.
„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over mijzelven en over Nora.”
Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten, het hoofd langzaam op en neer, als ’n Chineesch beeldje.
„Zoo, zoo!”
„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en daarna een aanzoek...”
„Ja. Hoe oud is je vader?”
Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte vraag van z’n stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien: hij wist het niet.
„Heel precies kan ik het niet zeggen... om en bij de zestig.”
Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n jonge man wist niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende de geboortejaren van al zijn bloedverwanten, zelfs van overledenen.
„Hoeveel broers en zusters heb je?”
Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in gedachten het aantal, keek de oude heer hem in bange verwachting aan. Welk een oostersch reproductievermogen zou hij hier ontdekken? Welk een ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun maken?
„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.”
„Met je hoeveel?”
„Vier.”
Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als werkte hij uit het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij niet erg gefortuneerd was, zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking zijn gekomen. Aan een departement had hij het in een heel menschenleven niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien zelfs dàt niet. De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist; hij had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij evenmin met hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en met hun kinderen onbezorgd meegeleefd. Hoe oud zij waren, wanneer ze hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden meer, wist hij precies.
„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?”
Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s vader nu ook in ’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was te beantwoorden. Wat wist hij van de fortuin zijns vaders?
„Een millioen,” zei hij in zijn angst.
Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze waren met hun vieren slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee en een halve ton. Heel mooi! Maar..... een Indisch millioen was altijd précair. Vandaag heette het, dat de menschen puissant rijk waren, en een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van een of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages wegdoen en uit hun groote huizen trekken.
„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?”
„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.”
Hm! Daar had-je ’t al!
„Suiker?”
Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens à cheval, want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij zaten met het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den lastigen ouden heer in het doen van verdere vragen zooveel mogelijk tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die hij over dit onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de beschrijvingen, welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had gehoord. Beter dan hij dacht, was de indruk, dien hij daarbij maakte; het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij had nooit gedacht, dat die Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat jongmensch toch meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf dien slag bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede uitweiding, nu en dan door een enkel woord of heel gewone vraag toonend hoe goed hij bij de zaak was.
„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat jong, maar dat betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met je vader gesproken, dan moet je het zóó regelen, dat hij het aanzoek voor je doet aan mij, en dat hij daarbij nauwkeurig opgeeft wat en hoe je financieele positie is, want je hebt geen betrekking; niet bij het gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen? En als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora verzetten, en mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.”
Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes als het ware uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij dacht niet aan broers en zusters, of aan de onvastheid van suiker in of buiten perken; zij vond Adam voor Nora als geknipt, ware het slechts omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t meisje gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad.
En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf was gerekend, voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en Nora gedroegen zich nu en dan, alsof ze al betoel geëngageerd waren, en de familieleden deden maar alsof ze dat niet zagen, drinkend met vriendelijke gezichten en stille verstandhouding op de gezondheid, den voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie in Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo prettig liet aanzien.
In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven, een droom gelijk. Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s doorbrengen; de familie Verlande kwam daar ook nu, en zijn vrienden, enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families. Het was een rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en toezeggingen: van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan denken, portretten zenden, groeten overbrengen,—tot hij eindelijk alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat en misselijk gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten.
En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van werd en in den salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den indruk te geven, dat hij elk oogenblik naar buiten kon komen.
Zestiende Hoofdstuk.
Aan Boord Van Den Mailstoomer.
Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer ging en Adam in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem één groot, overweldigend gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst. En hij overlegde bij zichzelven naar welk bierhuis hij gaan zou. Zijn vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het weer zoo laat, en al om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen met een rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en schoof achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een goddelijk bier! Bij den tweeden Seidel kon hij weer geregeld denken, en hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had verlaten, en aan dien heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de anderen zonder gevoel. En daarna pikirde hij langzaam over het leven, dat hij in Holland had geleid, en over de vermoedelijke toekomst; het eerste was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan het hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht zijn wat het wilde!
Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den lucifer ging hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk hielden twee jongelui op het trottoir aan den overkant op met loopen.
„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een.
„Wel verdomd,” riep de ander.
In een oogenblik zaten ze naast hem, den Seidel hoog; het was typisch, vonden ze, hem hier te vinden; het was kranig, dat iemand, die den volgenden dag naar Indië ging, nog zijn „afscheidspotje” ging halen in de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat toen Verlande ’s morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor te brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t geheel niet thuis was geweest.
Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van z’n toestand; genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn excuses te stamelen.
„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij.
Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn onder zulke omstandigheden.
„Haast je maar wat,” zei hij kortaf.
Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed op het sterk gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de nog eenzame, grijze straten, voorbij de dichte vensters der gesloten huizen.
Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend tegen zichzelf, Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te nijdig om vriendelijk te wezen.
Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt, maar toen hij een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op het perron, die een hoeraatje aanhieven bij Adam’s komst, werd hij bleek.
„Ik wil je groeten, en goede reis verder.”
Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht had, en reed weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich schuil. Hij had een bewijs van hartelijkheid willen geven, en was naar het station gekomen om een laatste afscheid te nemen, maar toen hij het drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had gehoord, waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na, zich te vertoonen voor hetzelfde doel.
Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; nog nooit had hij zóó het land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen.
In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele inlichtingen; hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef; een hut met couchetten, welke hij deelde met een ander passagier, die daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde; die nu waarschijnlijk boven stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf ontroerd bij het verlaten van z’n vaderland.
Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet kunnen doen; hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en nachten; op den rand zijner couchette, zat hij zijn bottines uit te trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden slaap.
Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en met geen idee van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat dat laatste aangaat door en door koud zelfs; een lang en rauw geluid deed hem naar den anderen kant kijken over den rand zijner couchette en in het flauwe lichtschijnsel zag hij boven den rand der tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook te ontwaren, hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan de groote zee, zonder dat hij er iets van had bespeurd.
Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op.
„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman.
Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn hoofd met een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de akelige evolutie achterover vallend, zuchtte hij enkel:
„O God, ik ben zoo beroerd!”
Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde ruimte, naar het salon, waar de passagiers, voorzoover die present waren, hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een hoofdknik in het rond, zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige kalmte, ontbeet stevig, en zocht, uit een gevoel, dat het zoo behoorde, den commandant op om zich voor te stellen.
Die nam hem eens op met een stil glimlachje:
„Goed geslapen, meneer Silver?”
„Dank u, uitstekend.”
„Al ontbeten?”
„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.”
„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?”
„Ik... ik geloof het niet.”
„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het begin van de reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u hebt gedaan. ’t Zou de meesten te pas komen.”
Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam gevestigd, als de totaal mislukte zoon van rijke indische ouders, die nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo had gesjouwd, dat hij als het ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een zeer ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië gingen, de ouderen, die erheen terugkeerden,—ze waren allen werkmenschen, die door arbeid hun toekomst en hun bestaan moesten verdienen; en dien éénen fainéant, als vreemde eend in de bijt, haatten ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom” hem benijdend; zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend, die zoo’n presentje weer op z’n dak kreeg.
Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem belette zich bij de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust naderde, stond hij bij een paar jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens aan; zijn uiterlijk en zijn kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een hunner vroeg:
„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” terwijl hij heel goed wist, dat dit niet zoo was.
„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van papa.”
„Nu ja! wat veel...?”
„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het begin gaf ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar zou ik maar de plaats innemen van een ander die er meer behoefte aan had.”
Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De jongelui keken elkaar nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij eigenlijk gelijk had. Zij lachten er hartelijk om, en waren nu ook toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille nog, waren ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede jongen was, en het er voor zoo’n toekomstigen richard toch ook eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet.
Zeventiende Hoofdstuk.
In Indië Terug, Maar... Aan Een Sterfbed.
Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën een nieuw leven in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden in de kalmer wateren van het zuiden en onder den invloed van het al zachter wordende klimaat, op in de levenskracht en de frischheid hunner volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig en vroolijk te maken.
Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de meesten niet opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was.
Adam onderging die verandering ook, zonder er veel van te merken; wel zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende daar niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in Europa; hij at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het grootste genoegen; hij liep in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of hij ’t zijn leven lang had gedaan; en daar de in Indië geborenen bij de nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag weer minder correct Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden, was Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk van—streek.
Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat... hij eens met ’n rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer „Indische” levensvormen overgenomen, dan ’n gewoon Europeesch baar in een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk ook hij niets herkende.
Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen in witte kabaai, een oude inlandsche vrouw, een jonge bijna inlandsche vrouw; en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen.
Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en beenig, met ingevallen borst en zwaar zwart haar; zonder baard of knevel, de gladde huid als gespannen over de kaak-beenderen,—John Silver uit diens jeugd.
Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden kolossus toe, een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding:
„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting bedremmeld en verlegen:
„Ik ben Adam.”
„Allah! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik verwonderd over de tegenstelling.
„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?”
„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.”
„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar achter gaan, naar het oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.”
Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de broers met hun beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun magere knokken, de zuster met het eene oog hem kussend, dat het klapte: njai Peraq stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een uitdrukking op haar gezicht of ze versuft was; niets zeggend, zonder eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar, bewogen zelf nu, een kus gaf.
Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen niet meer bij kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het haast ongelooflijk was.
„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter zegt, dat hij nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan kan zijn.”
Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam ademhalend, de oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een tijd hadden staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had altijd het meest van den vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed; zij had nog zoo graag zijn stem eens gehoord, zijn oogen eens zien opengaan.
Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en den mond aan zijn oor, zei ze dringend:
„Pa, paatje, daar is Adam.”
En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de groep voor het bed; dan stil op de breede figuur in grijs complet, tusschen de witte kabaja’s.
Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met gloed.
Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand, die op de sprei lag, in de zijne en zei:
„Dag pa, hoe is het met u?”
Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n spotlach; de gloed in het gezicht nam af; het licht der oogen werd dof en mat; een halve minuut duurde het misschien en zij waren er allen zóó door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden.
Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de verstijving der trekken, het heelemaal verdwijnen van den blik in de oogen, die gericht bleven op het gezicht van Adam.
John Silver was dood.
Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en riep haar vader toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis.
„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram.
„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen door dien zonderlingen terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd.
„Kasian, hij heeft in den laatsten tijd veel over je gepikird.”
„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen ben.”
„Waarom kwam je niet eer?”
„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.”
Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t haast niet vragen.
„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?”
„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven in Holland.”
„En wat heb je er uitgevoerd?”
„Pret gemaakt en.... ’n beetje geleerd. Maar niet veel!”
Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de komst van dien jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger was, maar toch.... ’n jongen, die zoo lang in Europa was geweest, zou hem met geleerdheid en groote woorden zeker overdonderen. In plaats daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn manier van spreken.
„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram.
Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij elkaar; hij was daar zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog heelemaal onder den indruk van het geval, moest hij plannen voor de toekomst blootleggen, die hij niet had gevormd.
„Zeg jij het maar.”
Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel, of hij had het mis!
„Op het land, dat zal het beste wezen.”
’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een licht, en tevreden knikte hij.
„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.”
„Ondernemingen van den ouden heer?”
„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten, „van ons dan, na zijn dood!”
„Van ons?” vroeg Bram in de hoogste verbazing.
„Ja... wat anders?”
„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?”
Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd, dat zijn vader wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij alleen had daar als vanzelf sprekend uit afgeleid, dat het poenja was, en op die gedachte was hij steeds doorgegaan.
„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.”
„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!”
Daar schoot hem iets te binnen.
„De perken!” zei hij triomfantelijk.
„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de maan, beste jongen; dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.”
„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.”
„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. Betoel, hoor! beren bij de Bank.”
„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.”
„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie wel, dat jij leelijk in de war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik haast op duizend gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal het heel mooi zijn.”
In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het kon niet waar zijn; het was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig besef van had, ging voort.
„Enfin, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en daarom zal de Weeskamer er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden. En als je verstandig wilt zijn, ga dan zoodra alles is afgeloopen, stil als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig pop in de maand, vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen. En zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van zaken hier hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.”
Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam zouden duizelig zijn geworden door zulk een val. Daar zonk alles onder hem weg! Een handvol geld, en verder niets.... Van den goeden raad begreep hij de helft niet... Vrij rijst, olie en brandhout.... dat zou hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als millionnairs-zoon van geleefd had in Den Haag!... Van alles wat Bram hem daar had gezegd, klonk hem niets zoo onmogelijk, zoo min en vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst.
„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen.
„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes, vermoedelijk meer dan wij; zij heeft haar heele leven geld geleend tegen mooie rente. Anderhalf soms twee percent in de maand. Dàt kan ze uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en slag van hebben, anders loopt hij er geducht in.”
Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende Adam Silver een comble; wat kon hem nu nog overkomen?
„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.”
Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in zou zitten, een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige kleinigheid. En zij gingen samen naar de kamer voor Adam ingericht. De tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen tot de begrafenis.
Achttiende Hoofdstuk.
Het Gevonden Portret.
Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie; die was het werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen gekocht, ingepakt en geadresseerd; aardige kleinigheden uit galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine plaatsen en buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de „cadeautjes”, met een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die dat alles hoorde en aanzag, in het geheel niets begrijpend van deze nieuwe omgeving.
Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude baboes hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken; het scheen voor de familie een „zaak”, die haar weinig of niet regardeerde; alles liep over mandoers en baboes en een inlandschen opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor zoover die bestond in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd hebben bij zijn leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat men meende verplicht te zijn aan een „Europeesch ingezetene.”
Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was, toen hij de formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed gaan liggen. Het zag, vond hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden hadden hem heelemaal overrompeld; een beeld van zijn eigen toestand was hij nog niet bij machte geweest zich te vormen. Niet aan herseninspanning gewoon, schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde complicaties. Zou hij met z’n geld naar Europa teruggaan? In gedachten zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele, met de kleine sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure opgaven mee te zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij herinnerde zich, hoe hij te goeder trouw had gebluft met dat millioen, waaraan hij geloofde, maar dat er niet was.
En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan overschoot..... Neen, dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven, daartegen was niets te doen. Die gedachte deed hem verdriet. Hij hield al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en sedert was die genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij had te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk en vriendelijk, dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor hoog werd opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel van teederheid, er zoo goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord, en zoodoende zijn liefde voor Nora gevoed en opgekweekt tot wat die nu was, met al de illusiën voor de toekomst.
Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar portret in de hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de overtuiging, dat de omstandigheden het uit hadden gemaakt tusschen hem en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte op van strijd tegen die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging, was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust.
Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen en door hun energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor fabeltjes; hij had altijd geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin hij dom werd genoemd, omdat hij zoo moeilijk leeren kon; hij was doordrongen van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door zichzelf tot niets kon komen; dat dus alle pogingen, die hij deed, eenvoudig tot niets zouden leiden.
Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een uitweg, en moe van het pikiren, na den zeer overvloedigen maaltijd, sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed, in een rustige digestie.
Njai Peraq kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken zij beiden toe, door het zachte licht, in het wit omklamboede bed.
„Allah, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch.
Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen, dat daar zwaar sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem aldoor met verwondering aanschouwd, vooral aan tafel; en zijn zuster met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme verbazing over de hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte.
„Weet-je,” fluisterde Bram tegen njai Peraq terug; „hij is net als sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden en ze produceeren toch zoo goed als niets.”
Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had geluisterd; ze ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok zacht en voorzichtig het portret van Nora onder zijn eenen arm uit, die erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een inlandsche vrouw dat kan, zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat staan een mensch door ontwaken.
Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet aangenaam, dat Adam verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de familie, daar zag hij erg tegen op; hij deed net zooals zijn vader had gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche huishoudster en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat njai Peraq altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een warong bij, waar het volk, dat van haar geld leende en altijd door bij haar in het krijt stond, wel koopen moest. Zoo sneed het mes van twee kanten!
De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug, bij het zien van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk raar gekleed. Moest dàt haar menantoe worden? God in den hemel, zuchtte zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen. Al zou het haar nog zooveel geld kosten aan toovermiddelen en goena-goena, zij zou het ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij, njai Peraq, op haar ouden dag iets aan had, die moest hij hebben; en hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen was, en omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou.
Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar baadje. Buiten ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij al zooveel jaren bewoonde in de bijgebouwen, en in dezelfde groote trommel, waar het portret van Adam, dat zij van John Silver gekregen had, was geborgen, legde zij het andere, dat zij nu had weggenomen.
„Wat doe je, ma?”
„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.”
„Hij is geen kind meer, ma; ik denk dat hij kwaad zal zijn.”
„Waarom kwaad? Op wie?”
„Wel op een van ons beiden, ma, maar niet op mij.”
„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in huis willen zien?”
Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger tijd.
„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die totohs niet, ma; zij zijn heel wat slimmer dan wij.”
„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen allerlei maken van ijzer, hout en steen, en zij kunnen sopi drinken en brendy, maar pinter zijn ze niet.”
„Soedah! Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje niet graag hebben. Doch daarom zou ik het portret niet stelen.”
„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.”
„Laat hem denken.”
„Dan wil hij haar trouwen.”
Bram lachte weer.
„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo pinter meer als vroeger. Allah, toch ma! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat hier zijn, dan is hij gewend.”
„En dan?”
„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de moederlijke waardigheid van njai Peraq. „Dan geef ik hem een aardig meisje om hem te pidjit.”
Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf, dat zij dááraan niet had gedacht.
„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in z’n kamer leggen; het is beter.”
Maar zij was bang.
„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.”
„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij dat ding mist, zal hij u of mij natuurlijk verdenken.”
Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch portret schreef njai Peraq een buitengewonen invloed toe, had zij dien niet zelf ondervonden en gevoeld, toen ze dat van Adam zag en ineens voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was vergeten; en zoo duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit!
Negentiende Hoofdstuk.
Een Nieuwe Vlam.
Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.
„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde liefhebberij in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”
„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.
„Nee
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg