Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811)
D'Arbez and C. (Cornelis) [Illustrator] Koppenol
ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK. No. III.
Aan Tafelbaai’s Strand OF TWINTIG JAREN UIT HET LEVEN VAN EEN KAPENAAR. (1791–1811).
Door D’Arbez.
Uitgegeven en verkrijgbaar bij: Hollandsch-Afrikaansche Uitgevers-Maatschappij, v/h. Jacques Dusseau & Co. Amsterdam—Kaapstad. 1903.
Hoofdstuk I.
Het Verhaal Van Den Dokter.
Omtrent tien jaren geleden woonde ik in een klein dorpje in den Oranje-Vrijstaat, den naam waarvan het niet noodig is op te geven. Het was een klein plekje, waar ik misschien van verveling zou gestorven zijn, als het niet was geweest voor den ouden dokter. Goede, oude dokter, hij ligt al meer dan negen jaren onder den koelen grond, verlost van alle ellende en plagen des levens; en het is juist het feit, dat hij er niet meer is, dat mij thans eerst het recht geeft om hier dit verhaal te doen, en iets te publiceeren dat reeds lang in mijn bezit is. Maar ter zake.
Dokter J. was een oud man: toen ik hem kende moet hij omtrent zeventig jaar geweest zijn, maar hij was nog kras voor zijne jaren, schoon haar en baard reeds spierwit waren. Van de levensgeschiedenis van den ouden heer had ik nooit veel te weten kunnen komen: de dokter sprak zelf er liever niet over, en natuurlijk was ik niet gerechtigd mij te bemoeien met zijne private zaken. Al wat ik wist, was dat hij te Kaapstad geboren was uit een oud Hollandsch-Afrikaansch geslacht, in Holland had gestudeerd en aan de Universiteit te Leiden zijn graad van Doctor in de Medicijnen had verkregen. Ook vernam ik eens van hem dat hij nooit getrouwd was, en, te oordeelen naar de uitdrukkingen, die hij bij die gelegenheid gebruikte over de schoone sekse (ik zal ze maar niet herhalen om mijne lezeressen niet kwaad te maken) was de dokter een echte vrouwenhater. Er waren, zooals licht te begrijpen valt, heel wat praatjes over den ouden heer, maar ik heb uit ondervinding geleerd, dat de kwaadsprekendheid steeds als een onvermoeid spook door al onze Zuid-Afrikaansche dorpen waart, en, daar dus waarschijnlijk niet een twintigste deel der praatjes over dokter J. waar waren, is het onnoodig om ze hier weer te geven. Maar, zooveel stond vast, en daar kon zelfs niet de meest vuige tong iets tegen zeggen, de dokter was een knap man in zijne professie; hij was de vriendelijkheid zelve tegenover zijne patiënten, en wat maar kon gedaan worden om den dood af te wenden, of de pijn te verzachten, dat werd door hem gedaan.
Mijn eerste kennismaking met den dokter was in de kwaliteit van patiënt. Ik had kort na mijne aankomst in het dorp een erge koude gevat, en daar ik geplaagd was door een akelige soort van kerkhofhoest, ging ik den Esculaap een drankje vragen. Inderdaad gaf de dokter mij een probaat middeltje dat mij in weinige dagen genas; maar wat nog beter was, was dat die korte kennismaking zich ontwikkelde tot een groote vriendschap tusschen den dokter en mij. Ik geloof, dat dit een groot geluk voor mij is geweest; wie weet of, als ik niet het gezelschap van den dokter had gehad, ik niet, zooals zoo vele andere jongelui in kleine dorpjes in ons land, mij zou hebben overgegeven aan den drank, of andere verkeerdheden, die onze jonge lieden ten gronde richten, omdat ze geen anderen raad met hun goeden tijd weten. De aangename avonden die ik bij den dokter doorbracht, deden mij dergelijke verleidingen gemakkelijk weerstand bieden.
Ik vond spoedig uit, dat de dokter niet alleen een knap man was in zijn vak, maar ook uitmuntend belezen, zoodat hij over heel wat meer dingen kon meepraten dan pillen en poeders alleen. Zooals de meeste goed opgevoede lieden, had hij ook zijn geliefkoosd onderwerp; bij hem was het de geschiedenis van Zuid-Afrika en alles wat daarmede in verband stond. Hij had gedurende lange jaren, en tegen een groote uitgave, een prachtige bibliotheek verzameld over de geschiedenis van Zuid-Afrika; deze verzameling bevatte inderdaad zeer kostbare boeken, niet alleen in de Engelsche en Hollandsche talen, maar ook in het Duitsch en in het Fransch, welke talen hij alle gemakkelijk las. Hij was zooals hij mij dikwijls vertelde, in het begin van zijn loopbaan geneigd geweest om sterk Engelschgezind te zijn; doch toen hij bekend raakte met de bijzonderheden van het bestuur der Engelsche regeering in dit land gedurende de negentiende eeuw, maakte de bewondering, die hij voor de Engelschen en hunne denkbeelden koesterde, plaats voor eene diepe verachting van alles wat Engelsch en Engelschgezind was; hij werd een vurige voorstander van de rechten der Afrikaners, en dit was een der voornaamste redenen waarom hij de oude Kolonie, waar hij destijds een zeer goede praktijk had, verliet om zich in den Vrijstaat te vestigen.
Toen de dokter bevond, dat ook mijne sympathiën met de Afrikaners waren, en dat ik zeer verlangde om goed op de hoogte te komen der geschiedenis van mijn geboorteland, waarvan ik toen, helaas, bitter weinig wist, draalde de dokter geen oogenblik met mij het vrije gebruik zijner bibliotheek aan te bieden, en ik behoef nauwelijks te zeggen dat ik van dat aanbod gretig gebruik maakte. Kwam er dan eens een nieuw boek uit over dit onderwerp dan bestelde mijn oude vriend dit dadelijk van Kaapstad, en dan lazen wij het te zamen. Het was vooral bij die gelegenheden dat ik dikwijls de scherpzinnige aanmerkingen van den dokter bewonderde. Hij was volmaakt op de hoogte der algemeene geschiedenis, en hield er van om vergelijkingen te maken tusschen de gebeurtenissen in dit land, en die, welke vroeger in andere landen hadden plaats gevonden. De geschiedenis, zoo zeide hij dikwijls herhaalde zich steeds; dezelfde oorzaken hadden steeds dezelfde gevolgen, en wat eenmaal gebeurd was, zou weer gebeuren. Salomo was nooit wijzer dan toen hij zeide, „Er is niets nieuws onder de zon.”
Het was op een kouden winteravond dat er iets tusschen mij en den dokter plaats vond, dat de eigenlijke oorzaak van dit verhaal is, en dat dus hier moet worden verteld om den lezer op de hoogte van zaken te brengen. Ik zat in de eetkamer van den dokter (een voorkamer hield hij er niet op na); wij hadden juist samen een der nieuwe boeken van onzen uitmuntenden Zuid-Afrikaanschen geschiedschrijver G. M. Theal gelezen, die toenmaals zich een naam begon te maken, en daarop hadden wij onze vrij drooge kelen met wat warme ponsch nat gemaakt, of liever gezegd, wij waren daarmede nog bezig, toen ik uit bloote nieuwsgierigheid, mijn ouden vriend vroeg, wat hem zulk eene bijzondere voorliefde voor de geschiedenis van zijn land en volk had gegeven. De oude heer zat eenige oogenblikken in gedachten en zeide toen:
„Mijn waarde A., om die vraag te beantwoorden, zal ik je iets uit mijn levensgeschiedenis moeten vertellen, en wel een heel snaaksch geval. ’t Is een beetje een lange storie, maar ’t is nu nog vroeg, en als wij een beetje extra spraakwater nemen, zal de stof misschien wat vinniger loopen”.
Zoo gezegd, zoo gedaan; de dokter schonk onze glazen nog eens vol, en na een flinke teug te hebben genomen, begon hij als volgt:
„Het was in het jaar 1835, ik meen in Mei, dat ik als behoorlijk gepromoveerd Doctor Medicinae uit Holland naar de Kaap terug kwam. Mijn vader leefde toen nog, en woonde op een soort van buiten, of plaats, zooals wij hier in Zuid-Afrika zouden zeggen, even buiten de Kaapstad, in hetgeen men thans Woodstock noemt, maar dat toen nog als Papendorp, of liever Roodebloem bekend was. Ik was de oudste zoon van mijne ouders; na mij kwamen drie meisjes die allen ongetrouwd gestorven zijn, en de eenige broeder, dien ik had, en die overleed, toen hij nog maar twintig jaar oud was, had toen nog niet den leeftijd van vijftien jaren bereikt. Mijn vader was toen wel af, en hij zei de dat als ik wilde, ik mij kon vestigen in de Kaapstad, en, om kosten te besparen, mijn intrek kon nemen in zijn huis. Ik had echter reeds in die dagen weinig zin om mij in de buurt van de stad te vestigen en was ook niet geneigd om op eenige wijze op kosten van mijn vader te leven. Ik wilde de wereld in, op mijn eigen beenen staan, en op eigen houtje mijn fortuin maken. Derhalve besloot ik mij te gaan neerzetten in A. waar kort te voren de plaatselijke geneesheer overleden was.
„Ik deed zulks, en had er spoedig een zeer aardige praktijk; ik ben dan ook te A. gebleven, totdat ik in 1865 op raad van onzen President Brand, naar den Vrijstaat ging, blij om eindelijk toch een plek in Zuid-Afrika te vinden, waar die eeuwigvervelende Britsche vlag niet woei. Toen ik omtrent twee jaar te A. was geweest, moest ik wegens noodzakelijke bezigheden naar de Kaap gaan, en daar ik zelf ook een weinig rust noodig had, besloot ik een maand lang in de stad te vertoeven; een jonge dokter, pas uit Engeland aangekomen, zou zoolang mijn praktijk waarnemen.
„Ik nam natuurlijk mijn intrek bij mijn vader, en toen ik mijn voornaamste bezigheid had afgedaan, amuseerde ik mij zoo goed ik kon. Waar ik het meest van hield, was om stil en rustig aan het strand te zitten, op den eeuwig rusteloozen oceaan te staren, en mijne gedachten dan den vrijen loop te laten. Er was toen nog in die dagen niet dat gewoel, dat thans langs het strand in de buurt van Woodstock en Zoutrivier heerscht, en men kon er uren zitten, zonder door iemand gehinderd te worden.
„Het was juist op een warmen rustigen middag, dat ik er eens zat in mijn eentje. Verschillende gedachten gingen mij door het hoofd en al peinzende was ik werktuigelijk bezig om met mijn stok gaten in het zand te boren. Plotseling stiet mijn stok op iets hards en dit trok mijn opmerkzaamheid. Ik boorde verscheidene gaten binnen den omtrek van omtrent een yard, maar telkens kwam de stok op het harde voorwerp te recht. Ik begon bepaald nieuwsgierig te worden, wat dit harde ding kon zijn, en ik had een soort van voorgevoel dat ik op het punt stond eene ontdekking te maken. Derhalve beproefde ik dan ook, zoo goed en zoo kwaad het ging om met mijn stok een gat te graven in het half natte zand, en na heel wat tobbens was ik zoover, dat ik zag dat ik hier met een kist of koffer te doen had, die met ijzer beslagen was. Op dat oogenblik schoot het mij te binnen, dat het een beetje gevaarlijk was om hier op helderen dag op een openbare plek zoo iets te voorschijn te halen. Ik herinnerde mij, dat een medestudent in Leiden die in de rechten studeerde, mij eens een heel verhaal had gedaan van een misdaad die strandroof genaamd werd, en waarop de doodstraf of levenslange verbanning of zoo iets vreeselijks stond.
„Met dat schrikbeeld voor mij, vond ik het geraden om het door mij gemaakte gat maar dadelijk weer toe te maken. Doch om de plek niet te vergeten, maakte ik een hoopje van steenen op de plaats, zoodat ik die zonder moeite kon terugvinden. Daarop ging ik naar huis om een plan te beramen hoe ik het best mijn gevonden schat op een veilige plek kon brengen. De kist was blijkbaar zwaar, en ik zou hem zeker niet alleen baas kunnen raken; ik moest dus naar hulp uitzien. Ik was juist aan het denken welk persoon ik met dit gewichtig werk kon vertrouwen, toen ik den ouden jongen ontmoette, die reeds jaren lang bij mijn vader werkte, en die mij bijna sedert mijn geboorte kende, want hij was nog als slaaf bij mijn grootvader geweest, en noemde mij niet anders als „kleinbaas”. Ou Andries was, meende ik juist de jongen, om mij in deze netelige zaak van nut te zijn. Ik drukte hem dan ook een halve kroon in de handen, en zeide hem dat hij dien avond, als het avondeten afgeloopen was, met mij mede moest gaan, en een graaf samen nemen; er was iets van belang, dat hij voor mij moest doen, maar hij moest er geen woord aan iemand van zeggen, vooral niet aan mijn vader. Andries beloofde dit dan ook trouw, en ik wist dat ik op hem aan kon.
„Het was ongeveer negen uur dien avond, dat ik Andries ontmoette bij het tuinhek, dat aan den zeekant uitkwam. Er was geen maan en het was pikdonker, juist een geschikte avond, zooals ik bij mijzelven dacht, om de misdaad van strandroof te plegen; in werkelijkheid voelde ik een beetje als een misdadiger; doch er was een zeker onverklaarbaar iets, dat mij aandreef en mij belette om veel attentie te wijden aan de inblazingen van het geweten. Ik had, in het donker eenige moeite om de juiste plek te vinden, doch eindelijk liep ik den steenhoop raak, en spoedig was Andries hard aan het graven. Nu en dan stiet de graaf tegen het harde hout van de kist, en het geluid dat daardoor veroorzaakt werd in den stillen nacht, deed mij schrikken, zoodat ik Andries toefluisterde om toch niet zooveel lawaai te maken. Eindelijk was de kist aan alle kanten los, en nu probeerden wij om haar uit den grond te tillen. Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten vereischte, maar ten slotte hadden wij haar boven den grond. Maar nu deed zich een nieuwe moeielijkheid voor. Hoe moesten wij die zware kist naar huis krijgen? Om die te dragen met ons tweeën, daar was geen sprake van; de kist was zoo zwaar, dat Andries beweerde, dat die zeker vol geld zat.
„„Zooveel te beter, Andries”, antwoordde ik lachend, „dan zal jij ook iets uit het voordeeltje krijgen; maar ons moet nou eerst een plan maken om die ding bij die huis te krijg”.
„„Ik geloof, baas”, zeide de oude jongen, „dat daar niet een ander plan is dan om die kist hier open te maak, en dan die geld of die goed, wat daarin is, met klompjes naar die huis te vat”.
„In werkelijkheid scheen dit mij ook het eenige mogelijke plan; maar ik moest bij mijzelven bekennen dat het niet weinig gevaar aanbood. Mijn vader was nog niet naar bed, en het ongewone geloop zou ongetwijfeld zijn aandacht trekken, en dan zou hij willen weten wat er aan den gang was.
„Andries scheen dit ook te begrijpen, want hij zeide fluisterend tot mij, „Baasje, ons moet wacht tot die menschen in die huis slaap, en dan zal ons die goed naar mijn kamer draag, stukje voor stukje, en daar kan ons dan zien wat die goed is”.
„Dit was geen slecht plan, want de kamer waar ou Andries sliep, was een buiten-kamer, die een heel eindje van het huis verwijderd was. Wij besloten dan ook dit plan te volgen, en daar het minstens nog een uur zou duren, voor al de menschen in het huis aan slaap zouden zijn, zeide ik aan Andries dat hij, om geen opspraak te wekken, maar liever naar huis moest teruggaan, en later, als alles rustig sliep, weerkomen, met een deken (kombaars), of iets dergelijks, waarin wij het goed geriefelijk konden dragen; ondertusschen zou ik de wacht in de buurt houden, en zorgen dat niemand ons onzen buit ontstal.
„Toen Andries weg was, begon ik in de buurt van de kist heen en weer te loopen. Ik was nu nog nieuwsgieriger dan ooit, en de lust om eens nader te weten, wat er eigenlijk in die geheimzinnige kist zat, werd zoo onbedwingbaar, dat ik eene poging maakte om de kist te openen. Er zat, zooals ik na onderzoek merkte, een slot op, maar het zilte zeewater had zulk een effekt op het ijzer gehad, dat toen ik een weinig mijne krachten inspande, het slot uit elkander sprong. Ik tilde de zware deksel op en stak, in het donker mijn hand in de kist. Ik voelde iets zachts, dat mij toescheen kleederen te zijn, en verder mijn hand instekende, raakte ik aan iets hards en kouds, blijkbaar van metaal. De deksel was te zwaar dan dat ik die lang op kon houden, en ik moest dus mijne verdere onderzoekingen staken, en geduldig wachten op de terugkomst van Andries. Na een goed uur en een half, die mij in mijn ongeduld wel zes uren toeschenen, kwam de trouwe jongen weer aanzetten. Hij bracht het bericht dat iedereen in het huis vast in slaap scheen; tevens bracht hij ook een reusachtige kombaars, die zeker wel alles had kunnen bevatten wat in de kist was. Wij begonnen dadelijk de boel uit te pakken, schoon wij in het donker niet konden uitmaken waaruit de inhoud bestond; sommige dingen waren hard, andere weer zacht. Ik pakte vooreerst genoeg in de kombaars om Andries in staat te stellen die zonder veel moeite te dragen; daarop zond ik hem met die eerste vracht naar huis, hem gelastende het goed in zijn kamer te leggen, en die dan toe te maken, en dan de tweede vracht te komen halen. Met die tweede vracht was de kist leeg en de kwestie was nu wat wij met de leege kist zouden aanvangen. Het was te gewaagd haar te laten staan waar zij was, en om haar waardeloos karkas naar huis te slepen, daar had ik geen lust in; bovendien zou het onmogelijk zijn om haar tegenwoordigheid in ons huis te verhelen. Na een kort beraad tilden wij haar dus op, droegen haar zoover wij konden de zee in, en lieten haar aan de genade van de woeste baren over. Tusschen twee haakjes mag ik hier zeggen, dat ik nooit weer iets van de kist vernomen heb; of ze misschien vandaag nog op de golven van den oceaan rondzwabbert, of er een tweede strandroof aangaande haar gepleegd is, dat kan ik niet zeggen. In alle geval ben ik maar blij dat die kist niet als stomme getuige van mijn misdaad ooit is opgetreden.
„Toen wij de kamer van Andries binnen waren, en iets voor het venster hadden gehangen, om het schijnsel van het licht niet te laten bemerken, staken wij een kaars op, en onderzochten de waarde van onzen buit. Het was niet veel, en ik weet niet wie het meest teleurgesteld was, ik of de oude jongen. ’t Was waar, er zat geld in de kist, want wij vonden een klein lederen zakje, dat wij met een zekere soort van zenuwachtigheid openden, doch, helaas, bij onderzoek bleek het zakje te bevatten.... de groote som van vier oulap. Maar er was toch één ding van aanzienlijke waarde, namelijk een goud horloge, een dier ouderwetsche dingen met dubbele kast, amper zoo groot als een „pompoen” zooals Andries het uitdrukte. Ik borg dat in mijn rokzak, even als een zeer mooi medaillon van gedreven goud, dat een werkelijk prachtstuk was. De verdere inhoud bestond meest uit kleederen, volgens de mode van het midden der achttiende eeuw, een oude verrekijker waarvan echter een der glazen stuk was, een oude Statenbijbel, een psalmboek, en nog een aantal snuisterijen van betrekkelijk weinig waarde. Ik gaf last aan Andries om den Bijbel en eenige andere kleinigheden, die ik wilde bewaren, zoolang voor mij te bergen, en verder de kleeren op de best mogelijke manier te verkoopen of op eenige andere wijze van de hand te zetten, en wilde juist de kamer uitgaan, toen Andries uitriep „Baasje, hier is nog een boek”; en met deze woorden overhandigde hij mij een vrij dik gebonden boek, dat ik even snel opende, in de meening dat het van weinig waarde zou zijn. Bij het openen viel mijn oog dadelijk op de woorden „Dagboek van Jan van Eck”. „Zoo”, dacht ik bij mijzelven, „dat is zeker de eigenaar van de kist geweest”, en ik besloot het boek met mij naar mijn kamer te nemen, om het bij gelegenheid eens door te bladeren. Voor ik echter uit de kamer van Andries ging, beloofde ik den ouden jongen, die blijkbaar zeer teleurgesteld was, dat er geen geld was gevonden, en hij dus zijn deel van de winst kwijt was, om hem den volgenden morgen een pond sterling te geven voor zijne moeite, mits hij geen woord repte van het gebeurde. Die belofte bracht Andries dan ook weder in een goede luim. Toen ik in mijn kamer kwam, voelde ik mij erg vermoeid; ik ontkleedde mij snel, en wierp mij op bed, maar het was te vergeefs dat ik trachtte te slapen. Ik voelde mij werkelijk als een misdadiger, en werd hevig gekweld met allerlei vreeswekkende gedachten. Als die ellendige kist opspoelde, of als er iets van mijn nachtelijk avontuur uitlekte, zou ik ongetwijfeld in groote onaangenaamheden komen; misschien zou de rechter er bij te pas komen, en zou ik zoo niet gestraft, althans gebrandmerkt zijn, en waarschijnlijk was mijn loopbaan dan bedorven. Kwaad met mijzelven verwenschte ik de kist en alles wat er in zat, doch daardoor viel ik nog niet in slaap. Plotseling schoot het mij in de gedachten dat als ik toch niet slapen kon, ik net zoo goed eens een kijkje kon nemen in het dagboek van Jan van Eck. Ik haalde het dus te voorschijn uit de plek waarin ik het geborgen had, en daarop weer onder de kombaars kruipende, begon ik te lezen. Toen de zon den volgenden morgen in mijn kamer scheen, vond zij mij nog bezig aan het lezen. Ik kan je nu niet alles vertellen wat in dat boek stond, maar ik zal het eens voor den dag halen, en dan kunt ge het zelve lezen.”
Met deze woorden stond de oude dokter op, ging naar zijn slaapkamer, en kwam spoedig terug met iets onder den arm.
„Hier is het dagboek van Jan van Eck, en....” Op dat oogenblik werd er hevig aan de deur geklopt, en op het geroep van „kom in” van den dokter, trad een man haastig de kamer in, en zeide half ademloos:
„Dokter, jij moet toch als je belieft gauw kom naar Piet van Rooijen, van Uitkijk; zijn vrouw is banja ziek, en hij het mij gestuur om dokter dadelijk te kom haal”.
„Naar Uitkijk”, riep de dokter uit, „machtig, kerel dit is amper zes uur te paard hiervan daan. Ik zal natuurlijk gaan, maar kan jij niet wacht nie, tot dit daglicht is; het is vreeselijk donker en koud daarbij”.
„Ik zou niet om geef om te wacht nie, dokter”, luidde het antwoord, „maar oom Piet heeft mij gezegd dat ik gauw moet maak, want dit is een gevaarlijke ding”. En hier voegde de spreker er iets bij, dat bewees dat het inderdaad een geval van leven of dood was.
„Wel als dit zoo is, dan ga ik nu dadelijk met jou mee” hernam de goede dokter, die nooit aarzelde, om waar zijn plicht hem riep, te gaan, vooral als het een zaak van dezen aard gold.
„Waar is jou kar?” vroeg hij, terwijl hij reeds bezig was om zijn kistje met medicijnen en instrumenten voor den dag te halen.
„Dokter die kar staat klaar ingespan”, was het antwoord; „ik het versche paarden van oom Jan Grobbelaar gekrijg, hullie is fluks, en zal ons binnen vier uur naar Uitkijk breng”.
„Loop haal dan maar die kar, dan zal ik klaar wees” zeide de dokter, en zich daarop tot mij wendende, vervolgde hij:
„Dit spijt mij, A, dat onze conversatie op deze manier gebroken wordt, maar daar is nu niets aan te doen. Neem ondertusschen het boek maar mee, dan kan je het zoolang lezen, en mij, als wij elkander weer zien, vertellen, wat je er van denkt, en dan zal je ook wel begrijpen, waarom ik zooveel van de geschiedenis van Zuid-Afrika houd”.
Ik bedankte den dokter hartelijk, nam afscheid van hem, en ging toen naar huis.
Den volgenden middag bracht men het lijk van dokter J. naar het dorp terug; hij was het slachtoffer geworden van zijne plichtsbetrachting. In den stikdonkeren nacht had de drijver het ongeluk gehad de kar om te gooien, de dokter was onder de kar gevallen: zijn ruggegraat was gebroken, en hij was waarschijnlijk dadelijk en zonder pijn geleden te hebben, overleden. Een benijdenswaardige dood voor een man die altijd zijn plicht had gedaan tegenover God en den mensch, en die nooit den dood had gevreesd.
Ik behield het dagboek van Jan van Eck, en maakte er geen gewag van aan den executeur van des dokters boedel. Misschien deed ik daardoor iets waartoe ik volgens strikt wet geen recht toe had. Maar aangezien ik hoop dat mijne lezers het voordeel van mijn daad zullen hebben, daar anders naar alle waarschijnlijkheid zij nooit iets van het dagboek zouden hebben gehoord, vertrouw ik dat zij mij niet zullen gaan verklagen bij den procureur-generaal of eenig ander gevreesden ambtenaar, wegens het mij toeeigenen van een andersmans goed. Sommige menschen zouden het misschien diefstal willen noemen, maar dat is zulk een leelijk woord, dat ik het liever niet omtrent mijzelven wil gebruiken.
Hoofdstuk II.
WAARIN EEN BEGIN WORDT GEMAAKT MET HET VERHAAL, EN DE HOOFDPERSOON ZIJN INTREDE MAAKT.
Het zou zeker het gemakkelijkste wezen voor mij, om maar zonder meer, hier het dagboek overteschrijven, en mijne lezers er zich dan op de best mogelijke manier te laten doorworstelen. Maar ik vrees dat dit een heel vervelend stukje werk voor hen zou wezen, en dat er dan kans bestond dat zij, voor het boek nog half uit was, het ergens in een hoek zouden werpen, met den uitroep: „Dat boek is mij te saai”. Om zulk een ongeluk te voorkomen, heb ik besloten, om uit het materiaal in het dagboek vervat, een verhaal optetrekken, in mijn eigene woorden, en op mijn eigen manier, mij echter steeds vasthoudende aan de feiten zooals bevat in het dagboek. Ik meen te mogen zeggen, dat over het algemeen, die feiten vrij wel overeenkomen met hetgeen men in de geschiedenis boeken van die dagen vindt; hier en daar is er een klein verschil, maar dit doet niet veel af aan de waarde van het werk.
Voor ik echter dit verhaal begin, is het noodig dat mijne lezers iets weten van den man die dit dagboek heeft geschreven: Jan van Eck. Heel veel kan ik niet van hem vertellen, want de familie van Eck schijnt in Zuid-Afrika vrij wel uitgestorven, zoodat het mij niet doenlijk is geweest om eenige familie-dokumenten in handen te krijgen, en het weinige dat ik heb kunnen uitvinden, en dat ik hier ga weergeven, bestaat deels uit aanteekeningen gevonden in het boek van wijlen den heer C. C. de Villiers, en uit gevolgtrekkingen door mij gemaakt uit hetgeen ik in het dagboek heb gevonden, schoon de heer van Eck zelve maar zeer karig is in het geven van berichten omtrent zijn leven of identiteit.
In het jaar 1691 leefde er te Drakenstein een zekere Adriaan van Eck, die burger der Kolonie was, en die in 1712 een zoon liet doopen met den naam van Johan. Deze Johan had weder een zoon Johannes, geboren in 1741, en later gehuwd met Martha Magdalena Cordier bij welke hij 3 kinderen had, waarvan de jongste, Arie, in 1799 werd gedoopt. Geen dezer van Ecks kan echter de schrijver van dit dagboek zijn, om de eenvoudige reden dat uit het dagboek zelve blijkt dat de schrijver niet gehuwd was. Dat hij echter tot deze familie behoorde is geenszins twijfelachtig, want wij zullen zien dat hij in de Kaapstad eene achternicht had, met name Elizabeth, weduwe van Zacharias de Beer, die met hare kinderen verscheidene malen in dit werk voorkomen. Nu is volgens het boek van den heer Villiers eene dochter Elizabeth, van den ouden Johan van Eck gehuwd geweest met zekeren Zacharias Joseph de Beer, en het is dus zeer waarschijnlijk dat dit de hierin vermelde Elizabeth was. Maar verdere nasporingen van de identiteit van onzen schrijver hebben geen resultaten opgeleverd.
Ook is het ons niet geheel duidelijk wat de schrijver van het dagboek geweest is; er zijn echter passages in het boek die ons er toe zouden kunnen leiden om tot de conclusie te komen dat hij vroeger in dienst der Compagnie is geweest, en een vrij aanzienlijke betrekking heeft bekleed. Immers hij verkeerde blijkbaar op zeer intiemen voet met een aantal der aanzienlijkste mannen in Kaapstad, velen waarvan hij bij hunne voornamen noemt; ook schijnt hij bekend te zijn geweest met verscheidene boeren uit differente deelen der Kolonie. Ten tijde dat hij dit dagboek aanhield woonde hij in een klein huisje gelegen aan het strand tusschen het tegenwoordige Woodstock en Zoutrivier; een oude kleurling die in het dagboek dikwijls voorkomt onder den naam van Thijs, en die blijkbaar een slaaf was, en jaren lang in dienst van den schrijver, zorgde voor hem, zoover het koken van de kost, en dergelijke huishoudelijke zaken aangaat; en daarbij was hij een vertrouwde van zijn meester, die hem allerlei gewichtige bezigheden liet verrichten.
Over het geheel heeft het dagboek op mij den indruk gemaakt, dat Jan van Eck een dier menschen was, dien men gewoonlijk met den naam van een zonderling bestempelt. Hij woonde eenzaam in zijn huisje, ging geregeld iederen dag naar de stad om de nieuwtjes te vernemen, en zijne familie en oude kennissen te zien, maar nam geen werkdadig aandeel in de zaken, schoon wij zullen vinden, dat hij in 1795 dienst deed als soldaat, en toen tot het zoogenaamde „Pennisten-korps” behoorde. Met zijne medemenschen had hij niet veel op.
Hij was een zeer belezen man, en had vooral een grondige kennis van de toenmalige Franschen schrijvers; Voltaire en Diderot, kende hij op zijn duimpje, maar zijn lievelings-schrijver was toch Jean Jacques Rousseau, en deze had een ontzettenden invloed op hem gehad. Van Eck was volbloed revolutionair, en dweepte met de denkbeelden van „de rechten van den mensch.” Hij haatte de ideeën van den ouden pruikentijd, had een hekel aan het monarchisme of aan alles wat er naar zweemde, en was bovendien, op het gebied van godsdienst doordrongen van de denkbeelden der toenmalige vrijdenkers. Er zijn bewijzen uit dokumenten in het archief der Kaap Kolonie, dat op dit punt er ook nog anderen waren die in die dagen dezelfde ideeën koesterden. Men vergete niet dat de denkbeelden, die in 1789 de Fransche Revolutie hebben veroorzaakt in Holland een groot aantal aanhangers hadden, zoo zelfs dat deze er ernstige politieke verwikkelingen veroorzaakten, en de „Patriotten” zooals men ze noemde, eene mislukte poging deden om den stadhouder der Nederlanden, Prins Willem van Oranje (Willem de Vijfde) van alle macht te berooven. Deze poging, gedaan in 1787, werd verijdeld door de „Prinsgezinden”, die gesteund werden door een groot leger, hun ter hulpe gezonden door den koning van Pruisen; en het gevolg dezer mislukte poging was, dat een groot aantal der „Patriotten” de wijk moesten nemen naar Frankrijk, waar zij niet weinig werkzaam waren, en ten slot te 1795 naar Holland terugkwamen, toen de Franschen dit land hadden veroverd, en Willem de Vijfde de wijk had genomen naar Engeland. Jan van Eck, was, wat zijne denkbeelden aangaat, een echte „Patriot”, en dit zal den lezer in dit verhaal duidelijk worden, en verklaart tegelijk het feit waarom hij zulk een ontzettenden haat tegen de Engelschen had, die toenmaals vijanden van de Franschen, en sterke ondersteuners waren van het Huis van Oranje.
Het bovenstaande zal ten minste onzen lezers eenig denkbeeld geven van den man die het dagverhaal geschreven heeft, en wij kunnen thans ons verhaal voortzetten, of liever gezegd, beginnen. Maar nog een kleine verklaring is noodig. Toen ik het boek van den dokter kreeg, waren er verscheidene bladen uit het boek gescheurd, door wien, weet ik natuurlijk niet; een geheel gedeelte, namelijk dat tusschen de jaren 1796 tot 1802 is zoo goed als weg; andere deelen zijn door de actie van het zeewater dat toegang schijnt te hebben gehad tot den inhoud der kist, bijna niet te ontcijferen. Waar dit het geval geweest is, heb ik uit andere bronnen eene korte geschiedenis te zamen gesteld van die tijden, daar anders het verdere gedeelte van het dagboek niet te begrijpen zou zijn. En ten slotte zij het hier gezegd, dat de eischen van plaatsgebrek mij hebben verplicht om veel uit het dagboek te verkorten, en er zelfs belangrijke deelen uit te laten. Het is echter niet onmogelijk, dat als dit boekje in den smaak van het Afrikaansche publiek valt, ik later nog meer uittreksels uit het dagboek zal geven.
Op den morgen van den 12den Mei in het jaar 1791, omtrent 11 ure stonden er in de Graaffestraat (die later verkeerdelijk Grave straat werd genoemd, en nu herdoopt is in Parliament street) in Kaapstad, drie mannen een vrij opgewonden gesprek te voeren. De grootste dier mannen, een flinke kerel van iets over de zes voet, en gekleed op eene wijze die toonde dat hij tot den deftigen stand behoorde, heette Sebastiaan van Reenen, en was inderdaad een der aanzienlijkste inwoners van de Kaapstad in die dagen, gedeeltelijk wegens zijn groote rijkdom, gedeeltelijk omdat hij een zeer bekwaam man was, en deels ook omdat hij geparenteerd was aan bijna al de andere aanzienlijke burgerfamiliën der stad, en dus een grooten invloed uitoefenen kon. Naast hem stond een kort, eenigszins gezet man, die schoon niet zoo deftig uitgedoscht als de heer van Reenen, ook tot de betere klasse van burgers scheen te behooren, en wiens broeder dan ook de vrij aanzienlijke betrekking van Resident van Simonsbaai bekleedde. Zijn naam was Pieter Brand, waaruit men merken kan, dat hij tot een oud Kaapsch geslacht behoort. De derde man is insgelijks een klein mannetje, iets kleiner zelfs dan de heer Brand; hij is daarenboven veel schraler dan deze, en zijne kleeding is veel eenvoudiger dan die der anderen; ja, men zou zelfs zeggen dat ze hem slordig aan het lijf zitten, en dat de drager geen man is die zich erg moe maakt over zijn uiterlijk aanzien. Hij is een man van iets over middelbaren leeftijd, naar schatting omtrent acht en veertig of vijftig jaar oud. Haren en baard vertoonen de eerste sporen van grijsheid, maar hij loopt nog flink rechtop, en zijne houding heeft zelfs iets „parmantigs” over zich, terwijl gebaren en spraak toonen dat het hem geenszins aan levendigheid ontbreekt. De naam van dezen man is Jan van Eck, en hij woont als jonggezel in een klein huisje aan het strand tusschen de stad en de Zoutrivier.
De heer Van Eck is aan het woord, en hij zegt op heftige wijze, terwijl hij zijn Malacca rottang, met zilveren knop, heen en weer zwaait:
„’t Is alles van het zelfde brouwsel, die groote heeren van de Compagnie, mijnheer van Reenen; iedereen zorgt slechts voor zich zelven; wat van de Compagnie of van den lande wordt schijnt niemand te kunnen schelen. En natuurlijk, als men de gunst geniet van zijne Hoogheid den Stadhouder, dan behoeft men zich niet aan de bevelen der Compagnie te storen”.
„Ik beaam niet alles wat gij daar zegt, mijnheer van Eck,” hernam de heer van Reenen, op ernstige wijze, „want er zijn ambtenaren zooals de broeder van onzen geachten vriend, de heer Brand, die wel degelijk hun plicht doen, maar ik vind het toch een schandaal dat mijnheer de Gouverneur op deze onbeschaamde wijze handelt. ’t Is nu toch al meer dan drie maanden geleden dat ZEd. uit Patria orders heeft ontvangen om het bestuur hier neder te leggen, en zulks ten gunste van den Secunde, en op het oogenblik speelt hij toch nog de baas, alsof hij van niets wist.”
„Dat zou zeker niet het geval zijn, als het niet ware, dat de Fiskaal van Lynden hem in zijn verzet steunt” viel den heer Brand in „die man is een ware vloek voor deze volksplanting.”
„Ja waarlijk, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer Brand” hervatte van Eck, „nog nooit is alhier het recht op zulke schandelijke wijze veil geweest als het thans is; de rechtvaardigheid, het eenige juweel, dat de burger tot nu toe had, wordt aan den hoogsten bieder verkocht, en het volk schijnt er zich niet tegen te durven verzetten. Neen, dan was het wat anders in de dagen van Adam Tas, zaliger memorie; toen durfde men nog voor zijne rechten opstaan, en als er thans onder onze burgers denzelfden manmoedigen geest heerschte, dan was Cornelis Jacob van de Graaff al lang op het eene of andere schip gezet, en zonder complimenten naar huis toe gezonden, wat ook de Stadhouder mocht hebben gezegd. Maar wij zijn slaven geworden, en eerst als de Fransche Republiek ons de ware vrijheid zal hebben gebracht, zal er een betere tijd voor de volksplanting opdagen”.
„Bedaar u wat mijnheer van Eck,” zeide van Reenen op waarschuwenden toon, „men mocht u eens hooren, en dan zoudt gij misschien op zeer onaangename wijze kunnen kennis maken met den Fiskaal”.
„Hebt gij nog geene tijdingen uit Graaff-Reinet, mijnheer van Reenen?” vroeg van Eck bedaard, alsof hij niet de minste notitie nam van de woorden van dezen; „ik hoorde gisteren een gerucht dat er daar heel wat ontevredenheid heerscht, en de zaken er leelijk staan”.
„Men is er zeer gebelgd over de onverschilligheid van den Politieken Raad, en eischt bevelen omtrent een kommando tegen de Bosjesmannen die het de boeren aldaar zeer lastig maken moeten,” was het antwoord.
„De regeering behoort zeer voorzichtig te zijn met de burgers van Graaff-Reinet” viel hier de heer Brand in „ik ken de bevolking daar goed, en zij zullen zeker niet verdragen wat de menschen hier verdragen”.
„Dat is een waar woord, mijnheer Brand” zeide van Eck, „de burgers van Graaff-Reinet en ook die van Swellendam zijn wakkere mannen, die de vrijheidsliefde van hunne voorvaderen nog hebben bewaard, en zich niet zullen laten vertrappen door een handjevol betweters, die meenen alles te kunnen doen, omdat zij in den gunst van den Prins of van de Hoog Mogenden meenen te staan. Laat men maar oppassen; de waarheid is ook reeds in die streken doorgedrongen, en het volk begint zijn eeuwige rechten, hem door de Natuur geschonken te kennen. Vrijheid, Gelijkheid, en Broederschap, zijn voor hen geen ijdele klanken meer, maar zullen spoedig werkelijkheid worden. En dan wee de ellendelingen die hen zoolang onderdrukt en uitgezogen hebben”.
Het gezicht van den heer van Reenen betrok, toen hij deze woorden hoorde, en hij keek den spreker scherp aan; deze beantwoordde dien blik echter even scherp, waarop de heer van Reenen zijn mond tot een glimlach plooide, en zeide:
„Ik ga u groeten, mijnheer van Eck, want gij wordt mij ietwat te gevaarlijk, en ik heb geen lust om u gezelschap te houden in het Kasteel, waar gij ongetwijfeld zult belanden, als gij uwen vinnigen mond niet wat meer in toom houdt”.
De drie heeren scheidden. Van Reenen en Brand stapten in de richting van de Parade, terwijl de heer van Eck zijn weg voortzette, het Stalplein overging, en toen een weg insloeg die de helling van den Tafelberg opging. Al loopende, mompelde van Eck steeds bij zichzelven, en het was niet alleen mompelen, maar ook morren, want hij zeide, op driftige wijze, en zoo hoorbaar, dat als iemand hem voorbij gegaan was, deze de volgende woorden had kunnen vernemen:
„Van Reenen heeft mooi praten met zijne waarschuwingen. De kerel is, dat weet ik, net van dezelfde opinie als ik, en is een even echte patriot. Maar zooals vele anderen is hij banghartig, en speelt den heilige, uit vrees voor zijn karkas. Wat heeft men aan zulke lammelingen, die even als Erasmus in de oude dagen, alles beamen wat er door Luther gezegd en geschreven werd, maar die niet gemaakt zijn uit het materiaal, waaruit de martelaren bestonden. ’t Is huilen met de wolven in het bosch, wat zulke menschen doen; maar wacht maar een weinig, mijnheer van Reenen, de wolven zullen net nu een ander deuntje huilen, en dat zal dan ook uw deuntje zijn. Maar een voorzinger om de goeie gemeente te leiden, dat te zijn, daar hebt gij den moed niet toe. Wat een geluk dat Voltaire, of Rousseau niet zulke lafhartigen waren; hadden zij de kat de bel niet omgehangen, dan zuchtte men heden nog in Frankrijk onder het wanbestuur der Capets.”
Op deze wijze lucht gevende aan zijn overkropt gemoed, en aan zijn verachting van alles wat valsch en schijnheilig was, stapte van Eck ijverig voort, totdat hij eindelijk aan een breed hek was gekomen, waarop in vergulde letters stond te lezen—“Zeezicht”. Hij ging dit hek door, liep het net gegruisde pad op, en bevond zich spoedig voor een net gebouwd huis, eenigszins in den vorm van een boerenwoning, aan beide zijden waarvan er zich dan ook eenige buitengebouwen bevonden, die blijkbaar dienden, als stallen, wijnkelders en slavenwoningen, terwijl aan den achterkant van deze gebouwen een groote wingerd zichtbaar was, wier bladen in het late seizoen reeds waren afgevallen, terwijl daarentegen de eikenboomen, die zich in twee statige rijen aan beide zijden van het huis verhieven nog in al hun bladerdos prijkten, al was er hier en daar reeds een geele tint aan hen te bespeuren.
De heer van Eck stapte juist den hoogen stoep van het woonhuis op, toen een ontzettend groote hond, geel van kleur met zwarten bek, van den zijkant opsprong en met heftig gebas aan kwam zetten; toen hij echter de reuk van den bezoeker kreeg, veranderde hij van houding, en kwam kwispelstaartend op den aankomeling af, die blijkbaar een oude kennis van het dier was, en die het dan ook een vriendelijk „zoo Caesar, zou jij den ouden baas niet meer kennen” toesprak.
Intusschen was eene rijzige vrouw, wier grijze haren verrieden dat zij minstens vijf kruisjes achter den rug had, maar die toch nog eene fiere houding had, op den stoep verschenen, en liep van Eck vriendelijk groetend tegemoet.
„Kijk, neef, dat is nu net mooi van je; ik zeide daar net tegen Annie, dat het heel aardig zou zijn als gij van daag hier kwaamt.”
„Wat is er dan weer aan den gang, Bette,” sprak van Eck, terwijl hij zich met een roodzijdenen doek het voorhoofd afwischte, want de perspiratie liep daar in groote parels af, daar de zon nog heel wat kracht had, en als een vuurbol in den wolkenloozen hemel schitterde. „Is Zachje weer in moeilijkheden, of hebt gij misschien uw nieuwe wijn reeds getapt? Om de waarheid te zeggen zou een roemer jonge wijn mij uitmuntend smaken,” vervolgde van Eck lachend.
„Kom maar binnen, neef, en dan zal de wijn zich wel laten vinden, al is die van verleden jaar, want de oogst van dit jaar is nog niet goed drinkbaar. Maar gij blijft zeker wel bij ons eten, niet waar?”
„Dat was inderdaad mijn plan, waarde nicht, als ik u niet derangeer,” antwoordde van Eck, en meteen liet hij zich nederglijden op een rustbank die op de stoep in de schaduw stond.
Mevrouw de weduwe Elizabeth de Beer, zooals de eigenares van Zeezicht heette, was ongetwijfeld gewoon aan de gemakkelijke manieren van haar neef, die deed alsof hij thuis was, en geen aanstelletjes had; zij riep dan ook eene slavin en beval deze een kan wijn en een paar glazen te halen, en een paar minuten daarna, was van Eck in staat om zijn dorst te lesschen met een flink glas Kaapsche wijn, terwijl ook zijne nicht zich den heerlijk verfrisschenden drank liet smaken.
„En wat nieuws is er in de stad, neef?” vroeg zij daarop, terwijl zij den roemer van haren gast nog eens vulde, want schoon van Eck een matig man was, wist zij dat hij van twee glazen zuiveren wijn niet „hoenderkop” zou worden.
„Men is in de stad blijkbaar volstrekt niet gesticht op het verdere gezelschap van den edelen gouverneur”, antwoordde van Eck, „en dat verwondert mij dan ook geenszins, want de man heeft het bont genoeg gemaakt, en heeft het zuurverdiende geld der arme burgers er op schandelijke wijze doorgejaagd”.
„Ik hoorde Hans er van morgen iets over zeggen, maar ik begreep niet goed wat hij meende” zeide mevrouw de Beer. „Zoover ik opmaakte, scheen hij van opinie te zijn dat de gouverneur het volmaakste recht had om hier te vertoeven totdat hij zijne private zaken in orde had gemaakt, en was al dat lawaai niets anders dan afgunst van den heer Rhenius, den Secunde, die zijne partij opstookte, omdat hij kwaad is dat de macht hem nog niet in handen is gegeven, en hij het hoogere salaris niet kan trekken, voordat de gouverneur deze kusten heeft verlaten”.
„Zoo, dat had ik mij wel kunnen denken, dat Hans ook al van het hondje gebeten is. Hij werkt nu op het kantoor van den Fiskaal, is het niet?”
„Ja, van af het begin der vorige maand is hij daar heen verplaatst, en het schijnt hem er goed te bevallen”, luidde het antwoord.
„’t Is jammer dat ik er niet vroeger van geweten had, dan zou ik u hebben gewaarschuwd, en u aangeraden hebben om te zien of gij geen ander baantje voor uw oudsten zoon had kunnen krijgen. Het gezelschap van den heer van Lynden is niet zeer geschikt voor een jongmensch die de verleidingen van het leven en de strikken des duivels nog niet juist kent”.
„Wel, neef, dat zijn natuurlijk dingen, waar eene arme vrouw als ik niets van af weet; maar zie, daar komt Hans juist aan, en het zou misschien niet slecht zijn, zoo u met hem gingt spreken over de zaak; wellicht is er nog een plan te vinden”.
Mevrouw had nauwelijks deze redevoering klaar, of haar oudste zoon Hans, een flink opgeschoten jongeling van omtrent twee-en-twintig jaar, kwam de stoep op. De jonge man had iets astrants in zijn uiterlijk, dat een eigenzinnig karakter verried, en als hij dit was, dan behoefde men hier niet verwonderd over te zijn, want de vader van Hans was overleden toen deze negen jaar oud was, en de weduwe had den vrij balsturigen knaap niet in de noodige orde kunnen houden, zoodat Hans veel te veel zijn zin had gekregen, en de baas in het huis speelde. Hij groette zijn neef eenigszins kortaf, en zette zich toen op de rustbank naast dezen neder, waarop hij een slaaf riep en dezen gelastte nog een glas te brengen; toen hij dit gekregen had schonk hij zich een duchtigen versterking in, en dronk dit uit, zonder op ’s lands manier den gast van zijne moeder gezondheid te wenschen.
Jan van Eck keek den parmantigen knaap van ter zijde aan, en zeide toen bedaard:
„Ik hoor, Hans, dat gij thans in het kantoor van den Fiskaal werkzaam zijt; hoe bevalt het u daar?”
„Uitstekend oom”, luidde het antwoord, „het is zeer vermakelijk om te zien hoe de Fiskaal met de menschen weet om te springen, en hij is zeker een der geslepenste kerels in de Kaap. ’t Is een oude rot, die niet makkelijk in den val loopt”.
„Ja, dat is hij zeker, maar oude rotten worden soms ook gevangen en dan hebben zij het menigmaal harder te verantwoorden dan de jongere dieren”, zeide van Eck koeltjes, en daarop vervolgde hij: „De heer Fiskaal schijnt echter geen populair man te zijn onder de burgers, ten minste niet naar ik hoor”.
„Dat weet hij ook wel, maar daar stoort hij zich niet aan; hij veracht de menschen, en zegt dat over het algemeen de kolonisten te onbeschaafd zijn dan dat men notitie behoeft te nemen van wat zij zeggen”.
„Heeft hij dat in uwe tegenwoordigheid gezegd?” vroeg van Eck verbaasd.
„Oh, ja, hij windt er geen doekjes om, en zegt net wat hem op het harte ligt”, hernam de jonge man, en dit op een toon die te kennen gaf dat het gedrag van zijn chef zijn bewondering verwekte.
De aderen aan het voorhoofd van Jan van Eck zwollen als koorden, zijn gelaat werd vuurrood, en hij mompelde iets dat veel klonk naar een krasse vloek. Toch bedwong hij zich, tot hij tegen zijn neef uitbarstte: „En gij Hans de Beer, een Afrikaner van geboorte, en uit een oud Kaapsch geslacht ontsproten, gij laat iemand dat in uw gezicht zeggen, zonder dit tegen te spreken. Foei, schaam u wat: ik zou in mijn jonge dagen mij niet zoo hebben laten beleedigen”.
De jonge man was een weinig bedeesd onder dezen onverwachten aanval, maar herstelde zich toch spoedig, en antwoordde toen op scherpe toon: „Maar wildet gij dan hebben dat ik met mijn chef onaangenaamheden moet krijgen, en met hem ruzie maken over zulk een bagatel, neef? De heer van Lynden is een invloedrijk man, en het zou wel dwaas van mij zijn, om hem niet te vriend te houden”.
„Ik geloof dat gij den invloed van den Fiskaal veel te hoog schat”, hernam de oudere man, „en al was hij de stadhouder zelf, dan zou ik mijn medekolonisten niet ongestraft hebben laten beleedigen, in alle geval niet stilzwijgend. Het spijt mij ten zeerste dat gij op dat kantoor zijt terecht gekomen. en gij zult er niet veel goeds leeren. Als ik u was Hans, dan zou ik om verplaatsing aanzoek doen”.
„U heeft zeer wonderlijke veroordeelen, neef”, waagde de jonge man te zeggen, „de zaak is eenvoudig dat gij weet dat de Fiskaal Oranjegezind is, en gij zelve een Patriot zijt, en daarom haat gij den heer van Lynden, omdat gij vreest dat hij een oog op u heeft. Maar een man als de heer van Lynden, die den steun en de achting van den Gouverneur geniet, is verheven boven uwe aantijgingen”.
Onder andere omstandigheden zou de heftige Jan van Eck den man die hem zulke woorden had toegevoegd een slag met zijn rottang in het aangezicht hebben gegeven; de gedachte echter, dat een domme melkbaard zooiets zeide, en het feit dat die melkbaard een zoon was van eene zeer geliefde nicht, hield zijn arm tegen, schoon de rottang werkelijk een paar duim van den grond rees, om daarop langzaam te zinken.
„Hans, gij zijt een dwaas, die niet weet wat gij praat, en als gij wat meer verstand hebt, zal het u spijten zulke onbekooktheden tegen mij te hebben gezegd. Ik verzeker u echter dat gij u deerlijk vergist, en dat het u geraden is niet al uw vertrouwen te stellen in den Fiskaal, en zelfs niet in den Gouverneur want hun beider rijk is waarschijnlijk zeer spoedig uit”.
„Zoudt gij dan denken dat de Gouverneur dwaas genoeg zou zijn om naar Patria terug te gaan op de eerste aanmaning hem daartoe door de directeuren gezonden. Hij heeft natuurlijk naar zijne vrienden in Patria geschreven, om hen te vertellen, dat hetgeen men in Holland van hem verteld niets dan leugens zijn van zijne tegenstanders alhier, en hij zal vragen dat men eene commissie uitsture om onderzoek naar den toestand der zaken alhier te doen. De heer van de Graaff is niet de man er naar, om zoo maar het veld te ruimen voor zijne vijanden, en hij heeft een uitmuntenden raadgever in den Fiskaal, die weet wat hij doet”, luidde het heftige antwoord van den jongen Hans.
„Zoo, zoo, zit de vork zoo in den steel”, sprak van Eck, en hij wilde juist nog iets hierbij voegen, dat misschien niet zoo bedaard zou geweest zijn, toen plotseling de stem van zijn nicht zich deed hooren, die weder op de stoep verscheen, met „komt, neef Jan, en Hans, komt eten, de kost wordt anders koud en dat zou jammer zijn”.
Neef Jan had een half uur geleden een geweldigen appetijt gehad, maar de woordenstrijd met Hans had dien geheel en al bedorven, en de oude heer was alles behalve vriendelijk gestemd toen hij de ruime eetkamer intrad, en daar de andere leden der familie aantrof, namelijk de eenige dochter van Mevrouw de Beer, Annie genaamd, een zeer mooi meisje van omtrent 17 jaar, en de tweede zoon des huizes, een knappe jongen van 19 jaar, die naar de boerderij van zijne moeder keek, en als zoodanig de rechter hand dier moeder was. Hij had een geheel anderen aard dan zijn broeder Hans, deze Andries de Beer, en schoon meer bedeesd dan deze, was hij veel verstandiger dan zijn ouderen broeder.
Annie was een lieveling van den stuggen Jan van Eck, maar heden was neef Jan zoo verstoord dat hij haar slechts zeer koel groette, en ook onder het eten in gedachten verzonken scheen. Nicht Bettie giste dat er weer een hevige woordenwisseling had plaats gevonden tusschen haar neef en haar zoon, want dergelijke tooneeltjes waren niets ongewoons; toch had zij nooit gezien dat neef zich zulk een zaak aldus aantrok als hij heden scheen te doen, en zij kon dan ook niet helpen om te vragen, wat Hans nu weer gezegd had om neef zoo overstuur te maken.
Hans antwoordde niet, want hij begon zich reeds over zijn gedrag te schamen, en daarbij gevoelde hij dat hij in zijne aanmerkingen over de plannen van den Gouverneur, plannen waarover hij den heer van Lynden had hooren praten, zijn mond had voorbij gepraat, en geheimen uit het kantoor had verklikt, iets dat hem duur kon te staan komen. De heer van Eck daarentegen begon nu eerst geweldig ergerlijk te worden over het gedrag van zijn jongen neef, en, op de vraag van Mevrouw de Beer, barstte hij dan ook plotseling uit:
„Nicht als gij daar dien oudsten zoon van u niet spoedig den mond snoert, zal hij u en anderen in groote ongelegenheden brengen.” „Ach, neef,” hernam nicht op goeielijken toon, „jonge harten zijn maar onbezuisd, en Hans meent het zoo kwaad niet, is het wel Hans?” Hans gaf geen antwoord, maar Annie nam nu de zaak op en zeide:
„Oom Jan, gij moogt heden niet uit uw humeur wezen, want wij hebben vandaag juist een spul heerlijke pampoenkoekjes gemaakt, en gij weet dat is uw lievelingsgerecht”.
„Ja, neef, het was daarom dat ik tegen Annie gezegd heb, dat ik hoopte dat gij heden hier zoudt aankomen, en gij moogt nu niet een zuur gezicht trekken, want anders zou het mij gaan spijten, en zal ik bang zijn dat de koekjes u niet zullen smaken”.
Jan van Eck was mensch; daarenboven was hij Afrikaner; en hoe kwaad hij ook mocht zijn, tegen de verleiding van „pampoenkoekjes”, vooral zoo als nicht Bettie ze bakken kon, was zelfs de volgeling van Jean Jacques Rousseau niet bestand. Hij glimlachte eerst wel wat stijf, maar de lach werd steeds breeder en guller, vooral toen de „koekjes” door de meid op tafel werden gebracht, en nicht hem toen een viertal op zijn bord plaatste, „om mee te beginnen” zeide zij; en toen een uur later Neef Jan van Nicht Bettie afscheid nam, zou niemand hebben kunnen raden, dat slechts een kleine twee uur geleden Jan van Eck zoo kwaad was geweest, als hij zich niet herinnerde ooit te zijn geweest voor dezen.
Drie dagen daarna kreeg Hans de Beer echter een verschrikkelijke schrobbeering van zijn chef, omdat deze had uitgevonden dat Hans uit de school had geklapt en dat nog al tegen dien gemeenen hond van een patriot Jan van Eck. Toch had die hond van een patriot gelijk gehad. Het rijk van den Fiskaal was uit. Toen op 24 Juni de heer van de Graaff zich eindelijk inscheepte om naar Holland terug te keeren, nam van Lynden heimelijk de vlucht met hem. Nu de leeuw weg ging, vond de jakhals het niet geraden om zich alleen te wagen tusschen de burgers, van wier haat hij zich maar al te goed bewust was.
Hoofdstuk III.
Een Leelijk Standje.
Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten verliezen.
Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18den Juni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip de Amazone.
Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distrikten Graaff-Reinet en Swellendam had men op een manier de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.
De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hier te worden vermeld. Het waren de heeren Jan Smuts, Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.
De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in andere boeken niet te vinden zijn.
’t Is den 30sten dag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.
Vooral op de groote Parade, die zich voor de Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijn Oost-Indiëvaarders dragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapsche stormseizoen nadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden gevonden.
Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het zijn zin had gekregen.
Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:
„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken die in de laatste dertig jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten.
„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.
„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier Jan van Eck in; „vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”
„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.
„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?” vroeg Van Eck, op droogen toon.
„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van Reenen, instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was.
„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort; „met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het? De lasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering van zijnen toestand”.
„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze.
„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich zelven te regeeren.”
„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in.
„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den man die de onafhankelijkheid van de Vereenigde Provinciën heeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze.
„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”
„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.
De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen:
„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.”
„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer te zeggen krijgen,” gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen.
„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaire ideeën loopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt.
„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.
Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij aan deze personen.
„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”.
Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:
„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.
Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.
„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”.
„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”.
Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.
Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte of platform (zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker, wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de Keizersgracht stond.
Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.
Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplanting zouden helpen om de Oost-Indische Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was onbillijk.
De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.
Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid, en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was het uitmuntend in de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.
Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven, en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder de resolutiën door deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed- of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg.
„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied is, kan ook elders geschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.”
Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede, en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op te winden.
„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””
Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op.
Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren, maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan toch halsstarrig willen wezen, wel .... laat ze dan maar verrekken”.
Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze bepaling te houden.
De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.
Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”.
Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.
Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling en den landbewoner.
Hoofdstuk IV.
Een Gewichtige Nacht.
Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18de eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun smaak mocht vallen.
Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond.
In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”.
In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.
Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren, en werd ten slotte op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen.
Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der Graaff-Reinetters en Swellendammers, en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen, waaraan niemand had gedacht.
Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.
Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men denke er aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed.
Reeds op den 7den Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2den September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur Sluijskens uit Holland kreeg werd hier gebracht door de Medemblik, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten.
Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist met haar accordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika.
Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding) en dat op den 12den Juni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet; waren wij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting te besturen. De andere man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam van Oranjerivier heeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den 1sten Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde „patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen een inval in het land deden.
’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.
„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden toon.
Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil maken in onze houding.”
„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker met verwondering aanziet.
De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste schot op den loop zal gaan.”
„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.”
„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.
Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”
„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.”
De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”
Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.
Kolonel Gordon nam na het vertrek van den Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te worden”.
„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.
Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt.
„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.
Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd.
Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.
Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.
Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke intenties zulk geschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den brief van den admiraal.
Kaapstad, 12 Juni 1795.
Mijnheer,
Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.
Ik heb de eer te zijn
A. J. Sluijskens.
Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot, doch deze vragen zeide de officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.
Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het kasteel verlieten.
Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in de Kaapstad aan luitenant-kolonel Mackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7den Februari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen tegen een aanval door de Franschen.
Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking moest nemen, en volgens de konstitutie van de Oost-Indische Compagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.
Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14den Juni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel Gordon behoort te geven.
Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.
Edele Heer,
Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven vereenigde provinciën met hunnen erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat zij hunne geruïneerde geldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te brengen.
Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 jaren lang heb gediend, mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.
Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.
R. J. Gordon.
Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:
„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.
JOHN PRINGLE, Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.
Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand zoowel als van vriend.
Hoofdstuk V.
Jan Van Eck Wordt Soldaat, En Vecht Mee.
Het is den avond van den 6den Augustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes; in plaats van net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in een soldatenkamp zijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de Baai Fals.
Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.
En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, òf verzaakt moedwillig zijn plicht.
En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?
Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen te worden.
Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond.
Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel jaren hadden gestreden, en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen.
Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner daden worden geroepen.
De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen van Graaff-Reinet en Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde.
De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van eenigen rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard.
Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk, en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone op den 9den Juli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen.
Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3den een nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij er op den avond van den 6den Augustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk.
Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem verlof gaf, op eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:
„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”.
„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,” zegt de luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is nuttelooze tijdverspilling”.
„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”.
„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere luitenant, „en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”.
„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit, „wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.
„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”.
„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds sedert den 20sten van de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.
„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon van verbazing.
„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.
„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan.
„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar die dingen zien, luitenant?”
„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair het groepje.
„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”
„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck, „en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”.
Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom van den heer Van Reenen zelf.
Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werden geïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete.
De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk schot vast en moesten daar uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.
Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78ste regiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.
Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een heftig vuur op de niets vermoedende Britten met het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.
Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken zij een verzoekschrift aan den Gouverneur op, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10den Augustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen.
Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen van de Engelschen spelen.”
Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4den September de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14den van die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.
Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven.
Op den 16den September 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.
Hoofdstuk VI.
Het Eerste Engelsche Tijdperk.
Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18de tot de 19de eeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.
Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn, omdat er kans bestaat, dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.
Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstad geruïneerd, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.
Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met die vooroordelen die in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.
De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen.
Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.
In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te kennen dat zij van plan
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg