"Ups" en "downs" in het Indische leven
P. A. (Paul Adriaan) Daum
Door Maurits
GOEDKOOPE UITGAVE BATAVIA—G. KOLFF & Co. AMSTERDAM—LOMAN & FUNKE. 1893
Inhoud.
Hoofdstuk. Bladz.
I. „VOOR VIJF TON IS HET JOU!” 1 II. JOZEF EN ZIJNE VIJANDEN 7 III. NA HET OPROER 15 IV. MAMA TJANG 22 V. „WEL, DIE TANTE CLARA!” 30 VI. STEKEN ONDER WATER 40 VII. LIEVE JONGENS! 48 VIII. MEVROUW UHLSTRA NAAR KOENINGAN 53 IX. TANTE JANSEN 59 X. PESSIMISTISCHE OVERDENKINGEN 66 XI. HET FEEST 70 XII. DE TWEEDE DAG 78 XIII. HOE DE „KINDEREN” ZICH AMUSEERDEN 84 XIV. KOMEN EN GAAN 90 XV. ZELFMOORD-PHANTASIEËN 95 XVI. GEBER EN CLARA 99 XVII. WAT DE MENSCHEN ERVAN ZEIDEN 104 XVIII. CLARA WEER THUIS 111 XIX. BIJ DEN CHINEES 114 XX. ROOS GEWAARSCHUWD 117 XXI. EEN TRAGISCH EINDE 124 XXII. DE PSEUDO-PRINS VAN JAVA 132 XXIII. MIJNHEER HUNZMAN 139 XXIV. „’N COMPLETE JONGE DAME!” 145 XXV. SPECULEEREN 151 XXVI. ROOS DOET ZAKEN 162 XXVII. EEN SOLLICITANT-ECHTGENOOT 172 XXVIII. VERLIEFD 178 XXIX. DE SOLLICITANT IS GESLAAGD 189 XXX. FREDDY EN EDDY 196 XXXI. DE INVITATIE 201 XXXII. HOE FREDDY DRIEHONDERD GULDEN VERDIENT! 207 XXXIII. „’N MOOI PAAR, JA?” 214 XXXIV. HET FAILLISSEMENT 221 XXXV. GELDZAKEN 230 XXXVI. OP WEG NAAR HUIS 238 XXXVII. DE VERLOVING 243 XXXVIII. VERSCHILLENDE BEZOEKEN 250 XXXIX. NIEUWE MISÈRES 256 XL. DE BENGAALSCHE KOE 263 XLI. ACHTERUITGANG 276 XLII. SLOT 286
Eerste Hoofdstuk.
„Voor Vijf Ton Is Het Jou.”
Nu er dien vooravond toch geen visite werd verwacht en geen bezoek werd gebracht, was mevrouw Uhlstra met haar dochters gaan toeren in den helderen maneschijn.
Ze waren het uitgaan en het ontvangen van „menschen” zoo gewoon in den laatsten tijd, dat het haar toescheen alsof er een ziek was van de familie, wanneer ze rustig bij elkaar bleven zitten zoo’n heelen avond. De oude heer ging niet meê: hij hield z’n logé gezelschap. Veel spraken die twee samen niet. Ze kenden elkaar al zooveel jaren!
Hun landgoederen werden slechts gescheiden door een smalle rivier, die ze indertijd overbrugd hadden om gemakkelijk bij elkaar te kunnen komen, voor een praatje of een partijtje. Zóó hadden ze op het land geleefd, vele jaren, als goede buren; nu en dan in heftigen twist over kleinigheden, waarop al heel gauw de hartelijkste verzoening volgde,—met ’n groote fuif; dat was usance! Maar Uhlstra had er ten slotte den brui van gegeven. Ofschoon flink en krachtig en kerngezond, had hij op z’n vijftigsten verjaardag gezegd, dat het nu wèl was. Zijn halve leven had hij gesleten op zijn land; zijn oudste zoon was meerderjarig en kon hem thans goed vervangen in het beheer; geld hadden ze genoeg en de meisjes, die groot waren geworden, meenden ook dat het veel prettiger zou zijn in de stad te leven.
Toen had hij zich het mooie huis laten bouwen, dat hij nu bewoonde; een open huis, in alle beteekenissen, want hij logeerde er niet enkel z’n vrienden, maar ook hun vrienden, en menigmaal herbergde hij met de grootste jovialiteit jonge menschen, die hij nooit had gezien, enkel op een briefje van een ouden sobat uit Europa of uit de binnenlanden; een „inkwartieringsbiljet”, zooals hij dat luid lachende noemde.
Daareven had hij een langen brief gekregen van Henri, z’n zoon, den administrateur; een brief, die van A tot Z liep over zaken; over den padioogst, die juist binnen was, over de prijzen en hoeveelheden van hun koffie, over de paarden, de koeien, den toestand van loodsen en gebouwen.
Hij had z’n bril er voor opgezet, en keek aandachtig door de groote ronde glazen naar de met zwaar schrift bedekte vellen papier, in een gevoel van rustige tevredenheid en de overtuiging, dat het alles in zoo goede handen was, als stond hij zelf nog aan het hoofd.
Met een enkel woord schreef Henri over het land van Geber, die nu de gast was der familie en aan den anderen kant van de tafel zat, in nachtbroek en kabaai, op een langen stoel, bladerend in een tijdschrift, achteloos de prentjes bekijkend.
Uhlstra bergde den brief eerst weg in z’n kantoor, zorgvuldig achter slot; toen hij terugkwam, lei hij zijn armen op de tafel, leunend met zijn bovenlijf op het marmeren blad, wrijvend met z’n stompe vingers in den grijzenden stoppelbaard, terwijl hij met een zekeren ernst op z’n donker gezicht naar Geber keek, als iemand die wel iets zou willen zeggen, maar aarzelt ermeê voor den dag te komen.
„Wat kijk je me aan?” vroeg de ander, het tijdschrift met een smak op het tafelblad werpend.
„Ik heb een brief van Henri.”
„Zoo,” zei Geber, zonder belangstelling, terwijl hij een ander tijdschrift uit de volle leestrommel vischte, die naast hem op een stoel stond. „En hoe gaat het?”
Uhlstra knikte, wachtte een oogenblik, alsof hij in twijfel stond.
„Goed,” zei hij toen. „Alles marcheert uitstekend.”
„En is hij nog eens bij mij gaan kijken?”
Uhlstra nam een sigaar uit het open kistje, dat op tafel stond. Hij stak haar aan, langzaam om tijd te winnen, zich bezinnend alvorens iets te zeggen dat minder aangenaam was, en opstaande, liep hij een paar keer, met de groote stappen van een man, gewoon zoo spoedig mogelijk verre afstanden te voet af te leggen, over het marmer van den vloer der achtergalerij, zwaar trekkend aan zijn sigaar en met breeden armzwaai, telkens als hij die uit den mond nam.
„Nou?” vroeg Geber verwonderd, maar op spottenden toon en al kijkend over het blad, dat hij in de hand hield. „Er is toch niets aan den knikker?”
„Dat zal ik niet zeggen; maar ik geloof toch, dat het tijd voor je wordt zelfs eens te gaan kijken.”
Geber liet het blad op z’n knieën zakken, leunde z’n hoofd achterover tegen den rug van den stoel, met een trek van verveling en landerigheid op zijn gezicht.
Geen oogenblik kwam het bij hem op, dat hij, als gast, bij Uhlstra te veel was. Een paar maanden te voren, toen hij nog op z’n land woonde, raakte hij aan het sukkelen; hij was aanhoudend koortsig, met een onaangenaam gevoel van onwel zijn, zooals Europeanen in Indië dat hebben kunnen; daarom was hij naar de stad gegaan, had bij Uhlstra zijn intrek genomen en zich onder dokter’s behandeling gesteld. Men had hem al heel gauw zoowat „opgeknapt,” en het vroolijke leven dáár aan huis, de vele partijtjes en de gezellige omgang met tal van oude en nieuwe vrienden, hadden hem heelemaal „ingepakt”. Hij zag er dan schrikkelijk tegen op, terug te gaan naar z’n landhuis; het was mooi; het was comfortabel; hij kon zich alles verschaffen wat hij maar wou,—maar hij zat er als ongetrouwd man erg eenzaam. En met de jongere editie der Uhlstra’s, zijn naaste buren, kon hij zoo niet opschieten. De brug over de kali was door een bandjir weggeslagen; niemand sprak ervan een nieuwe te laten bouwen. „Kijk ’reis,” zei Uhlstra, zijn breede figuur in rust zettend vlak voor den stoel van zijn ouden sobat. „Je begrijpt, hoop ik, dat het niet is om je weg te hebben...”
Geber haalde de schouders op, alsof hij wou zeggen dat dit nu al te gek was. „Nou,” vervolgde Uhlstra, „dan moet ik je zeggen, dat wat Henri schrijft me in het geheel niet aanstaat. Die Joop......” Maar Geber viel hem in de rede. „Ja,” zei hij, „och, dáár hoef je me eigenlijk niks van te vertellen; daar weet ik alles van! Henri kan hem niet uitstaan; het hindert hem, dat Jozef bij mij den baas speelt, en net gelijk is aan een administrateur. Voilà! Het is een beste jongen, je zoon Henri, dat is zeker, maar als hij van Joop begint....”
„’t Is mogelijk,” zei Uhlstra. „Eigenlijk schrijft hij niets over hem, ten minste niet rechtstreeks. Hij heeft alleen gehoord, dat de bevolking niet tevreden is en daarvoor meen ik je te moeten waarschuwen.”
„Tevreden, tevreden! Dat zijn die kerels toch nooit. Nu, ik zal bij gelegenheid eens gaan kijken. Bij mij hebben ze anders nooit gemopperd.”
„Dat weet ik, en daarom is het juist een leelijk ding... Als het hek van den dam is.....”
Geber lachte een beetje kwaad.
„Daar heb je ’t al! Jij bent in dat opzicht net als je zoon. Al is Joop geen Europeaan—hij is een vent, die den boel door en door kent en van alles zoo goed op de hoogte is als iemand maar wezen kan. Het hek is dan ook in ’t geheel niet van den dam.”
„Soedah,” zei Uhlstra, „het zijn je eigen zaken, kerel.”
Terwijl hij voor beiden een bittertje klaarmaakte, brak hij het gesprek af, en het op wat anders gooiend, vroeg hij luchtig weg:
„Is er wat nieuws in de trommel?”
Ze bekeken nu samen de illustraties, pratende over onverschillige dingen, voorstellingen van gebouwen, afbeeldingen van staatslieden, reproducties van schilderstukken, en wat er al zoo meer voorkwam, tot de dames terugkwamen en een luid vroolijk gesprek over allerlei voorvalletjes op de plaats, verloopend in onbeduidendheden, zich ontspon tot na tafel, juist als bij andere gewone menschen, zonder bijzondere neigingen of groote ontwikkeling, maar die het goed en royaal hebben en buiten materieele zorgen door het leven gaan. Intusschen was Geber maar weer blij, dat het eten vrij spoedig afliep en de dames vroeg naar bed gingen. Hij had in den laatsten tijd meenen op te merken, dat mama Uhlstra en haar oudste dochter Roos hem niet meer behandelden gelijk vroeger, en zooals hij, een oud huisvriend, het gewoon was.
Het scheen dat ze een nieuwe hoedanigheid in hem ontdekt hadden, en voor z’n persoon was hij met die ontdekking verre van ingenomen. Ze waren begonnen, ineens en als door een wederzijdsche ingeving, met allerlei kleine opmerkingen, vragen en plagerijen, die altijd hetzelfde onderwerp tot doel hadden: trouwen. Dat geen haar op z’n hoofd eraan dacht, kon hij niet zeggen, want hij bezat nog slechts hoofdhaar aan de kanten, doch dat hij zou sterven zoo ongetrouwd mogelijk, stond bij hem als een paal boven water. Maar of hij dit al te kennen gaf openlijk en in bedekte termen tot vervelens,—de dames bleven onverstoorbaar aan haar idee vasthouden. Het werd met den dag duidelijker, dat ze een huwelijks-candidaat in hem zagen voor de donkere oudste dochter. Hoe onpleizierig hij het ook vond, schertste hij aan tafel maar dapper meê, met een spotzieker gezicht dan ooit, van tijd tot tijd zijn fletse blauwe oogen eens latende rusten op Roos, bij zichzelve met de gedachte, dat als hij er dan toch een zou willen nemen zóó donker, die veel gemakkelijker en minder kostbaar onder de inlandsche bevolking was te vinden.
Toen hij en Uhlstra dien avond voor de digestie nog wat op en neêr wandelden voor het erf, dachten ze allebei aan hetzelfde: hun kort gesprek in den vooravond, en het vervolgde altijd door op dezelfde manier en zonder dat een hunner afkwam van zijn eerste denkbeeld.
„Weet je wat,” zei Geber ten slotte, „ik verlang naar Europa, en ik wou, dat ik van den heelen boel af was!”
„Me dunkt dat is zoo moeilijk niet.”
„Je meent dat ik het land kan verkoopen.”
„Natuurlijk zou je dat kunnen.”
Geber stond plotseling stil, als iemand, die een nieuw denkbeeld krijgt.
„Wat geef jij er voor,” vroeg hij.
Maar Uhlstra schudde het hoofd, harder dan ooit in z’n baard wrijvend.
„Ik heb genoeg aan m’n eigen gedoe, eigenlijk al te veel.”
„Wel, denk er nog eens over; het was misschien zoo’n kwaad ding niet voor een van je jongens. Ze kunnen toch niet allemaal administrateurs worden van Tji-Ori.”
Dat laatste zei Geber weêr op den spottenden toon dien men van hem gewoon was. Het was waar, dat de jonge Uhlstra’s in Europa niet hard vorderden; ze waren, dat bleek uit hun brieven en uit die van anderen, erg vroolijk, gezond en levenslustig, en ze deden van alles, met opoffering van veel tijd en geld, doch studeeren, juist het eenige waarvoor ze gekomen waren, viel niet in hun smaak.
En Uhlstra, die den spot voelde, maar de onmiskenbare waarheid ook, antwoordde openhartig:
„Ja, dáár kon je wel eens gelijk in hebben. Ik zal er nog eens over denken.”
Zwijgende, de brandende sigaren in den mond, stapten ze terug naar het huis, naast elkander, met gelijken tred, de korte, breede gestalte van Uhlstra met het zware grijze haar, naast de slanke, eenigszins ingezonken figuur van Geber, op wiens schedel het lamplicht uit de voorgalerij in een blinkend plekje zich als concentreerde en weerkaatste. Weer stond Geber even stil, juist voor de trappen der voorgalerij.
„Voor vijf ton is het jou,” zei hij, de hand uitstekend gelijk een veeboer, die een koe verkoopt op handslag.
Een oogenblik stond Uhlstra in beraad; hij scheen werkelijk te denken aan een bod; toen schudde hij met dezelfde onverzettelijkheid van daareven het hoofd.
„Neen,” zei hij, „daar moet ik eerst nog eens over denken.”
„Dan niet te lang, want ’k heb plan er gauw een eind aan te maken, en er van door te gaan!”
Hij had wel gevoeld, dat Uhlstra den aankoop van zijn land, Koeningan, niet verwerpelijk vond, en terwijl ze hun grog dronken, vervolgde hij, erop terugkomend:
„Ik zal er eens met dezen en genen over spreken: maar als je bij geval voor een korten tijd de preferentie wilt.....”
„Hm!” zei Uhlstra, „twee dagen; langer is niet noodig.”
Het was zoo’n gewichtige zaak voor hun beiden, dat zij een tijdlang bij elkaar zaten zonder te spreken, ieder bezig met z’n eigen gedachten.
Het was ook iets waarin ze elkaar niet konden foppen.
Uhlstra wist tamelijk wel wat Koeningan opbracht, en in hoever dus het land een half millioen waard was, en Geber begreep heel goed dat zijn oude vriend alleen tijd van beraad nam, omdat hij den toestand van het oogenblik wantrouwde en eerst Henri wou raadplegen.
Eigenlijk speet het hem nu, dat hij die preferentie had toegestaan. ’t Was al te gek. Koeningan was in de laatste jaren eer voor- dan achteruitgegaan en een half millioen waard, zoo goed als een duit een duit.
Doch nu hij eenmaal zijn woord gegeven had, kon hij het niet terugnemen.
„Zie je,” ging hij voort, „het moet een zaak blijven tusschen ons tweeën, want als je decideert en je neemt het land niet, dan zou dat voor mij nadeelig kunnen zijn.”
Dáárover werden ze het eens, en nu eenmaal het groote idee van dien koop en verkoop in hun hersens doorwerkte en hun allebei heelemaal in beslag nam, wou het gesprek over onverschillige dingen niet vlotten en stonden ze op het punt naar bed te gaan, toen een rijtuig ’t erf opreed.
„Wie drommel,” zei Uhlstra, „kan dàt nog wezen, ’t is al halfelf.”
Uit het rijtuig stapte, met voorzichtigen tred, als iemand die bang is mis te treden en niet op de soliditeit van z’n beenen vertrouwt, een lang mager man, naar z’n uiterlijk diep in de vijftig, met een witte jas en broek en een groot zwart lakensch vest eronder.
Hij bleef staan voor de trede van z’n rijtuig, zette een lorgnet op en boog zich voorover, onderzoekend het huis binnenkijkend.
„Zoo Twissels!” riep Uhlstra op zijn luiden, vroolijken toon. „Kom binnen.” Maar de ander naderde niet, lachte zachtjes terug en stak enkel z’n langen arm uit naar de toegestoken hand van Uhlstra.
„Als jullie,” zei hij met een fijne vrouwenstem, „een derden man kunt gebruiken voor een partijtje, dan staat hij hier voor je. Zoo niet, dan ga ik weer weg.”
Ze vonden hem alle twee even uniek en aardig.
Die Twissels was toch een echte dobbelaar! Dat zat den heelen dag hard te werken op z’n druk koopmanskantoor, dat had een lang, mager, schijnbaar zwak lichaam en een altijd eenigszins ziekelijk uiterlijk en dat was niettemin nooit ziek, schoon er zeker geen twee avonden in de week waren, waarop niet tot halfdrie, drie uren ’s nachts aan de hombertafel werd gezeten.
Geber en Uhlstra trokken hem naar binnen, nu opgewekt en verheugd over deze onverwachte afleiding, want eigenlijk waren ze alleen van plan op te breken omdat die zaak van Koeningan hun voor ’t oogenblik in den weg zat. Ze waren ook niet gewoon, in den laatsten tijd, aan zoo’n stil verloop van een avond als deze. Twissels, die heel goed zag, hoe welkom hij hier was, wreef zich vergenoegd de smalle, magere handen.
„Ik heb zoo’n idee,” zei hij, toen ze aan het speeltafeltje zaten en Uhlstra de fiches afdeelde, „dat ik jullie van avond eens lekker zal afzetten.”
Tweede Hoofdstuk.
Jozef En Zijne Vijanden.
De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen den groenen achtergrond van hellend boschterrein.
Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’s factotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan was nooit iets gebleken.
Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig zijn uit Arabië als uit Bengalen.
Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof in alle opzichten een self-made-man, zeer bijzonder was.
Ja, hij had het ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met het air van een heer en meester.
Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was hij naar zijn oordeel op den goeden weg.
Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet veel meer was dan mandoor, had hij zich bijverdiensten weten te bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.
Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, en toewan tanah worden, deinsde hij voor niets terug.
Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.
Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het maar beter was te zwijgen.
Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas kwamen, maar hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk geen vrouw met rust laten.
Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, list en geweld.
Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke manier.
Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar, quasi om een strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegen hem.
Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, die onder hem als djoeragan diende, sloot hij het voorgedeelte zijner woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo schilderachtig en lief, dat het overdag in ’t zonlicht een landelijke idylle was.
Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van vorm, afkomstig nog van landheeren uit tempo doeloe, ging Jozef rustig aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; niet uit vrees, maar uit wantrouwen.
Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.
’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel onder de loods het geheele en halve uur.
Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de over z’n naakte schouders geslagen sarong, van de baleh-baleh, waarop hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.
Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in het groen.
In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware djati-houten deur, door twee grendels en een palang pintoe van binnen gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur gegrepen had, in de hand.
Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder de dof dreunende, regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den anderen kant, voelde en greep de palang pintoe van de achterdeur, schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den vinger aan den trekker van zijn geweer.
Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.
De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander ontbrandden de obors in de handen van halfnaakte inlanders met zwart en wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door het hart gestoken.
De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze hakten met hun ariets en parangs waar ze het doode lichaam slechts konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelf bosèn van waren en het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.
In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen, uren lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.
De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste woede, tot er niets meer was om te vernielen.
Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; de obors waren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op de tongtong luid en akelig te doen weergalmen door de lucht.
Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of het een evangelie was.
Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudende déveine, dat men wel den laatsten sans prendre bepalen kon.
Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren spel niet meetellen zou.
Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.
„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschen Pech gezien?” riep hij kwaad met z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een half uur.”
„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”
En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de fiches opstreek:
„Alle goede dingen bestaan in drieën.”
Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen Geber en z’n meester.
„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord over zoo’n ongewone vrijpostigheid.
De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn dienstbaadje naar buiten.
„Er is een boedjang van Koeningan.”
„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, weer neêrleggend.
„Hij zegt dat er tjilaka is.”
„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.
„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed is bij mijnheer; dat het huis in brand staat en toean Joop al dood is.”
Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong driftig op en riep den boedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.
Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoo bingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om dadelijk z’n américaine te laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje zei hij bij zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”
Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er wou.
„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.
De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven zweren.
Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.
„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”
„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor hem stond.
Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.
„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgen Schadenfreude. „Het is voor Geber een leelijk gevalletje.”
„En is Joop dood?”
„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”
De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?
„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende paarden, die werden afgewreven.
Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met de gevolgen daarvan in te laten.
Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize uithooren.
Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. Henri kwam daarbij altijd weêr terug op hetzelfde uitgangspunt: het was alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, herhaalde hij voor de zooveelste maal.
Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar Koeningan, en zijn zoon, à fond nieuwsgierig om te zien hoe ze dien smeerlap getjientjangd hadden, ging mee.
Derde Hoofdstuk.
Na Het Oproer.
De zenuwen der dames Uhlstra waren tot bedaren gekomen, toen tegen den middag een man te paard een kort briefje van papa had gebracht. Nu spraken ze met uitvoerigheid en een zeker welbehagen over den angst, waarin ze dien ochtend gezeten hadden.
Mevrouw zelf was niet uitgepraat over de aandoeningen van den dag, die ze in even incorrect als vloeiend hollandsch herhaaldelijk vertelde, nu eens de handen gevouwen, dan de rechter tegen ’t hart gedrukt of de linker tegen ’t voorhoofd, uiterst démonstratief. Geber was blij, dat er niets gebeurd was op Tji-Ori, want hij gunde den Uhlstra’s geen kwaad, zelfs den zoons niet, die hij niet best lijden mocht.
Voor hemzelf was het allesbehalve een afgeloopen zaak; hoe meer hij erover nadacht, des te meer kreeg het koortsig gevoel, dat hem naar de stad had gedreven en waarvan hij in den laatsten tijd bevrijd was, de overhand.
„’t Is een eenvoudige geschiedenis,” zei Uhlstra toen hij ’s avonds terugkeerde, „maar het is een beroerd geval voor jou.”
„Hoe was het met de administratie?”
„Dat was het minst erge; tusschen het verbrande boeltje vond ik een stuk van een boek, dat nog vrij wel gespaard was gebleven, met nog een klein boekje erbij. Ik heb ze meegebracht en in je kamer laten neerleggen.”
„En overigens?”
Uhlstra moest het verhaal doen in geuren en kleuren; hoe het lijk mishandeld was en hoe de overblijfselen van het uitgeplunderde en verbrande huis daar lagen.
„Merkte je iets van het volk?” vroeg Geber.
„Wel neen, het was op Koeningan zoo rustig als in m’n achtergalerij. Verbeeld-je dat het Bestuur hier de tijding kreeg van een algemeenen opstand der bevolking; dat er troepen zijn heengezonden en soldaten op het land zijn gebivakkeerd!”
Vol verontwaardiging schudde Geber daar het hoofd over. Hij wist dat men dat gedaan had.
In den loop van den dag waren er kennissen geweest om te hooren wat er toch bij hem gebeurd was; meteen had hij toen vernomen, dat er soldaten naar z’n land waren gezonden. Onder den indruk van dat feit, eenig in de geschiedenis, zwegen allen; ze begrepen, zelfs de meisjes, wat dat beteekende.
Een moord op een opziener, niet eens een Europeaan; een rampas-partij, enfin, een opstootje tijdens de afwezigheid van den landheer, had ten slotte maar weinig om het lijf; dáárdoor werd de reputatie van een land niet erg geschaad; dáárbij bleef de waarde ervan haast intact.
Maar het groote gerucht van oproer onder de bevolking en het uitzenden van troepen door het Gouvernement,—dàt was een nekslag voor den eigenaar, die jaren noodig had om daarvan te herstellen.
„’t Is schande,” zei Roos het eerst. „’t Is net of ze het met opzet hebben gedaan.”
Verrast en vol instemming keek Geber haar aan; dat idee was bij hem ook opgekomen. Hij had nogal eens minder aangename quaesties gehad met het Bestuur en miste, bij verschil van meening, den tact van den schijnbaar veel ruweren Uhlstra, die er zich op beroemen kon, dat hij van alle elkaar opvolgende ambtenaren kon gedaan krijgen wat hij verlangde. Ze hadden allen de stille overtuiging, dat Roos het bij het rechte eind had, maar niemand sprak er verder over. Zwijgend knikten ze elkander toe, tot mevrouw Uhlstra de eerste was die opstond met een lang gerekten zucht, zachtjes zei dat het „vreeselijk en vreeselijk” was, en daarop naar haar kamer ging om zich te kleeden.
Men had daar nog maar juist den tijd voor. De groote voorgalerij was in den vooravond vol bezoekers, als hield men een openbare receptie. Iedereen kwam, door nieuwsgierigheid gedreven.
Men had de troepen zien oprukken; men had iets gehoord van moord en oproer op het land van Geber, en bij de Uhlstra’s kon men zonder twijfel het naadje van de kous te weten komen.
Geber had den hoofdambtenaar Markens, die hem ook een „condoléance-bezoek” bracht, met wien hij zeer wel was en dikwijls een partijtje maakte, ter zijde genomen en zich bitter beklaagd. En de regeeringspersoon, oud-besturend ambtenaar, anti-militair, had hem volkomen gelijk gegeven, met de belofte, z’n best te zullen doen om de soldaten zoo spoedig mogelijk terug te laten roepen en voor een zoo gunstig mogelijk verslag te zorgen in het officieele Nieuwsblad. Geber, die om dit laatste dringend verzocht had, gaf daarbij hoog op van de humane behandeling, die het volk op zijn land genoot, van de bijzondere mildheid in het toepassen van zijn rechten en in het voldoening eischen van zijn verplichtingen.
Maar toen hij in den na-avond lang gekeken had in het groote boek van Koeningan en daarna in het kleine boek van Jozef; toen hij met veel moeite het particuliere gedeelte dezer boekhouding had ontcijferd, en het verband snapte tusschen de kleine administratie en de groote, kwam een gevoel van diepe moedeloosheid over hem.
Hij zag nu in, dat het alles zijn eigen schuld was; dat zekere zorgeloosheid en een koppig vertrouwen in onbetrouwbare menschen de oorzaak waren van zijn halven ondergang. Terwijl hij, bij al zijn eigenaardigheden, zijn leven lang er naar gestreefd had eerlijk en fatsoenlijk te zijn, was er nu maandenlang in zijn naam en op zijn volmacht allerschandelijkst gestolen en geknoeid. Mistroostig zocht hij Uhlstra op en vertelde het hem, zich daarbij opwindend tot een ongewonen graad van woede, vloekend nu en dan, en met z’n vuist op de tafel slaande, maar toch zonder een scheldwoord aan de nagedachtenis van den vermoorde en, ondanks alles wat was voorgevallen, slechts dit eene op den voorgrond stellend: „Het is mijn eigen vervloekte schuld.”
En nu hoorde hij van Uhlstra het overige; vernam hij dat de vrouwen-perkara’s eigenlijk de oorzaak waren van den moord en de rest.
Het was, toen hij alles wist, haarfijn in geuren en kleuren, of alle hoop hem ontzonk.
„’t Is zoo goed als een ruïne,” zuchtte hij.
„Dat zal waarachtig wel waar zijn; we hoeven elkaar niets wijs te maken. Koeningan is op het moment zoo goed als onverkoopbaar. Gisteren sprak je van een half millioen en daar heb ik waarachtig ernstig over gedacht; op het moment, nu die heele perkara zoo is geloopen, zou ik er niet graag een ton in willen steken. Maar wees een man, ga terug, bemoei je met niets, en werk rustig voort tot, na een jaar of wat, de heele rataplan in het vergeetboek is geraakt.”
De raad was goed; ’t was eigenlijk de eenige die kon gegeven worden; Geber was daarvan ten volle overtuigd, en niettemin schudde hij het hoofd met een vies gezicht, als werd hem iets walgelijks aangeboden.
„Ik kan er niet toe besluiten.—Als ik denk dat ik nu weêr voor een jaar of vier, vijf in m’n eentje op Koeningan moet gaan zitten, dan maak ik er bij God liever met een pil nummer elf een eind aan.”
Hij kon er den geheelen nacht niet van slapen. Telkens als hij in z’n kamer heen en weer had geloopen, onrustig, zenuwachtig, zonk hij neer in een stoel, en als hij dan de oogen sloot, trachtend in te sluimeren, zag hij duidelijk de onverstoorbare figuur van Uhlstra tegenover hem zitten, en hoorde hij weêr de verschrikkelijke woorden: „Vandaag zou ik er niet graag een ton in willen steken.” Geen ton in dat mooie, vruchtbare en goed bevolkte land van meer dan vijf duizend bouws, heelemaal onbezwaard; geen ton!!
Dan dacht hij aan de som, waarvoor hij het zelf gekocht had, twintig jaar geleden; aan zijn eentonig en afgezonderd leven als verbannen uit de wereld, verstoken van zooveel dat de groote, beschaafde, europeesche maatschappij opleverde. Dat alles was voor hem verloren gegaan, die lange reeks zijner schoonste levensjaren, en nu hij op het punt stond het door arbeid vrij geworden, dus verworven landgoed te gelde te maken....
Met tranen in de oogen, tranen van medelijden met zichzelf en zijne omstandigheden, stond Geber weêr op, helderder wakker dan hij was gaan zitten; gejaagder en zenuwachtiger dan te voren. Toen het vijf uur sloeg op de groote ouderwetsche hangklok in de achtergalerij, met langzamen, zwaren slag als van een doodsklok, ging hij buiten zitten, naar afleiding zoekend in het schemeren van den dageraad en het stil gescharrel op het erf van de bedienden, die aan den waterput baadden, hun koffie dronken en hun rijst aten, vóór de ontwaakte familie allen in dienstbeweging stelde.
Van de Uhlstra’s verscheen Roos het eerst. Om naar de badkamer te gaan moest ze Geber passeeren, en verwonderd vroeg ze, toen ze hem daar zitten zag:
„Soh, al op?”
„’k Heb den heelen nacht niet geslapen,” zuchtte hij erbarmelijk, en ’t meisje, dat dit volkomen begrijpen kon, zuchtte met hem mee.
„Verschrikkelijk, ja?” gaf ze meêlijdend toe. „Veel soesah vóór alles voorbij is, en zooveel schade, zooveel schade!”
Nu het eerste verdriet bij Geber dien nacht had uitgewerkt, en hij ten slotte tegen een menschelijk wezen had kunnen klagen, kwam weêr de oude natuur bij hem boven, en verscheen, voor het eerst sedert een etmaal, op z’n gezicht de spottende trek, die daarop anders stereotiep was. Hij stond op en zei, leunend met de hand tegen een pilaar, het eene been over het andere slaande:
„Ja, Roos, ik ben nu eigenlijk een arm man. Wat je vader zei, is waar: als ik Koeningan op het oogenblik of zelfs in den eersten tijd wou verkoopen, zou het land geen ton opbrengen. Plezierig, ja?”
„Kasian,” zei ze van harte, want zij, die van kindsbeen over de prijzen der groote landerijen steeds had hooren spreken met heele of halve millioenen, doch overigens van zulke kapitalen slechts een heel vaag begrip had, vond een ton al bitter weinig, in hoofdzaak omdat haar vader en Geber zelf over dat bedrag met minachting spraken. „Kasian,” herhaalde ze. „Maar weet je wat, jij gaat naar Koeningan terug en werkt weêr teroes een jaar of wat.”
„Dat zei je vader ook, Roos, maar het is niet alles voor me, zoo moederziel alleen.”
Het verwonderde Geber, dat zij ineens doorging naar de badkamer. Zij en haar moeder hadden hem in den laatsten tijd voortdurend zoogenaamd zitten plagen met zijn oldbachelorschap, en eigenlijk had hij nu verwacht, dat ze hem zou aanraden te trouwen. Zoo’n antwoord zou hij heel natuurlijk hebben gevonden.
Hij ging met zijn rug tegen den paal leunen, de armen gekruist, vlugger en beslister denkend en combineerend dan anders zijn gewoonte was. Werktuigelijk riep hij: „Ja!” toen mevrouw Uhlstra, die intusschen opgestaan en in het halfduister der achtergalerij was, in een roode overkabaja met zwart fluweelen omslagen, hem toeriep, dat zijn kop koffie stond te wachten. Maar hij kwam zoo spoedig niet. Het voor en tegen stond hem duidelijk voor den geest.
„Je koffie wordt koud!” riep nogmaals de vrouw des huizes en weêr antwoordde hij: „Ik kom,” maar hij verroerde geen vin.
Wel zeker, het was de beste oplossing; in alle opzichten de beste, en toen Roos uit de badkamer terugkwam, keerde hij zich om, terwijl ze hem voorbijging, hield haar vast bij den arm en met een poging om grappig te zijn, al lachend:
„Zeg Roos, wil jij m’n administrateur worden?”
„Loop rond,” riep ze, ook lachend, den dikken arm lostrekkend uit zijn magere hand en met een sprongetje de trapjes opwippend naar boven. Geber hield in z’n hand nog ’n oogenblik een gevoel, dat nu juist geen dichterlijke aandoening bij hem opwekte; een koud gevoel, net of hij een visch in de hand had gehouden; doch daar lette hij maar weinig op, geheel bezig met het groote besluit, dat hij daareven eigenlijk heel onverwacht genomen had.
Moeilijk werd het hem niet gemaakt. Roos, die heel goed begreep, dat er meer stak achter het plan om haar tot administrateur te benoemen, had dadelijk aan haar moeder verteld „dat hij beet.” ’t Viel in het oog dien ochtend, dat Geber zich gekleed had, zorgvuldiger dan anders z’n gewoonte was; dat hij zich netjes had geschoren en z’n knevels had opgekruld; dat hij heel bijzonder naar Roos keek, die deed of ze het niet merkte, en dat hij het nu was, die telkens sprak over trouwen, terwijl de dames het onderwerp zorgvuldig vermeden.
Toen Uhlstra na het ontbijt z’n brieven was gaan schrijven, zat Geber op een gegeven moment alleen achter met Roos; den jeune premier te spelen ging boven z’n krachten; hij vond dat, bij hun verhouding en tegenover zijn omstandigheden, ook bespottelijk.
Familiaar ging hij naast haar zitten, terwijl ze ijverig borduurde, nam haar hand en vroeg doodeenvoudig of ze met hem wou trouwen en meê wou gaan naar Koeningan.
Zij ademde wel een oogenblik een beetje dieper dan gewoonlijk, wat men duidelijk zien kon aan de beweging harer zeer ontwikkelde buste, maar ze antwoordde even eenvoudig en leuk als hij gevraagd had, dat zij erin toestemde en hij maar spreken moest met haar vader. Hij vond het zeer natuurlijk, dat hij haar toen een zoen gaf, maar keek ervan op dat hij er een terugkreeg, niet alleen zonder blooheid, maar ’n zoo goed europeesche als hij zich slechts herinnerde ééns gehad te hebben, in de twintig jaren, geheel doorgebracht in het binnenland, waar hij zich voornamelijk had bepaald tot een inlandsche menagère, die hij vermeende, buiten den striktsten en meest onvermijdelijken dienst, op een afstand te moeten houden, zonder liefkoozingen of familiariteiten.
Geber kon niet anders zeggen, of het viel hem erg mee, nu eenmaal de kogel zoover door de kerk was; doch wat hem tegenviel was het gezicht van z’n ouden sobat, die van den prins geen kwaad wist en niets vermoedde toen Geber bij hem kwam met het aanzoek.
Uhlstra zag er van weerskanten een speculatie in, en schoon zelf uiterst practisch, had hij in zulke aangelegenheden daar een hekel aan. Hij trok den breeden mond zeer onvriendelijk samen, keek voor zich op zijn lessenaar, zei kortaf dat het hem hoogst eigenaardig verraste, maar dat hij niet dadelijk kon besluiten en Geber binnen vierentwintig uren een beslist antwoord zou geven.
Toen Geber, tamelijk afgebluft, terugging naar z’n kamer, liep Uhlstra betoel boos naar zijn vrouw om haar rekenschap te vragen. Zij was daar in het geheel niet bang voor en Roos, die geroepen werd en tot haar verbazing zag dat papa het niet zoo dadelijk goedkeurde, steunde haar moeder krachtig. Eigenlijk was er tegen het huwelijk ook niets te zeggen, dan dat Geber twintig jaar ouder was dan zijn aanstaande, en of dit een voordeel was of een nadeel, behoorde tot de onuitgemaakte zaken en zou dat wel altijd blijven, zoolang de opinies er zoo over uiteenliepen.
Bij Uhlstra week het aanvankelijk op den voorgrond gedrongen gevoel al pratend terug, terwijl verstand en berekening zich sterker deden gelden; ten slotte moest hij erkennen, wat dien ochtend vroeg Geber van den anderen kant had bepikerd: dat het nog de beste oplossing was. Het eenige wat hem nu verwonderde, was, dat hij dit niet dadelijk had ingezien. Zonder verwijl zocht hij Geber op en gaf hem lachend een harden stomp op z’n schouder.
„Ik zal er maar geen vierentwintig uur overheen laten gaan,” riep hij met z’n luide stem. „Trouw voor mijn part met Roos, en ik mag lijden dat het jullie goed gaat.”
„Waarom zou het niet gaan? Wij hebben het immers samen ook altijd uitstekend kunnen vinden in en buiten zaken.”
„Dat is waar,” stemde Uhlstra toe, en knippend met zijn slimme, scherpe oogen, voegde hij er bij: „Twee joden weten wat een bril kost.”
Het was een goede zaak, meende men algemeen, voor beide partijen, Koeningan redresseerde zich ineens door dit huwelijk. ’t Had anders heel wat sensatie op de plaats teweeggebracht, dat bericht van den moord! Iedereen sprak de eerste dagen van de „opstandelingen”; het sluitwerk aan deuren en vensters werd overal beter voorzien en er ontstond een levendige vraag naar het artikel revolvers. Maar de „burgerlijke en militaire autoriteiten”, die met de soldaten op het land kwamen, vonden op het „tooneel van den opstand” tot hun groote verwondering alles in de meest volkomen rust.
Intusschen kon men, eenmaal den sterken arm erbij gehaald hebbend, er moeilijk toe overgaan de soldaten onverwijld terug te zenden, al begreep iedereen hoe overbodig ze daar waren. Het gerechtelijk onderzoek had de arrestatie van een half dozijn opgezetenen ten gevolge; Uhlstra en zijn zoon hadden echter voor de nagedachtenis van den vermoorde zoo verpletterende mededeelingen gedaan, en er kwam bovendien nog zooveel misdadigs ten laste van nu wijlen Jozef aan ’t licht, dat zich al heel spoedig een meening en een overtuiging vormden, gunstig voor de van schuld verdachten.
Vierde Hoofdstuk.
Mama Tjang.
Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te brengen; allen vonden dat de laatste restjes van die leelijke perkara eerst uit de wereld moesten zijn.
En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich belangstellend vereenigden.
„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.
„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er dadelijk naar toe.”
„Wat is er dan nu weer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.
„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”
Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n kamer.
„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.
„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de moeite waard is.”
„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en dan gauw een schoone kabaai aan.”
Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar verwachtend.
Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van droefgeestigheid op de gezichten.
„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.
„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal afloopen.”
Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai kanten met rood lint opgenomen klamboe, lag op een mat een oude inlandsche vrouw, mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf aan het masque ineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch met groote belangstelling naar de gezondheid van mama tjang, die dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende protesten van Lugtens, haar man, mama tjang verzorgde en liet oppassen, doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze met eau de cologne verfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze van de benauwdheid in de ziekenkamer.
„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”
Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van beslistheid, trad zij binnen.
„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”
„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”
„Wanneer moet dat gebeuren?”
„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes....”
Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold voor allen te gelijk.
„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”
Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende zich tegenover oom Lugtens niet bingoeng te toonen.
„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.
„Zeker, zeker.... het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt man.”
„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t hoofd.”
Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:
„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn ook twee voorname dingen.”
„Ja, oom.”
Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.
„Nu,” zei mevrouw Uhlstra. „We komen je maar even groeten, want we moeten weêr gauw naar huis.”
„En ik heb ook de handen vol. Adieu dus en groet je man van me.”
Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord te worden:
„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”
„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”
„Zanikt hij daar nog altijd over!”
„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur meê.”
Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.
„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te spreken, maar zoo’n bullebak als die Jacques....”
De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den landauer haar moeder.
„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, laat je me maar roepen, ja?”
Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, altijd zorgvuldig geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen: hem te gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene zindelijk.
„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.
„Ja, de oude vrouw is erg naar.”
„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze beter is, is het uit.”
Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven zorgen.
Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.
Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche herkomst van moederszij.
Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena dadelijk: ze vroeg naar mama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder zich om haar vader te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens kenmerkten, naar achteren.
De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.
Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lag mama tjang te wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.
In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang. Mama tjang zei nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.
Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een bundeltje in een lâ van haar eigen kast.
Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.
„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.
„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel omdat je hier woont net als wij.”
Maar mama tjang schudde van neen.
„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”
„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos op mama tjang?”
De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze met grooten nadruk:
„Papa, waarom bent u toch zoo boos op mama tjang?”
Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.
„Ik ben niet boos,” zei hij en wou weêr aan ’t werk gaan; doch hij zou er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm familiaar op z’n schouder.
„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de bijgebouwen.”
„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”
Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot een volwassen mensch, erbij voegende:
„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”
„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”
„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu eenmaal niet van.”
„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw eigen moeder?”
Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede van den kleinen stand eener groote stad!
Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst, los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog:
„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?”
„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het zelf maar zoo.”
Lugtens haalde diep adem.
„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.”
Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht, enkel tevreden dat mama tjang niet weg hoefde te gaan, en haar moeder, zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet vallen en fluisterend zei:
„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?”
„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat....”
Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan.
„Kom, ga mee naar de goedang,” zei ze snel, het kind in de rede vallend, „dan kan je wat padi halen voor de perkoetoets. Ze hebben nog niets gehad vandaag.”
’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat ze brani geweest was tegen haar vader te zeggen.
Vijfde Hoofdstuk.
„Wel, Die Tante Clara!”
In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.
Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een diner of een feest was.
Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de hombertafel.
De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s avonds familiaar binnenliep om à la fortune du pot meê te eten. ’t Was nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.
„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”
„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden, op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi kon maken, en die haar roem waren en haar trots.
„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat zeg jij, Willem?”
Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze quaestie aan het woord kwam.
„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven brief geschreven.”
„Dien heb ik niet gelezen.”
Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.
Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kenden le fin mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf geheel zou beheeren.
Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde, zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt, ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.
Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in het tawarren op die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die haar alles wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet. Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich wel weêr telkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In ’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd, stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra, zijn beste sobat en buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij, dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met genot en vreugde.
’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar, terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.
In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks niet langer nalaten kon in de stad te komen voor zijne zaken, en toen ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen, verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij allerbeleefdst, zij stug en koel.
In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet, evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als van wijlen z’n eigen moeder.
Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel tienmaal verzekerde, per brief aan mama.
Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige zaken te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden; waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.
Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman, erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens, het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen, zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren overeengekomen daar gezamenlijk een kongsi voor te maken.
Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde, zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.
„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe zijn.”
„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet in had. En Geber, die in den laatsten tijd zoo’n Pech gehad had, zuchtte daarvan.
„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu juist niet hebben voorzien.”
Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbare veine.
„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een extra-kluifje overschiet.”
Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die er, in den fausset een „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.
Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen het contract te krijgen.
Natuurlijk wist hij waarvoor hij kwam. Lugtens had het eigenlijk al heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hun kongsi, werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten, die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost. Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje. Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens, Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.
„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.
Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit, achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijd niets gedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.
„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet schoon een millioen aan te verdienen was!”
Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan de kongsi gegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in z’n nopjes, de getuigen uit de kongsi waren het vooral niet minder.
Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeer gentleman-like. Het was vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te bergen.
Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner! Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en „Houd-je-maar-goed-hoor!”’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel, met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God! God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.
Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een „korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met mannenpedanterie overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar gedachten?
„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.
„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van joligheid.
„Wel, die tante Clara!”
„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”
Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp, dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst onaangenaam, dat haar huwelijk, wat le vrai motif aangaat, niet eens zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerde roedjak.
„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet gefeliciteerd en jou ook niet.”
„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt onverschillig.”
Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.
„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land over hebben.”
„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”
„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel, erg veel.”
En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:
„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”
„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”
„Ik moet eraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama... het mooie cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.... niks hoegenaamd.... maar dat ze zoo hatelijk en onhartelijk....”
„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die „korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuig en roûte naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming daarbij nemend als uitgangspunt.
„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste verdrietige uitroep.
„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien heeft ze wat tegen mij.”
Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet bekeken.
„Kan ze dan iets tegen jou hebben?” vroeg ze met groote belangstelling.
Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle verhaal van zijn oude amours met haar tante.
„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”
Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij, overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate; door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er een eind aan te maken, zei hij:
„Nu ja, zij heeft iets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik er me heusch niet over uitlaten.”
Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid zeggen.... neen, dat kon hij evenmin.
Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis. Roos had zich opgewonden en was sérieus uit haar humeur.
„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!” Als er iets ernstigs bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord en gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten, en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had verteld.
Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.
Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij doen kon: hij ging ook slapen.
Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging, en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.
Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke snippers!...
En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan, heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in de plaats. Als geïnspireerd door de practische activiteit zijner vrouw, verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor de kongsi benoodigde producten prikkelde hem.
Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen geen wolkje aan de lucht, tot.... op een ochtend een briefje kwam van Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.
Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander een sedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan „notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte; geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.
Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd met bijzondere égards ontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie van Markens.
’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen. Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed, dien iedereen hield voor een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.
Haar entrée de salon zou misschien niet kwaad zijn geweest op een hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.
Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn arm en bracht haar naar een stoel.
Clara lachte in haar zelve.
„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra, nadat de Markens haar gegroet hadden.
Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.
„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”
„Waarom is Roos niet gekomen!”
„Dat behoef jij niet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo onverstandig aanstelt als jij....”
„Soedah, Leen.... Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.... We praten er nog wel eens over.”
Zesde Hoofdstuk.
Steken Onder Water.
Over het bal bij Lugtens hadden Roos en Geber gekibbeld. Zij wilde nog altijd weten, welke die oude geheimzinnige quaestie was; zij nam hem daarover „waar” op alle tijden; zij loerde op zijn zwakste momenten; op de oogenblikken van zijn geringst weêrstandsvermogen, en eindelijk, terwijl zijn hoofd op haar arm rustte, en zij hem aanhaalde, hij, liggend in een onverschillige ontspanning zijner zenuwen, vertelde hij het, net als had het niets te beduiden, en kon het hem ten slotte ook in ’t minst niet meer schelen. Er tintelden en flikkerden zwarte duiveltjes onder haar lange omgekrulde wimpers! Dàt had men dus voor haar geheim gehouden! Op zichzelf liet het haar heelemaal onverschillig. Wat gaf ze erom, hoe Geber voor zooveel jaren een stukje van zijn jongeluisleven had besteed. Neen, dàt was het niet; maar nu, nu nog was zij, tante Clara, jaloersch van haar, Roos! Dus zou zij ook in staat wezen nu nog en bij gelegenheid.... De korte, dikke, donkere hand met de putjes op de knokken werd een aardige vuist, in stilte mevrouw Lugtens bedreigend.
De zusters hadden er, sinds mevrouw Uhlstra ’n brief ontvangen had van Roos, met zinspelingen, die aan duidelijkheid niet te wenschen lieten, tot in het oneindige over gepraat, stil, met verbeten woede, zonder eenig plan op een brouille. Het was haast haar eenig gesprek den laatsten tijd, als ze elkaar zagen; ’t was of ze nergens anders over konden spreken; al die jaren hadden ze er over gezwegen; deze oude koe, zoolang in de sloot, was daar nu uitgehaald en scheen er niet weêr in te zullen raken.
„Het zou de eerste groote partij zijn geweest na haar huwelijk.”
Het „Soedah, Leen,” had mevrouw Uhlstra niet belet voort te gaan: zij was woedend, zooals zij ronduit bekende, nu haar eenige getrouwde dochter ontbrak op dit schitterend feest, en niets vertoonen kon van haar mooie toiletten en parures.
„Waarom is ze dan ook niet gekomen. Ik zou haar in elk geval niet hebben opgegeten!”
„Omdat ze niet kon; haar eergevoel....”
„Ze is jaloersch, ja!”
„Op jou?”
’t Was een smalende vraag. Er lag alles in den toon, waarop die gedaan werd. In de oogen van Clara gloeide het rood op; het waren allemaal dezelfde: de oogen van mama tjang, die intusschen weêr beter was geworden, maar niet naar de kampong was gegaan. Mevrouw Uhlstra zag het en ’t maakte haar bang. Zij sloeg haar grooten waaier dicht, een eind makend aan het kort nijdig gesprek, dat er achter was gevoerd, zonder dat anderen er iets van hadden bespeurd.
Clara sprak tegen mevrouw Markens, die naast haar was komen zitten aan den anderen kant, en haar open waaier half voor de borst, met koninklijk opgeheven hoofd de eerbiedige hulde ontving van de aanwezige ambtelijke personen, die ’n sportje lager stonden dan Markens, en die door de anderen werd toegesproken met een zweempje ironie, waarvan ze in het volle besef harer persoonlijke voornaamheid niets bemerkte.
De banale praatjes bij het „even begroeten” door de heeren hielden ook Clara en mevrouw Uhlstra bezig: jongelieden spraken over de warmte, nog niet wetend hoe met dames boven zekeren leeftijd een gesprek te voeren; ouden, die dit wel geweten hadden, maar het zachtjes aan begonnen te vergeten, meenden een compliment te maken, door de verklaring dat de dames zich nog zoo goed hielden. Maar tegen mevrouw Uhlstra spraken allen over de afwezigheid van Roos. Dat was nu zoo opvallend! Zij behoorde tot alle partijen der laatste jaren, geregeld elk programma afdansend, de „toegiftjes” incluis. Het waren de „meisjes” Uhlstra, die altijd genoemd werden, als de vaste comparanten bij elke feestelijkheid op de plaats. Roos, de oudste, was ontelbare malen in de heerenconversatie getrouwd. Er was geen jongmensch geweest op de plaats van eenige beteekenis tegen wien niet door zijne vrienden of bekenden was gezegd, dat dit nu juist een geschikte vrouw zou zijn voor hem; en de respectieve jongelui hadden er dan wel eens over nagedacht, bij welke overwegingen de arme Roos vaak financieel, maatschappelijk en persoonlijk geprüft aber nicht richtig befunden was. Althans ze kwamen niet verder dan denkbeeldige voorstellingen, totdat, zeer reëel, Geber haar had gevraagd en getrouwd. Nu vonden allen, dat hun onthouding eigenlijk een domme streek was geweest.
„Hoe gaat het uw nicht, mevrouw Geber?” vroeg ook mevrouw Markens.
„Mijn nicht Roos? O, dank u, heel goed.”
„Spreek dien naam toch niet uit; ik vind hem vreeselijk.”
„Och, zoo? ’t Is, vind ik, een heel lieve naam.”
„Hoe is het mogelijk! In Holland is hij onder menschen van stand ondenkbaar. Men vindt hem, geloof ik, nog in de kleine joodsche wereld.”
Het rood was nog de oogen niet uit van Clara; zij voelde inwendig nog de grootste behoefte zich te wreken over dat beleedigend „op jou?” van Lena, en zonder zich te bedenken, schoot zij een scherpen pijl af.
„Ik weet het niet,” zei ze met het effen, ondoorgrondelijk indisch masque en de oogen neergeslagen. „Ik ben in die buurten niet bekend.”
Mevrouw Markens werd bleek, met een aanvechting om op te staan en dadelijk te vertrekken. Zulk een hatelijkheid durfde men zeggen tegen haar! Dat moest ze doorstaan van zoo’n nonna! Maar zij hield zich goed, doende alsof zij het niet had gehoord, en zich hoog oprichtend, zei ze als over het hoofd van Clara heen tegen mevrouw Uhlstra:
„Bevalt het u nogal op den duur hier op de plaats?”
„Och ja, het is hier aangenamer voor de kinderen. Denkt u er niet aan naar Europa te gaan?”
Het was haar cauchemar, voor zoover hier onder Europa Nederland werd verstaan, waar gansch de gedegenereerde tak der goede familie haar dadelijk zou bestormen als een troep hongerige en gemeene raven, waaraan zij niet kon ontkomen; die haar niet zouden loslaten; haar weêr terug zouden trekken uit de hoogte, die ze in het goede Indië had bereikt, naar de laagte hunner persoonlijke ondeugden en maatschappelijke ellenden.
„Misschien,” zei ze, zacht moduleerend en met een licht heen en weêr bewegen van het hoofd. „Wij zouden het óók doen voor de kinderen.”
„Ja, de jongens beginnen op te schieten.”
Mevrouw Markens rilde ervan; wat was dat nu voor een afschuwelijk woord, „opschieten”; dat kon men van zulke boeren of buitenlui verwachten; zij praatten over de menschen alsof het planten waren.
„Ze worden groot, zeker; het is voor hun verdere vorming allernoodzakelijkst. Dat onderwijs hier in Indië....”
Nu werd mevrouw Uhlstra, die ook nog niet bekomen was van haar gesprek met Clara, weêr boos. En had zij bovendien niet nog een zoon, die met heel veel succes in Indië onderwijs genoot!
„Och, ik geloof niet, dat het aan het onderwijs ligt. De een is wat vlugger van begrip en leerzamer dan de andere.”
„Het kan wel zijn. Maar er heerscht hier in Indië zulk een parvenu-toon....”
„Dat is heel iets anders. Daar zal het wel niet aan liggen, dat er jongens zijn, die niet door hun examens komen.”
„Toch wel.... De gevoeligheid op dat punt van den een is grooter, dan die van den ander.”
„Nu, ik ken jongelui, die zoo gevoelig zijn, dat ze de gemeenste streken uithalen in den kampong, en dat de ouders door hun geld en hun invloed alles doen moeten om de zaken te toetoepen; en die jongens zijn op school de luiheid en de domheid zelf....”
Weêr werd mevrouw Markens zeer bleek en trilde haar onderlip. Goede hemel, wat waren dat toch ’n gemeene menschen! Zij begreep volkomen, waarop mevrouw Uhlstra doelde, en het ging haar als een steek door het hart, dat zij nu hier nog voor het hoofd moest krijgen, wat haar al zooveel tranen en verdriet had gekost. Het was de tweede beleediging, en ook nu dacht zij met bitterheid: „zoo’n nonna!”
„Ja,” zei ze, als ging haar het aangehaalde casus niet aan, „het is verschrikkelijk. Wij voor ons, denken er toch aan naar Europa te gaan. De indische ontwikkeling heeft op jongelui van goede afkomst een hoogst nadeeligen invloed. Het is mogelijk, dat een kolonie van misdadigers zich hier perfectionneert, maar voor menschen van onzen stand is het doodelijk.”
„Als ik mij anders herinner, hoe sommige fatsoenlijke personen hier ’n twintig jaar of meer geleden kwamen, zooals uw man, b. v., en ik zie hoe ze nu zijn, dan geloof ik niet, dat het bepaald misdadigers behoeven te wezen, die hier slagen.”
„O, dàt wil ik niet zeggen. Er zijn natuurlijk heel veel uitzonderingen. Meneer Geber b. v., hier, mijnheer Lugtens, en dan uw man, meneer Uhlstra....”
„Pardon, Uhlstra behoefde niet te ontaarden; hij is hier geboren net als ik; maar hij zou zeer zeker onder zijn gegaan, als hij een ongelukkig huisgezin had gehad. Want dàt is wel het ergste wat een man kan overkomen.”
„Ja..... dat is zoo,” stemde mevrouw Markens aarzelend en pijnlijk toe.
„Men moet sommige mannen om hun onuitputtelijk geduld bewonderen. Als zij van fatsoenlijke lieden geen misdadigers worden, is dat zeker niet aan hun gelukkig interieur te danken.”
Het steeg mevrouw Markens tot boven in de keel; zij moest het inslikken met kracht, en het ging haar naar binnen als een bal.
Stijf nu, en met een buiging, alsof hij op een scharnier bewoog, boog Markens voor de vrouw des huizes, terwijl Lugtens de oogen wijd opensperrend, met een gewrongen vriendelijken lach, quasi deftige hoofdzwaaitjes en ’n uitgestoken wit geganteerde hand, mevrouw Markens vroeg om met hem het bal te openen.
Het was haar een verlichting uit den nood; zij herstelde zich dadelijk, zich oprichtend uit de laagte, waarin zij zoo onmeêdoogend was getrokken; de zaal overziend met trotschen blik. Wat kon haar ook het gekakel schelen van zoo’n paar onbeduidende wezens, zoo ver beneden haar?
Clara had ervan genoten. Wat had die Leen dat malle wijf, dat altijd zulke airs aannam en waarvan iedereen wist, dat ze haar man ruïneerde en haar kinderen verwaarloosde, getroefd! Al haar grieven vergat ze dáárvoor; zij zou dadelijk voor haar zuster de partij hebben opgenomen, ondanks dat diep grievend „op jou?” van daareven. Doch het was waarlijk niet noodig geweest.
Maar als Lena het had afgelegd tegenover mevrouw Markens, zou zij, ofschoon als gastvrouw verplicht een aangename stemming te bewaren, haar zuster ’n handje geholpen hebben. Zij mochten dan samen twisten over oude knoeierij, ze waren familie van elkaar, en dáármee was alles gezegd. Al die vreemde mannen,—nu ja, men kon met hen trouwen, en ze dienden, min of meer geschikt, als noodzakelijk kwaad, maar de familie ging toch voor! Mevrouw Lugtens zou niets liever doen, dan zich met Roos verzoenen onder tranen en kussen. Ze begreep wel, dat dit niet gaan zou in den eersten tijd, nu Geber nog te veel meêtelde, en het nieuwe van het huwelijk nog niet af was. Doch als er een kind was op Koeningan—en dat er een komen zou achtte zij wiskunstig zeker—zou de familie wel weêr haar oude aanspraken op het hart van Roos doen gelden. Dan was het nestje klaar, het „jonkie” erin, en verder werd het laki een meer of minder groot bezwaar, al naar zijn humeur en gewoonten.
Het bal was geopend; de oude heeren zaten aan hun partijtje. Lugtens met Uhlstra, Markens en een generaal; Twissels hadden ze ergens anders ingedeeld; het was ten slotte wel ’n beetje vervelend, dat hij zoo altijd veinard bleef.
„Je schoonzoon is niet gekomen,” zei Lugtens met ’n beetje ironie en veel ontevredenheid.
„Roos was niet wel,” schreef hij me, „en hij wou haar nu niet alleen laten.”
„Hm! Heeft hij al afgeleverd?”
Dat laatste sloeg op de levering voor de kongsi.
„Wij zijn heelemaal klaar.”
„Goed. Ik ook. Hebt u er al iets van gehoord?” Die vraag gold Markens.
„De keurings-commissie is zeer tevreden.”
„Dat verheugt me.—U geeft, generaal!”
Het behoorde tot zijn bijzondere amusementen. Hij vond het alleraardigst het woord „generaal” uit te spreken. Uit zijn mond en in zijn ooren klonk het, vond hij, als een commando. ’n Mooi woord! Zij hielden nu en dan ’n praatje tusschen twee spellen. Rechts zat een ander viertal met Twissels erbij. Daar zag men telkens de hoofden bijeensteken. Daar was er nu en dan een die „’n schuine ui” vertelde; die eene, dien men kende, en van wien men zeide, dat hij een heele verzameling zulke „uien” wist, welke hij overal, waar hij ze hoorde, opschreef als hij op zijn ambtelijke inspectiereizen was, tusschen zijn aanteekeningen over den dienst, en die hij, teruggekomen, nog eer uitwerkte dan zijn officieele verslagen. Men hoorde het hooge fluitlachje van Twissels, die aan dat tafeltje zat, er boven uit.
„Hij is weer bezig,” zei Uhlstra met z’n hoofd terzijde wijzend en een schuinen lachenden blik in die richting; hij mocht dat wel en zou om de beroemde „uien” heel graag hebben meêgelachen.
Maar Lugtens had er gloeiend ’t land aan.
„Ik begrijp niet,” zei hij, „hoe iemand van zijn leeftijd nog zoo kinderachtig kan zijn.”
„Hij is nog zoo oud niet,” vergoelijkte de generaal, die ook wel eens had willen luisteren.
„Is het waar,” vroeg Markens, „dat u met verlof gaat?”
„Weet u het al? Dat is vlug. Ja, ik denk... in ’t begin van het volgend jaar.”
„’t Is jammer,” zei Lugtens.
Hij vond het ongehoord, dat iemand zoo’n mooie positie verliet om met pensioen te gaan luieren, gezond nog en krachtig.
„Als ik generaal was,” vervolgde hij, „bleef ik in dienst. Ik vind dàt het eenig mooie in het militaire.”
De generaal keek hem aan met ’n vreemd lachje, streek zijn grijzen knevel op, kleine oogjes makend met scherp gemarkeerde trekken er om heen.
„Ik ben liever tweede luitenant,” zei hij.
Markens knikte als een goed verstaander, begrijpend met een half woord; den dienst kennend met zijn lief en leed; zijn leed vooral. En dan het leven! Och, hij was ook zooveel liever ’n klein jong ambtenaartje, dat zich moet behelpen in een achterbuurt, maar het rijke opkomende leven in zich voelt stroomen met kracht tot overmoed; zoo’n jonge kerel met zulke groote physieke faculteiten en vrij; vrij van banden en verplichtingen!
Lugtens begreep dat niet. Geld en positie waren de eenige factoren, die zijn leven beheerschten; macht en fortuin waren al wat hem ooit had bekoord. Hij vond het van die twee mannen kwajongensachtig, dat ze nog hunkerden naar een voorbijgegane jeugd. Minachtend schokschouderde hij even, en zei droog en kort:
„Zullen we niet liever doorspelen?”
Wat raakte het hem, dat hij ouder werd: dat de tijd zijn tjap in z’n gezicht drukte en het verleden glinsterend sprak tusschen de blonde haren van zijn krullebol? Er was slechts één zaak ter wereld voor hem: de stand, waarin men leven kon; was die goed, dan was alles goed; slecht, dan alles slecht.
Heel vroeg brak Markens op. Zijn vrouw liet hem weten, dat zij wenschte heen te gaan. ’t Kon hem weinig schelen, want hij verloor. Het was haar vaste gewoonte ’t laatst te komen op partijen en het eerst weêr te vertrekken. Het behoorde bij haar idée-fixe, dat zij uit een betere stof was vervaardigd dan de rest. Men beschouwde dat niet als een sein voor de anderen; nauwelijks lette men er op. Waar zij voorbijkwam aan den arm van den gastheer, het hoofd in den nek, daar bogen de heeren en groetten de dames heel effen. Markens, die achteraan kwam, kreeg de vriendelijke knikjes en de handdrukken. Men mocht hem graag; hij was zoo’n goed man!
Na een paar erge „fijntjes” werd ook het spel der drie anderen gestaakt.
„Ik ga even ’n woord wisselen met de dames,” zei Lugtens. „Daarna zou ik jou en Twissels wel eens willen spreken. Ga naar mijn kantoor. Ik kom er dadelijk.”
Zij deden het; zij gehoorzaamden zonder aarzeling den bevelenden despoot, zonder dat zij het zelf bemerkten, en zonder dat hijzelf er ook slechts in de verte aan dacht zijn vrienden orders te geven; soms niettemin tot hen sprekend alsof zij zijn ondergeschikten waren, louter uit gewoonte, zonder eenige bedoeling.
„Wat zou hij hebben?” vroeg Uhlstra, achterover leunend in een groen leeren fauteuil, zijn toenemend buikje met nagemaakte deftigheid vooruit, terwijl de lange magere Twissels, die ’n havanna uit een kistje op den lessenaar had genomen, ze boven het glas van de hanglamp aanstak.
„Wie weet het? Hij is een bijzondere vent. ’t Zal wel iets van aanbelang wezen.”
Voorbij de geopende deur, van voor naar achter, liepen de gasten; de jongelui opgewonden van het dansen; dronken van hun eigen jeugd, van het mooie glinsteren der meisjesoogen, de fijne geuren der bloemen en parfums, de onmiddellijke nabijheid van onbedekte lijnen, vormen en tinten, in het gewone leven aan het oog onttrokken; ze praatten en lachten hardop, hun best doende om aardig en galant te zijn en zich airs te geven van savoir vivre, met gemaakte tonen in hun stemmen en groote overgangen van geluid, die ze anders niet hadden in hun spreken. De jonge dames als vooruitschuivend over het marmer, met kleine pasjes, druk zacht gesprek en snelle waaierbewegingen, koketteerend door ineens uitschietende paarl-lachjes, kleine hoofdneiginkjes, pruimenmondjes en onverwachte oogopslagen; hier en daar langs den muur enkele solitairs onder de jongelieden, die hun linksheid verborgen achter ouweheertjeshoudingen, met nijdige blikken hun best doend uit de hoogte op dat alles neêr te zien, als was het ver beneden hen, maar dolblij en grenzenloos dankbaar voor ’n blik of ’n groet van ’n voorbijgaande jonge dame, diep terugbuigend twee-, driemaal.
Lugtens kwam in het kantoor met zijn driftigen harden stap, altijd eenigszins stampend, alsof de vloer het gewicht zijner persoonlijkheid niet genoeg kon voelen.
Hij sloot de dubbele deur achter de portière; hij wilde het geluid wegsluiten van al die vroolijke opgewondenheid, en dier uit het koper der instrumenten de zalen inschetterende dansmuziek; maar het ging niet; het heele gebouw was er vol van en het drong door, dóór!
„Nou heb ik een dingetje voor ons,” zeide hij.
Hij meende het wellicht vroolijk te zeggen; een onbekende, afgaande op het stemgeluid, kon vermoeden, dat onaangename tijdingen werden meêgedeeld.
„Het zal wel wat goeds zijn, als jij er zoo meê ophebt.”
„Dat is het waarachtig! Ik wil het uit principe niet alleen doen. ’t Betreft contracten in de buitenbezittingen....”
„Jawel,” zei Twissels. „Ik heb ervan gehoord. Je bedoelt die specerijen van....”
„Stil,” viel hem Lugtens boos in de rede. „Hoe bliksem! weet jij dat nu weêr? En je praat er zoo maar over openlijk....”
„Jullie moogt het wel hooren!”
„Men moet het nooit doen. Nu, als jullie meêdoen.... Het is ’n heel kapitaal! Wij hebben er veel geld en veel crediet voor noodig. Ik wil alles opkoopen wat er is langs de kust. Drie millioen dollars.”
Uhlstra werd er bleek van.
„Ik blaas mijn partij,” lachte Twissels, als iemand aan alle transacties gewoon, en zoo fijntjes, dat ’t werkelijk was alsof hij blies.
„Ik ook,” zei Uhlstra, maar z’n mond was droog van binnen, zoo werkte de groote omvang van die zaak op z’n zenuwen.
Ze vingen nu aan er verder over te spreken, stil, bedaard fluisterend. Eenmaal had Uhlstra den naam van Geber genoemd als participant, maar Lugtens had het afgewezen met een kort gebaar en een enkel woord. De twee anderen wisten het wel. Lugtens was boos om het kleine feit, dat Geber niet met zijn vrouw op de partij was gekomen; dáárom mocht die niet meêdoen. Om hen heen zweefde de klank der feestvreugde, nu als een harmonie, dan in enkele schelle tonen, met een ruischenden ondergrond.
Dansen, drinken, schertsen; muziek en gelach! Zij stonden in het kantoor dicht bij elkaar, de gezichten ernstig, de voorhoofden van inspannend bij de zaak blijven en nadenken geplooid, in ruwe trekken het plan uitwerkend, door Lugtens met ’n enkel woord aangeduid. Uhlstra begon ’t helderder te worden; hij zag nu waarom men er hem ook had ingehaald; zijn kennis van de bevolking, zijn gemakkelijkheid in den omgang met inlandsche hoofden, zijn coulant spreken van het maleisch, dat waren zijn verdiensten, meer dan het geld, dat hij vlottend moest maken voor zijn aandeel.
Zevende Hoofdstuk.
Lieve Jongens!
Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone beweging van heen en weêr loopende inlanders. Zij had geen woord gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.
„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den knop van het portier.
„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”
Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur open vóór het rijtuig stilstond.
Markens hield haar tegen.
„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”
Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel opstaand, zonder haar mooie sortie, die in het gras achterbleef, liep ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon was.
De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen en weêr loopen hield op; zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag licht.
„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, dat den kinderen een ongeluk was overkomen.
„Hier ma!” zei een der jongens.
„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”
„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen ze, dat wij het hebben gedaan.”
De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.
„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bij ons gestolen?”
Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord hadden en om hulp en malieng-malieng hadden geschreeuwd; toen waren de bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan....
„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.
„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.
„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”
De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.
„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer waren.”
„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”
„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner vrouw.
Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten op te komen.
„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit was. Wij weten van niets.”
Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.
„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben weggenomen ook!”
Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.
„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de kinderen het ontdekt hebben.”
De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.
„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”
„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”
Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.
„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even goed hooren als ik.”
De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met vaste stem:
„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het al lang geweten, en de anderen weten het ook.”
Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest vervuld worden.
„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”
Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, vroeg zij:
„Zou-je dat werkelijk doen?”
„Ongetwijfeld.”
„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven aandoen?”
„Het moet onderzocht worden.”
„En ik zeg je, dat het niet zal gebeuren.”
Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft en wierp een harden, strengen blik op de jongens.
„Ed, Fred, ajo, vooruit!”
Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:
„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik verlaat dadelijk dit huis.”
Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd zwol van toorn.
„Dan donder-je maar op! Ed, Fred, ajo, vooruit!”
En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de verdediging quand même van haar kinderen,—maar ook door de herinnering. Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had getracht te vergeten, dien zij meende nooit weêr te zullen hooren en die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, volgzamen man!
Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.
Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch port en restantjes andere dranken,—een kleine goedang.
Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één slag.
„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk er met opzet in verborgen om mijn lieve kinderen ongelukkig te maken!”
Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.
„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bij wat hij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.
Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om zoo te spreken, op voor galg en rad!
Achtste Hoofdstuk.
Mevrouw Uhlstra Naar Koeningan.
Toen de Uhlstra’s van de partij naar huis reden, was hijzelf bijzonder stil en teruggetrokken. Zoolang de meisjes erbij waren, had mevrouw aanspraak genoeg; maar toen ze ’s avonds alleen waren in hun slaapkamer, vroeg zij:
„Ben je niet lekker, vent?”
„Welzeker. Mij scheelt niets.”
„Je bent zoo stil. Ik dacht, dat je iets mankeerde. Heb je veel verloren?”
Hij haalde de breede schouders op met een woest schokkende beweging van verontwaardiging. Welk een mal vrouwenidee!
„Hoe kom je erbij!”
Zij zat op een lagen divan, de beenen kruislings onder het lijf, de armen slap neêrhangend over de knieën, het haar, los uit het stijve kapsel, op den rug; in haar sarong en onderlijfje net een inlandsche vrouw tusschen twee leeftijden, maar forscher en, behoed tegen de ellende van het mohamedaansche vrouwenleven, in haar gezondheid en kracht geconserveerd. Hij, ook donker, maar heel anders, meer zuidelijk europeesch, met zijn korten zwartgrijzen baard en zijn breed gedrongen dik lichaam, een heel eigen type; een uit den gascogneschen boerenstand,—zat tegenover haar op een stoel, tobbend met zijn schoenen, die hij niet aan had kunnen krijgen, en die nu niet van zijn uitgeloopen voeten wilden; mopperend over ’t gemis van ’n laarzenknecht.
„Er is toch iets.”
„Nu ja, er is ook iets. We hebben weêr een groot plan opgezet.”
„Doen Lugtens en Twissels ook mee?”
„Natuurlijk.”
Zij was blij; zij wist dat haar man een goed planter was en een tamelijk administrateur; maar voor zulke verder strekkende zaken achtte zij hem alleen niet berekend.
„Natuurlijk!” ging hij voort, met een zucht een vrijgeworden bottine wegschoppend. „Het is weêr ’n mooi dingetje. Ik zal er voor op reis moeten naar de buitenbezittingen.”
„Met je hoevelen doe je?”
„Wij drieën; anders niemand.”
„Geber niet?”
„Dat is het juist. Ik had zoo graag gezien, dat hij er ook was ingekomen. Als je eenmaal in zulke zaken bent met een clubje, ben je goed af. Je gooit elkaar den bal maar toe. Geber kent Lugtens z’n zwakke zijde: op z’n feesten moet je komen. En nu, het eerste na hun huwelijk, ik geloof zoo half en half te hunner eer, is hij dom genoeg om weg te blijven.”
„Maar Roos...”
„Jawel, ik heb gezegd, dat ze ziek was, doch dáár kan je hem niet mee foppen. Hij was er nijdig om.”
„Zei hij dat?”
„Dat hoefde niet. Ik zag het. Ik wierp een appeltje op om Willem meê te laten doen; maar hij schudde van neen, en deed net of hij een muskiet afsloeg.”
„Dus is Geber er nu heelemaal buiten?”
„Natuurlijk.”
„Is het veel roegie?”
„Dat zal waar zijn! Het is een groote affaire, waarbij dat andere ding maar kinderspel is.”
Mevrouw Uhlstra zuchtte ervan. Daar had-je het nu! Zoo kwam na jaren zooveel bij dien Geber boontje nog om z’n loontje! Dat kon zoo niet blijven; zij moest er een eind aan maken.
„Kom,” zei ze, „laat ons maar gaan slapen. Sajang, ja? Maar als er toch niets aan te doen is,—soedah-lah!”
Zij had een besluit genomen en sliep er dadelijk op in, terwijl Uhlstra nog voortpikerde over de nieuwe onderneming, die hem door ’t hoofd maalde, en waarop hij nog onvoldoenden kijk had. Toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, sliep hij vast; zonder hem te wekken, ging zij stil heen, baadde en trok ’n mooie kabaai aan in zenuwachtige haast; zij wilde voorkomen dat haar man pogingen deed haar gaan naar Koeningan te beletten; ook dat hij zelf meêging; ze was blij toen ze eenmaal in de lichte panier zat en de mooie paarden in gestrekten draf over den straatweg vlogen.
Te Koeningan sloeg ze in als een bom. Geber was juist terug van de velden, hij at ’n boterham, terwijl Roos met hem aanzat, haar nassi etend met de vingers uit een pisangblad. Rustig en gemoedelijk spraken ze over zijn nieuwen aanplant en hoe mooi die al begon op te komen; heel kleintjes uit den grond staken de spruitjes omhoog, maar zoo aardig en zoo kerngezond! Zij hoorde het aan, plezierig, en aandachtig luisterend; het was voor haar ’t bekende terrein, dáárover had ze altijd gehoord; dáárvan had ze verstand; dàt en het paarden dresseeren, de melkerij, het klapperolie maken, vruchten inleggen, kwee-kwee bakken, sambal-sambal bereiden,—dàt bracht haar in vuur; enthousiasmeerde haar.
„Eeh!” riep ze met een van de rijst vochtigen wijsvinger naar buiten wijzend: „Daar is ma!”
Ze lieten hun tweede ontbijt in den steek; Roos, die blufte op haar aankomende „positie,” liep haar moeder te gemoet, met wat noodeloos vertoon in gang en houding, net of het al heel wat was; maar ze vergat dat, toen ze het strak en boos gezicht zag en het vertoon van vastbeslotenheid, waarmede mevrouw Uhlstra uit den wagen stapte.
„Daar heb je wat moois uitgevoerd,”—zei ze tegen haar dochter, met groote bazigheid de trap naar de voorgalerij oploopend, Geber voorbij, zonder hem te zien.
„Zeker omdat we gisteravond niet op die partij zijn geweest!”
Geber hielp zijn vrouw.
„Ten slotte zullen wij toch wel thuis kunnen blijven, als we niet uit willen gaan.”
„Wel zeker! Jullie behoeft je aan niets te storen! Je denkt maar, dat het genoeg is hier te zitten, hè! En als je naderhand een groot huishouden hebt, dan komt het er niet op aan, of je iets meer bezit dan enkel Koeningan.”
„Ik begrijp er niets van,” zei Roos kwaad.
„Ik ben dan blij, dat papa zoo niet heeft gedaan, en ik ook nooit te lui ben geweest om in de wereld mee te leven.”
„Ma, praat toch asjeblieft zoo mal niet.... U weet heel goed waarom ik niet bij tante Clara wil komen!”
„Heeft Geber.... heb jij....”
Zij kon er niet uitkomen. Dat was haar te machtig. Een man die aan zijn vrouw zulke dingen vertelde!
„Ja, hij heeft me alles verteld, en dat is goed van hem geweest, ma; heel goed!”
Zij schudde het hoofd, een oogenblik verslagen; doch niet lang. Als het zóó was, zou zij er niet over tobben, al begreep ze het niet. Voor die „zanikerij” was zij niet gekomen.
„En ben je daar zoo verschrikkelijk kwaad om, Roos? Zoo’n oude geschiedenis, waaraan geen mensch meer denkt!”
„Dat is het juist, ma! Zij denkt er wèl aan; dat heeft ze immers bij mijn trouwen getoond.”
„Maar als ze dat eens niet had gedaan en je hadt het toch geweten.”
„Ja, dan zou het mij weinig hebben kunnen schelen!”
Het deed Geber onaangenaam aan; zij stond in het heldere licht met haar volle figuur, rustig en in stille vastberadenheid; zij sprak met haar moeder en niet met hem. En al was het over hem, dat feitelijk hun gesprek liep,—althans had zijn persoon een groot en dubbel aandeel daarin,—het was weêr net of hij er vijfde-wiel-aan-den-wagen-achtig buiten stond.
Het was niet de oude fout, die Roos had geïmpressionneerd; het was de nieuwe. Niet zijn vroegere verhouding tot tante Clara hinderde haar,—enkel haar eigen tegenwoordige.
„Zij heeft er nu spijt van,” zei haar moeder. „’t Is immers al te gek, Roos. Was zij niet altijd lief en goed voor je? Zij wil het nog zijn, net als vroeger.”
Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw; heel haar indisch familiezwak kwam, streed en overwon.
„Nu,” zei ze, „als zij wil!”
Zoo hij het land had aan den eenen kant over zijn ondergeschikte rol in de familieaangelegenheden, aan den anderen verheugde hem de aanstaande vredestoestand; maar hij wou ’t niet zeggen, bang dat Roos zijn instemming verdacht zou vinden.
Na nog wat heen en weêrpraten, vroeg zij zelf hoe hij erover dacht.
„’t Is mij hetzelfde. Ik ben papier blanc. Je kunt weêr wèl met elkaar zijn of niet, ’t kan me niks schelen.”
Zijn vrouw en zijn schoonmoeder keken hem aan, wantrouwend, onderzoekend. Hij had te slim willen zijn. Had hij ronduit gezegd, dat hij ervóór was of ertegen, zij zouden gerust zijn gesteld. Zijn oppervlakkige westersche geslepenheid was voor haar kinderspel. En al hield hij er het onnoozelste gezicht bij, zij geloofden hem toch niet.
Mevrouw Uhlstra gleed maar stil over dien twijfel heen; die mocht haar niet afbrengen van het doel.
„Wij moeten nu zien te bewerken, dat Lugtens niet meer boos op jullie is; die nare vent!”
„In ’t geheel niet,” vond Geber. „Laat dat maar aan mij over. Ik ben altijd heel wèl met hem.”
Zij wilden er niet van hooren. Wat wou hij zeggen: dat hij dien gemeenen Lugtens kende? Het leek er niet naar. Zij kenden hem en wisten hoe hij was. Lugtens vergaf nooit iets, beweerden zij; hij was wraakgierig; nooit zou hij, als hij ’t kon beletten, toestaan dat Geber weêr „ergens” inkwam, tenzij hij nu goed werd bewerkt.
„Ik zal er,” zei mevrouw Uhlstra ten slotte, „met Twissels over spreken; dat is de eenige, die invloed op hem heeft,” en in haar doorgaande drukte, instinctmatig blij nu en dan zelfstandig handelend te kunnen optreden, verklaarde ze dienzelfden dag nog naar Twissels te zullen gaan.
„Waar?” vroeg Roos.
„Wel, aan zijn huis.”
„Maar, maatje!”
Geber vond het ook te gek. Iedereen wist, dat Twissels, die ongetrouwd was, een jong indo-europeesch meisje had als „huishoudster”, en dat was nu juist het ergste niet, maar hij ontzag zich niet de deern bij zich te laten zitten in de voorgalerij, waar ze hem ’s middags ’n kop thee schonk; ja, men wist zelfs, dat hij, als er ’s avonds een hombertje ten zijnent werd gemaakt, zich niet ontzag Louisa uit te noodigen een praatje met de heeren te komen maken; maar dan had hij ook vast een grogje te veel gebruikt.
Men had hem vertrouwelijk gewaarschuwd. Zoo hij een onbemiddeld man of iemand zonder invloed was geweest, zou het bij waarschuwingen niet zijn gebleven; men had hem links laten liggen. Dat kon men een groot, vermogend koopman, met zooveel relaties, en dien ieder op z’n beurt eens noodig had, niet doen. En hij stelde zich vierkant boven de wet der maatschappelijke vormen.
„Als je haar niet zien wilt, hi, hi!” zei hij, „doe je maar je oogen dicht, hoor!”
Lugtens had hem boos en nadrukkelijk op het onzedelijke gewezen en een soort van standje gemaakt, zooals hij het zijn employés zou gedaan hebben op ’t kantoor of zijn vrouw thuis.
Daar was Twissels kwaad om geworden, en ’n beetje bleek; maar hij had het niet laten merken.
„Vooreerst moest jij je,” had hij zangeriger en fijner dan ooit gezegd, „niet met mijn zaken inlaten. Ten tweede heeft Louisa zich niet over mij te beklagen. Zij heeft het heel goed, en kom ik te sterven, dan krijgt zij het nog beter. Zij is tevreden met haar lot; zij heeft het haar leven lang zoo goed niet gehad, menige getrouwde vrouw heeft het in alle opzichten slechter.”
Lugtens had hem wel over zijn eigen ballustrade naar buiten willen gooien, maar bij al zijn autocratische eigenschappen bezat hij tact genoeg om ter wille van particuliere geschillen nooit de zaken uit het oog te verliezen. Hij gleed heen over een zinspeling, die hij heel goed begreep.
„Trouw haar dan,” zei hij.
„Merci! Ik ben, Goddank, niet gek. Zij is voor mij een perfekte huishoudster en ondergeschikte; zij zou een onuitstaanbare vrouw des huizes voor mij zijn. Ik ben te oud en niet dom genoeg mij door zulke grappenmakerij te laten lijmen.”
Er was niets aan te doen. Geen argumenten, ontleend aan de openbare, de algemeene of de bijzondere moraal, hadden op Twissels vat; en er was niemand, die voor zichzelf het vraagstuk dier moraal als zoodanig zwaarwichtig genoeg vond om er met een man als Twissels gebrouilleerd over te raken.
Maar getrouwde of ongetrouwde „dames” konden toch niet het huis frequenteeren van iemand, die zijn europeesche bijzit elken dag als het ware in zijn voorgalerij ten toon stelde.
Een oogenblik aarzelde mevrouw Uhlstra. Neen, het was inderdaad terlaloe; zij kon het niet doen.
„Laat maar, ma!” zei Roos. „Ik zal morgen naar tante Clara gaan, en dan zal ik in de stad hen allemaal vragen voor een groote partij, ja! hier op Koeningan. Er is hier nog niets geweest, en we zouden het toch binnenkort verplicht zijn.”
„Zou het niet te vermoeiend voor je zijn,” vroeg Geber bezorgd met een „localen” blik.
„Nu juist niet. Als we tot later wachten, komt dàt er weêr tusschen.”
Het was waar; er viel niets tegen te zeggen; dàt kwam er tusschen met zijn ganschen nasleep! Ze waren het direct eens, nu, vroolijk en opgewekt, zonder levenszorgen of narigheid. Ze gingen maar dadelijk met grooten ijver aan het werk, tal van plannen makend, druk pratend over den te bepalen dag, de toebereidselen, de schikking, de uitnoodigingen; en mama reed in den namiddag, opgewonden van de drukte, naar huis, met in haar réticule een lange lijst boodschappen en een reeks onopgeschreven plannen en opdrachten in haar hoofd.
Negende Hoofdstuk.
Tante Jansen.
Het begon, toen ze thuis kwam, ’n beetje op te frisschen; de zon, in sterke declinatie, verwarmde haast niet meer, en ’n opstekend koeltje deed haar, na den vermoeienden dag, zuchten van genot.
Verbaasd keek ze toe, ziende bij het oprijden van haar erf, dat er veel menschen zaten in de voorgalerij. Zij zag haar man, zij zag een oude indische dame met sneeuwwit haar en in een wijde zwart merinosche japon, in vorm aan geen mode herinnerend; zij zag den notaris Stern, en natuurlijk Lugtens en Twissels, die altijd erbij waren, als er iets van belang werd verhandeld in het clubje waartoe zij behoorden.
Wat zou er nu weêr aan de hand zijn? Haar eerste gedachte, vastknoopend aan de voorgenomen buitenpartij, was: als er nu maar niets is gebeurd, dat ons plan doet in duigen vallen.
Allen zagen op, toen haar panier voor de stoep stilhield; de oude vrouw kwam haar jammerend te gemoet, de uitgestoken armen slaande om haar hals, het grijze hoofd huilend op haar schouder neerlatend.
„Leen, kindlief, tante Jansen nou heelemaal arm!”
Mevrouw Uhlstra keek verschrikt naar de mannen, die stil en ernstig voor zich zagen, met begrafenisgezichten; slechts de notaris met den ironischen pli in z’n gezicht, door het zien en hooren van zooveel menschen-dwaasheid erin getjapt, glimlachte.
„Wat is er dan toch gebeurd, tante?” vroeg mevrouw Uhlstra meêwarig, de oude vrouw opheffend, en onder den arm terugbrengend naar haar stoel.
„Wij hebben mevrouw gezegd,” zei Lugtens, terwijl zijn harde, onbuigzame stem somber door de galerij klonk, als las hij een doodvonnis, „dat haar uitgaven te hoog loopen. Haar goederen brengen dat niet meer op. Zij kan voortaan over geen cent meer beschikken dan drie duizend gulden per maand.”
Tante Jansen was in haar stoel gezonken: haar doffe, van rimpeltjes omgeven, oogen keken rechtuit; het slappe vel harer oude wangen hing droevig over de onderkaak af.
„Straatarm,” steunde zij, diep ongelukkig. „Straatarm, Leen, op mijn ouden dag!”
Wezenlijk hadden ze met het oude mensch te doen. Wel vonden ze het gek, dat zij sprak van arm zijn bij zulk een inkomen, maar dat was de quaestie niet. Zij, altijd gewoon geweest met geld naar willekeur om te springen, alsof een onuitputtelijk goudmijn haar ten dienste stond, zag zich nu beperkt tot een zeker bedrag, dat zij niet mocht overschrijden, wat zij toch onvermijdelijk doen zou. Mevrouw Jansen had een zeer reëel verdriet, en het deed er niet toe, hoe een ander daarover dacht, of men het verstandig vond of dwaas, verklaarbaar of ongerijmd, zij had het en zij gevoelde het.
„Straatarm!” herhaalde zij maar telkens, en het hielp niet of mevrouw Uhlstra haar troostte. Zij huilde nu en dan, haar eigen gedachtenloop volgende, vegend met haar zakdoek langs haar oogen, de vale, beenige hand bevend van aandoening. „Dat had Jansen eens moeten beleven!” zuchtte zij. „Het is gelukkig! Heer, Heer!” En toen alsof een gedachte, die zij nog niet had gesnapt, haar plots door het hoofd kwam, zich ontwikkelend tot een duidelijk denkbeeld, ging haar matte starende blik onverwacht over de mannen, die de oogen neersloegen, zich inwendig schamend, zonder te weten waarvoor. Want ze hadden toch hun plicht gedaan.
„Dat doen jullie me aan,” zei de oude vrouw. „Jullie! Ik zie je nog, alsof het op den dag van gister was; ik zie je nog alle drie als ondergeschikte employés bij mijn man.”
Zelfs Lugtens kon zich er niet aan onttrekken, al was hij de eenige, die teekenen gaf van ongeduld, en die kortaf zei:
„Dat heeft hier niets mee te maken, mevrouw. Wij konden niet anders tegenover u doen. Het kapitaal...”
„Ik zie je nog,” vervolgde zij, hem in de rede vallend, maar droomerig en in haarzelve. „Wat waren jullie onderdanig, als je een boodschap kwam doen of orders halen van mijn man. En nu hij dood is, doen jullie zóó.”
Het was voor de drie „groote” mannen heel onpleizierig. Uhlstra wenkte een lang en dik jongmensch, dat in een hoek der galerij stond te wachten, heel netjes aangekleed, lui en fatterig, maar uit slimme kleine oogjes rondkijkend.
„Kom tante, zouden we niet naar huis rijden. Isa zou nog komen.”
„Ja kind, laat ons maar naar huis gaan.”
Hij nam haar arm in den zijnen, groette de heeren zeer beleefd, en leidde de oude vrouw weg naar haar rijtuig. „Goeden dag,” had ze gezegd, en tegen mevrouw Uhlstra: „Dag Leen,” en zoo was ze aan den arm van haar neef naar haar rijtuig gegaan, al maar het hoofd zachtjes schuddend, mopperend bij haar zelve: „Ik zie ze nog komen! Ze waren nog zulke kleine klerkjes. Nu blaffen ze tegen me, nu Jansen al lang dood is.”
„Ze wordt suf,” zei Lugtens kwaadaardig toen het mooie, maar ouderwetsche rijtuig het erf afreed.
„Hi, hi,” lachte Twissels, „dat worden we allemaal, als we maar lang genoeg in het leven blijven.”
„Kasian!” klaagde mevrouw Uhlstra. „Het is toch wel ’n beetje hard voor haar.”
Haar man zei niets. Doch wrijvend in zijn korten baard, keek hij het rijtuig na, met een bezwaard gemoed.
Klaar en duidelijk stond tempo doeloe ook hem voor den geest, met den grooten Jansen, onder wien ze allen hadden gediend, dien koning in handel- en landbouwzaken, en het stemde hem onaangenaam, dat ze nu een maatregel hadden moeten nemen tegen die koningin van voorheen, die troonde op recepties zonder een versiersel en in een hoogst eenvoudig kleedje, maar met haar slavinnen achter haar, beladen met een schat van sieraden en edelgesteenten.
Het dikke neefje Jansen had in het rijtuig zijn spraak teruggevonden. Hij schold dapper op „die kerels”; hij noemde het nu rondweg een schandaal, bewerend dat tante bestolen werd, en „die kerels” mooi weêr speelden van het geld van oom Jansen. De oude vrouw, vermoeid, hoorde de ratelende stem van Cesar, ’n beetje hakkelend als hij er niet goed wist uit te komen, stil aan; zij verstond of begreep er niet de helft van bij het gedruisch der rijtuigwielen over den weg en het onsamenhangende in het gebabbel van den jongen. Maar ze begreep wel, dat Cesaartje, zooals zij haar lieveling noemde, van idee was, dat die brutale vlegels, gelijk zij de beheerders van haar vermogen betitelde, haar te kort deden. En dat geloofde zij ook. Dat iemand, een oud mensch met zóó weinig behoeften, meer zou kunnen verteren dan een fortuin, als door Jansen nagelaten, afwierp, was niet te gelooven, en geloofde
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg