"Nummer Elf"
P. A. (Paul Adriaan) Daum
Oorspronkelijke Roman
Door Maurits
Amsterdam Loman & Funke 1893
Inhoud.
Bladz.
I. Kijkjes hier en daar 1 II. Yps krijgt haar congé 16 III. Hoe Lena de zaak opnam 31 IV. „Zoo’n brutaal, klein ding!” 47 V. Lena’s moeder 61 VI. George weer „beneden” 72 VII. De ingenieur 83 VIII. De ontvangst bij de Bruce’s 92 IX. Door een gaatje kijken en de gevolgen ervan 103 X. Hoe George aan tweehonderd gulden kwam 115 XI. Lena’s overdenkingen in zake zedelijkheid 132 XII. Doodgaan en begraven worden 144 XIII. De nuchtere man van zaken 159 XIV. Lena en George 174 XV. Getrouwd zijn 188 XVI. Yps duikt weer op 200 XVII. „Hij lijkt sprekend op zijn vader” 212 XVIII. George vergeet voor ’n oogenblik zijn positie 225 XIX. Op reis 239 XX. Het telegram 252 XXI. Slot 268
Eerste Hoofdstuk.
Kijkjes Hier En Daar.
Achter het schutsel stond een nachtlampje, en op de fijne palembangsche mat lag, zonder kabaai aan, enkel in haar koetang en sarong, een meisje van omstreeks twintig jaren te lezen. Ze was eêr leelijk dan mooi. Ofschoon een blondine van zuiver europeesche afkomst, had ze geen wezenlijk blanke huid; er was iets onbevredigend groezeligs in. Haar groote lichte oogen stonden flets, met donkere ongezonde kringen er omheen. En onder de jongelui was haar volslagen gebrek aan weelderige vormen spreekwoordelijk. „Zoo mager als Lena Bruce”, zeiden ze. Toch zou ieder, die haar dáár zoo onverschillig op den grond had zien liggen, haar bewonderd hebben, om den rijkdom van prachtig blond hoofdhaar, dat bijna haar geheele tengere gestalte bedekte als een fijne mantel, in zacht genuanceerde tinten, hier en daar schitterend in het licht. Het was haar lust, maar ook haar last. Welk een verademing, als ze dat ’s avonds kon losgooien! ’s avonds als ze in haar moeders kamer ging om er verder den nacht door te brengen; als ze zich voor niets en niemand meer behoefde te geneeren!
’t Was al één uur in den regenachtigen nacht; buiten was het stil; niets weerklonk daar, dan het schel piepen der krekels, en in de verte het koor-gekwaak der kikvorschen in de rawahs, met diepe bassen, barytons en tenoren in een eindeloos lied van twee tonen.
In de kamer, een bovenvertrek, hoorde men een geheel ander geluid, eentoniger nog, naarder, ziekelijker; dat van een zagende, zangerig steunende ademhaling, als benauwd klagend over de moeite, die het kostte om haar werk te doen, zóóveel keeren in de minuut in en uit.
De oude mevrouw Bruce leed aan asthma; het was een verschrikkelijk lijden, dat al jaren duurde, eer erger werd dan beter, en nog heel lang duren kon. Vooral ’s nachts en in het bed had de zieke het kwaad. Liggen kon ze al maanden niet; ze zat rechtop tegen een stapel kussens, haast den heelen nacht wakker, tobbend met haar kwaal.
„Leentje!”
Ze was ingedommeld, met haar neus op het boek,—maar hoe zacht ook de toonlooze schorre stem harer moeder riep,—ze hoorde die dadelijk, en streek zich, wakker schrikkend, met beide handen de haren uit het gezicht.
„Ja, ma!”
„Leg m’n kussens eens goed.”
Het behoefde niet eens gezegd te worden. Ze wist wel wat het was. Dáárvoor werd ze wel tienmaal geroepen elken nacht tusschen elf en vijf uren. Ze was de eenige die het doen kon, naar den zin harer moeder, die niet geholpen wilde worden van iemand anders dan van Lena. Van een baboe mocht men zelfs niet spreken; die mocht niet op haar kamer komen, als zij er was.
„Hoe gaat het nu, ma?”
„Och, zoo! Is het nog geen tijd!”
„Voor uw drankje? Neen, nog ’n half uur.”
Het meisje dorst nu niet weêr in te slapen; een half uur was ook de moeite niet! Ze las verder in haar kinderlijk engelsch romannetje, tot beneden in de gesloten, holle achtergalerij de klok twee luid weêrklinkende diepe slagen sloeg.
„Leentje!”
Ze had even gewacht om nog tien regels te lezen tot het hoofdstuk uit was; maar de zieke waakte.
„Ja, ma!”
En zoo ging het nu elken nacht! Wat een gezonde slaap was van ’s avonds tot ’s ochtends, wist Lena Bruce niet meer; ze dacht er zelfs niet aan; zij meende dat men gewoon raakt aan alles, ook aan het gemis van een behoorlijke nachtrust.
Eerst tegen ’n uur of vier viel haar moeder in een diepen, loodzwaren benauwden slaap vol akelig kreunen, met allerlei geluiden in de op allerlei wijze belemmerde ademhaling, van zwaar rochelende tot hooge flageolet-tonen. Dan sliep ook Lena, soms op de mat bij haar boek, soms op den divan, doodmoê in.
Flauw grijsde het in de verte boven de rawahs; enkele vogels vlogen op met schel gefluit tegen het dagend licht; één haan had ’t sein gegeven en de kraaiende gemeente barstte los van alle kanten; krakend over het grind van den weg rolden de grobaks langzaam naar de stad; de bamboezen pikolans, buigend onder het gewicht, voor en achter van groenten en vruchten, markeerden in zacht zwiepend koor den pas der inlandsche dragers, op een sukkeldrafje naar de pasar.
Zacht, maar met zekeren drang werd op de deur geklopt; een mannenstem riep met ingehouden kracht:
„Leen, Leen!”
Zuchtend en slaapdronken stond ze op, waggelde naar het rekje, naast de waschtafel, nam er een handdoek af en verliet de kamer. Maar bij de trap ging ze op den grond zitten, met haar voeten op de bovenste trede, de puntige ellebogen op de magere knieën, de fijne handjes onder het hoofd, soezerig, slaperig.
„Kom Leen!” zei achter haar dezelfde dringende mannenstem: „Ga daar niet zitten slapen. Ajo, ga baden!”
„Jaa, Paa!” zei ze zich uitrekkend met een klagenden, langen geeuw, en zuchtend scharrelde ze naar beneden.
Haar bedrijvig leven ving aan. De jongens, die naar school moesten, waren al lang wakker en hadden behoefte aan eten, drinken, schoone kleeren en nog meer. Ze had maar even den tijd om zich geheel wakker te baden. Papa liep met groote stappen de achtergalerij op en neer, snakkend naar een kop koffie en z’n morgenwandeling daarna; in afwachting de kinderen beknorrend. De een vroeg kaas, maar dat wilde papa niet, want zei hij, de jongen was al zoo puistig; de ander, die eieren moest eten en melk drinken, lustte geen melk en geen eieren; hij wou koek, maar die zou hij nu, „om den donder” niet hebben, zei Papa, en de derde, die koek at en eten mocht, jammerde van de pijn toen een stukje in een half verwoest kiesje verdwaalde. Intusschen repte Lena zich, opgewonden en zenuwachtig van de drukte en het rumoer; zich haastend om in de eerste plaats haar vader de deur uit te krijgen; want die was de lastigste van allen.
Toen eindelijk haar oudste broers naar hun kantoren en de jongste naar hun scholen waren, at ze een stuk brood met wat gelei en dronk ’n kop koffie. Daarna weer dadelijk in ’t gareel van de zorg voor dat groote huis en dat talrijke gezin, enkel rustend op haar tengere schouders, zonder dat er ooit iemand was, die in ernst vreesde, dat dit wel wat al te zwaar was.
Want zij beklaagde zich nooit; zij was in gezelschap opgewekt en vroolijk; als er dames waren, die zelf den godganschen dag in luiheid doorbrachten, en dan haar beklaagden omdat ze zooveel te doen had, antwoordde ze vergoelijkend: „dat het nogal gemakkelijk ging.” Men had geen succes van meewarigheid bij Lena Bruce, en spaarde die dus reeds lang voor dankbaarder sujetten!
Intusschen vervolgde haar vader de verre ochtendwandeling, zijn eenig dagelijksch werk. Op zijn veertigste jaar als ondergeschikt ambtenaar gepensionneerd, had hij zijn, geldelijk toen hoogst bescheiden, omstandigheden verbeterd door een rijke kinderlooze weduwe te trouwen. Dat was hem niet alleen gelukt,—hij was er zelfs in geslaagd haar in een rijk met kinderen gezegende huismoeder te herscheppen, en hij zou ook kans hebben gezien haar arm te maken, als zij niet met groote geestkracht de hooge hand had gehouden over het huiselijk departement van financiën. Zijn pensioen mocht hij verteren in de sociëteit en aan sigaren; van dien plicht kweet hij zich nu reeds drie en twintig jaren met roerende nauwgezetheid. Maar daarbij bleef het. Zelfs nu, terwijl ze zoo ziek en zwak was, liet zij hem het geldelijk beheer niet. Hij was daar blij om en vroeg er niet naar. Wat zou hij nu op z’n ouden dag, na haast ’n kwart eeuw in een zalig nietsdoen te hebben doorgebracht, moeten aanvangen, als hij genoodzaakt werd iets.... te doen.
Ondanks zijn nederig gewezen-ambtenaarschap en zijn nog nederiger positie als „man van zijn vrouw,” mocht Bruce zich verheugen in de algemeene sympathie. Met zijn witten krullebol en zijne witte bakkebaarden, zijn gezond uiterlijk en levendige oogen was hij het type van een knap, goed geconserveerd oud man. Men mocht hem graag, en daar hij gul en gastvrij was, en ’n mooi huis bewoonde op den besten stand, had hij veel bezoek; maar altijd in den vooravond; na het eten ging hij zijn partijtje maken in de sociëteit.
’n Kwartiertje buiten de stad liep hij een niet al te best onderhouden erf op. De damp was opgetrokken, en de zon verguldde reeds de boomtoppen. Bruce had dapper loopen rooken. Al was de damp weg, toch stonk het altijd naar die gemeene moerassen, zoo ’s morgens vroeg; en tusschen dat zoete luchtje van rottende plantaardige bestanddeelen, dat met elk windje overkwam, stegen links en rechts uit de kampong langs den weg de geuren van ranzige klapperolie, rookend vochtig hout, nangha’s en andere lieflijkheden.
„Zeg, George!” riep hij, een jongen man bij den arm schuddend, die in een luierstoel in de voorgalerij zat te slapen, „zeg, ben je gek! Moet je hier nu zitten slapen!”
„Laat me met rust!” was het onvriendelijk antwoord, met een knoop er op. „Biah! Koppi!”
Met een goedigen glimlach zag Bruce op hem neer; een glimlach van vergoelijkende kameraadschappelijkheid.
„Ben jullie nog lang gebleven?” vroeg hij.
„Biah! Koppi!” schreeuwde George nog eens, altijd met de oogen dicht. „Och God. Ik weet het niet,” antwoordde hij toen Bruce met ’n diepen zucht. „Laat me met rust.”
„Ik dacht wel dat jullie aan den draai zoudt raken. Toen ik te twaalf uren mijn partijtje had gemaakt en naar huis ging, scheen het lieve leventje bij jullie eerst recht te beginnen.”
George had nu zijn oogen op een kier gezet; ze stonden alleronmogelijkst flauw; het wit zag rood. Eerst toen een baboe ’n kop koffie bracht, richtte hij zich op en dronk met groote slokken.
„Ja, papa,” zei hij toen, zuchtend weêr in zijn luierstoel vallend, „dat was je nachtje wel! Jongens, jongens, wat heb ik ’n verschrikkelijken kater!”
Bruce lachte luid, liep even op en neer, en keek eens naar binnen.
„Dat zal wel overgaan voor je een meisje wordt. Neem een „straf” bittertje en ga baden, dan frisch je heelemaal op.”
Maar de patiënt rilde alleen bij de gedachte aan dat gerecommandeerde „straffe” bittertje.
„Nu bonjour,” ging de oude heer voort, toen hij geen antwoord kreeg en George zich ertoe bepaalde hem droomerig aan te kijken. „Ik kom van middag nog wel ’reis aan.”
George deed als iemand, die met het hoofd knikt en staarde wezenloos Bruce na, die kaarsrecht en met flinken, jeugdigen tred, het erf af en den grooten weg opging. Daarna vielen hem de oogen weer dicht; hij sliep niet in; dat ging niet, naar het scheen; maar z’n oogen open houden was hem te machtig. Droomerige, fantastische beelden en voorstellingen doemden bij hem op, de een al akeliger dan de andere; beelden en voorstellingen van zijn eigen dood; hoe hij ziek was en sterven zou; er werd een roerende redevoering op zijn graf gehouden, over al zijn goede hoedanigheden, en dat hij zoo jong was heengegaan, ontscheurd..... Wel verduiveld! de tranen kwamen hem ervan in de lodderige oogen.
Woedend stond hij op. Wel verduiveld wat was dat ’n gemeenen hypochondrischen „kater”! Zoo iets was hem nog nooit overkomen, en hij haastte zich naar achter, naar de badkamer, waar hij tegen alle indische badreglementen in, zich als ’t ware in de mandi kuip liet vallen, en er eerst ’n half uur later uitkwam.
’n Weinig verkwikt, keek hij het achtererf eens rond, vóór hij naar binnen ging. ’t Was zonde, maar de boel zag er niet te best uit. Hij had wel twee tuinlui noodig, indien hij alles wilde in orde hebben, en ’t kostte toch al zooveel.... Neen, aan geldzaken moest hij maar niet denken! Dat was vreeselijk! Voor hem was het een onomstootelijk dogma, dat hij gedoemd was ten eeuwigen dage diep in de beren te zitten. Er kwam eensklaps een uitdrukking over zijn gezicht van groote verwondering; zijn lange gestalte scheen langer te worden; zijn hoofd, dat moedeloos naar beneden was gezakt, hief zich op; zijn blauwe oogen kwamen nog meer naar voren dan gewoonlijk; de uitdrukking van verbazing werd onnoozel en dom; eenige seconden keek hij in het fijne dichte groen der boomen zonder te zien.... Waarachtig het was zoo! Nu herinnerde hij het zich weer duidelijk. Het was den vorigen middag geweest, toen hij van ’t kantoor kwam. Het was al bijna duister; hij had den ouden heer op den weg ontmoet, en ze waren samen opgewandeld. Toen was hij erover begonnen. Hoe hij het zoo maar had durven doen, snapte hij niet recht. Maar o neen, ’t was zeker, hij herinnerde het zich nu heel levendig in alle détails.... hij had Lena Bruce ten huwelijk gevraagd aan haar vader.
„Te duivel,” dacht hij, zich de oogen wrijvend met den rug van zijn hand, „dat was gek! Hoe was ik daar ook weer toe gekomen? En het was serieus óók. De oude Bruce had er niets tegen; als zijn vrouw en Leentje het goed vonden was ’t hem wel, mits.... George zoo spoedig mogelijk zijn tegenwoordig huishouden opbrak.”
Hij lachte om zichzelven, en schudde het hoofd over zichzelven. Zoo’n gekke vent als hij, dacht-ie, daarvan waren er ook geen dertien in ’n dozijn!
Zoo George Vermey al op dat oogenblik buiten staat was ernstig na te denken,—de herinnering aan zijn huwelijksaanzoek verbande toch de weinige levensvreugde, die hem dien ochtend bezielde. En diezelfde herinnering deed hem binnenshuis de kamer mijden, waar Ypsilanti Nesnaj al ’n uur bezig was aan haar toilet.—De baboe Biah had in z’n slaapvertrek schoon linnengoed klaar gelegd en alles gereed gezet, wat hij noodig had voor zijn toilet. Tot zijn eigenaardigheden behoorde, dat hij, behalve een ouden, vuilen tuinjongen, nooit een mannelijken bediende hield; hij noemde dat „een principe”. Met de grootste zorg kleedde hij zich, verzorgde met teedere belangstelling zijn onbeduidend vlasblond kneveltje en liet zijn wagen inspannen om naar ’t kantoor te rijden.
In de gang stond hij even stil, en riep luid met vriendelijke stemmodulatie:
„Dag!”
Er ging een deur open, en om den hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van dartele krulletjes op het voorhoofd, groote schitterende zwarte oogen, en een vroolijk lachenden mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilanti Nesnaj, wier militaire vader haar zijn omgekeerden geslachtsnaam had gegeven en den mallen voornaam, dien hij had gelezen in een boek over een griekschen prins.
’t Mooie schilderijtje ontroerde George. Hij kon niet nalaten er heen te gaan en Yps een zoen te geven. In de binnengalerij keek hij bij zijn vertrek eens rond. Wat zag alles er keurig uit! Ja, ’t was geen wonder! ’t Had hem ook ’n handvol geld gekost, waarvan hij ’t grootste deel nog schuldig was. Hij zuchtte. Het zou ’n dingetje wezen, háár eruit te krijgen! Zij zat zoo graag op die mooie divans; zij hield zooveel van die fijne gravures; zij keek zoo graag in die groote spiegels,—het bloed steeg hem van benauwdheid naar het hoofd, bij de gedachte aan de scènes, die onvermijdelijk waren, als zij hoorde, dat ze terug moest naar de kampong. En dan dat oude, leelijke wijf, achter in de bijgebouwen, die zich thans zoo gemoedelijk zijn aardigheden liet welgevallen, als hij gezelschap had van vroolijke vrienden, en haar dan liet roepen om haar voor te stellen als zijn „schoonmama.” Wat zou die ’n kabaal maken, als zij vernam, dat ze „schoonmama af” was!
Hij was niet zonder ervaring. Ofschoon hij er—zonder „kater”—jong, knap en frisch uitzag, waren de laatste twaalf zijner twee en dertig jaren erg wild geweest. Van zijn krachtig lichaam had hij veel gevergd, en hij had voor allerlei moeilijke en onaangename perkara’s gestaan. Maar het scheen hem toe, dat hij nog nooit in zoo’n lastig parket was geraakt, als thans met die huwelijks-aanvraag.
Met ’n zeker air stapte hij voor ’t kantoor uit den wagen. Hij was eerste geëmployeerde bij een handelshuis en schoon niet ruw of onvriendelijk tegen het minder personeel, zag hij graag, dat het erg beleefd was tegen hem, en nam hij vanzelf een gemoedelijk genadigen toon aan. Nu, ze hadden respect voor hem op ’t kantoor, want hij was „knap” zeiden ze, en de chefs vonden dat ook wel, maar hielden niet bijzonder veel van hem; hij was zoo’n rare kerel; soms was hij erg meêgaande, en een ander oogenblik kon men licht de grootste standjes met hem krijgen. Zijn werk overigens was uitstekend. Altijd even onberispelijk en net; zoo het al niet accurater was dan dat van anderen,—het had er voor ’t minst den schijn van.
In zijn overhemd zittend voor z’n lessenaar en z’n boeken, scheurde hij het blaadje van den vorigen dag af op den scheurkalender. Onder den datum stond met potlood iets gekrabbeld.
„God, God, ja!” zei hij „dat gezanik ook nog.”
Hij liet een copiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jonge man; een dier Indo-Europeanen, die nooit transpireeren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.
„Esreteip,” zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheeten) „je weet dat het vandaag de veertiende is.”
„Ja meneer.”
„Hier heb je een qualificatie. Maar eerst aan den vendumeester laten kijken of het in orde is, hoor!”
„Altijd, meneer.”
„Dus jij zorgt daar dan voor, hé?”
„Ja, meneer.”
Vermey was opgestaan, hij lei goedig en vertrouwelijk zijn hand op den schouder van den ondergeschikte, en zei zacht:
„En je houdt den mond. Tegen niemand ’n woord! Ik zal het met jou wel goed maken. Dat weet je wel.”
De arme Esreteip knikte glimlachend. Hij was de man, die altijd de vele geheimzinnige boodschappen deed, die een celibatair van George’s soort vrij veelvuldig te doen heeft; maar dat „goed maken,”—nu daar wist hij alles van! Dat ging niet veel verder, dan nu en dan een voordeeltje voor rekening van de firma. Anders geen cent!
Toch ging hij welgemoed naar de vendutie en gaf er zijn machtiging af om voor rekening van den heer Vermey te koopen tot een bedrag van duizend gulden. De vendumeester keek het stuk eens aan en knikte. Het was goed. Vermey wilde hij wel crediet geven, en Esreteip kende hij als employé op diens kantoor. De klerk stond te praten met ’n paar anderen, die erg veel op hem geleken. Zij zagen bij den verkoop der goederen onverschillig toe. Wat kon het hun schelen?
Eerst toen de venduhouder een doosje met diamanten omhoog hield, en niet zonder ironie in den toon zijner stem uitschreeuwde: „Een verzameling prachtige diamanten!” riep Esreteip. „Tweehonderd.” Het drietal bood nu tegen elkaar op, en eindelijk bleef de klerk het laatst aan bod voor precies duizend gulden.
Eenmaal.... andermaal.... voor de.... Niemand meer dan duizend gulden?.... Voor de derdemaal. Voor meneer....?
„Vermey,” zei de klerk.
„Voor meneer G. Vermey!”
De venduhouder nam glimlachend iets anders ter hand; de vendumeester streek glimlachend z’n knevels neer; twee Arabieren, zuiver semitische typen, keken elkaar veelbeteekenend in de kleine slimme oogjes; bira! liet zich een dikke „brutale” Chinees ontvallen.
Met het juweelen doosje in de hand ging de omgekeerde Pieterse terug naar het kantoor. Vermey had het heel druk; ’t was maildag, en daar het beste deel van den ochtend met praten en rondkijken was doorgebracht, lag er een stapel werk voor hem, dat af moest.
„’t Is goed,” zei hij, „zet maar neer, en nu als de drommel aan het schrijven.”
Daarmeê scheen de moeite beloond, want toen den volgenden ochtend Vermey bij den venduhouder kwam om, als verkooper van het doosje, ’t bedrag te innen van het vendu-accept, begon hij te rekenen, en zag, dat door de loonen, onkosten en percenten als kooper en verkooper, dit wel de duurste manier was om geld op te nemen, die men kon bedenken. Aan het geven van extra’s dacht hij niet langer.
En den dag zelf had hij het zóó druk! Toch was hij met het eigenlijke werk al om halfzes klaar; doch dat baatte niet; op ’n maildag kon hij toch niet weg vóór zeven uren, halfacht. Zóólang bleef dan de chef van het concurreerend handelshuis aan den anderen kant der rivier ook op diens kantoor, en zoolang men dáár het rijtuig zag wachten, kon George’s chef onmogelijk besluiten naar huis te gaan. Men zou waarlijk wel gedacht hebben, dat er niets omging bij hem op ’t kantoor!
Met zijn neus tegen ’t venster gedrukt, stond Vermey te turen naar buiten, naar de vallende duisternis, en hij dacht weêr aan dat voorgenomen huwelijk.—Lena Bruce zou een aardigen duit meêkrijgen; dat stond vast. Mooi was ze niet, maar lief, fatsoenlijk en zeer elegant en smaakvol. Te drommel ja! Wat haar toiletten betreft—en men zei, dat ze die zelf maakte,—was zij op elke partij in de sociëteit la reine du bal. Hij zelf kwam op den leeftijd, vond hij, dat men trouwen moest; het ging niet langer aan ’n leventje te leiden van vroolijken Frans met het daaraan onafscheidelijk verbonden indisch concubinaat. Er was een tijd om geregeld te gaan leven; en die tijd was voor hem nu juist aangebroken. Mooi? Nu, wat gaf hij daarom!
Een vrouw trouwde, en kreeg kinderen; dan was zij, naar zijn opvatting, niet mooi meer, al had ze ook een gezicht als een engel! Wat deed er dus dàt toe?
En dan de pecunia! Hij had een goed tractement, maar het was gek: hoe meer hij verdiende, des te aanzienlijker werden zijn tekorten, en hij herinnerde zich heel goed, dat toen zijn inkomen half zoo groot was als thans, hij nauwelijks half zoo diep in de beren zat.
Trouwen was onvermijdelijk, daarvan raakte hij meer en meer overtuigd. Hij haalde er al zijn maatschappelijke en zedelijke argumenten bij; al de goede conventioneele gevoelens over een gelukkig huiselijk leven, behoorlijk en wettig gesanctionneerd, riep hij op in zijn geest; hij liet zijn verbeelding werken, en zag als ’t ware het mooie coquette huisje, waarin hij zoo gezellig zou zitten met zijn vrouwtje, later ook met zijn kindje—maar dan kwam ineens daartusschen het vroolijke, onbezorgde donkere gezichtje van Yps.......
Tweede Hoofdstuk.
Yps Krijgt Haar Congé.
„Och, Vermey, kom eens even hier!”
Hij schrikte op uit zijn droomerijen, toen zijn chef hem met driftige stem riep.
„Ja,” riep hij terug, en volgde haastig.
„Die vent moet er maar uit, Vermey.”
George liet een blik gaan over de stukken, afrekeningen, uittreksels van boeken enz.; hij zag duidelijk wie bedoeld werd.
„U meent Esreteip.”
„Het is zoo’n domkop! Kijk dat ding eens aan!”
„Ja, ’t ziet er slecht uit; vol knoeierij; ’t is haast niet te zenden. Maar ’k zou ’t nog ’reis met hem probeeren; ze zijn toch allemaal eender.”
„Als je naar huis wilt gaan....”
„Och, ’t kan mij niet schelen,” loog George.
„Ga gerust je gang.”
„Dan wensch ik u goeden avond.”
„Bonsoir!”
„Waarom zou hij me weg willen hebben?” vroeg zich de eerste geëmployeerde af. „Nu zit hij daar weêr geheel alleen met den mandoer Ali. Dat is al verscheiden malen gebeurd, en vroeger moest altijd iedereen blijven tot het meneer convenieerde naar huis te gaan. ’t Is vreemd!”
Hij liet zijn wagen volgen, en wandelde naar huis. ’t Was mooi droog weer en de sporen van den regen waren verdwenen. Hij hoopte Bruce op den weg te ontmoeten, maar toen hij het hooge huis voorbij ging, zag hij zijn aanstaanden schoonvader op het voorerf rondscharrelen tusschen de rozenpotjes, hier ’n dor blaadje wegnemend, ginds ’n al te weelderig uitschot besnoeiend.
„Hoe is het ermeê?” vroeg George, en hij kreeg ’n kleur; dat gauw ’n kleur krijgen was een zijner eigenschappen, die hij ’t meest verwenschte.
„Het gaat vrij wel.”
„Je hebt er haar toch niet over gesproken?” vroeg hij fluisterend, ofschoon hem niemand kon hooren.
„Niet direct. Alleen zei ik zoo aan de rijsttafel, dat het voor ’n meisje goed was te trouwen.”
„En toen?”
„Ja, zie je, ze zei niemendal. ’t Is zoo’n raar kind. Je kunt nooit uit haar wijs worden. Ik ging voort en zei, dat het me niets zou verwonderen, als het ook langzamerhand haar tijd werd. Toen begon ze te lachen. Het zou wel ’n net boeltje worden, in ons huis, meende ze, als zij eens de deur uit was. Nu, dat behoefde niet samen te gaan, vond ik. Het was geen vereischte dat een meisje trouwde met iemand die naar een andere plaats ging, en als zij hier bleef, kon ze ook wel bij ons inwonen. Ik begon daarop ineens over jou te spreken, maar toen belde de oude vrouw boven. Het mensch had ’t zeker weêr te kwaad met de borst, en Leen liep dadelijk weg om haar moeder te helpen.”
„Dus dat is eigenlijk niks,” zei George teleurgesteld.
„Dat moet je niet zeggen, Vermey. Het is een begin. Zij zal over het eene denken, en vanzelf komt haar daarbij het andere in de gedachte.”
„Ik mag het lijden, ouwe heer,” zei George ongeloovig.
„Bovendien: het heeft zoo’n haast nog niet. Eerst moet de rommel daar bij je zijn weggeruimd.”
„Natuurlijk.... maar....”
„Nu,” vroeg de oude Bruce, „wat is er dan? Heb je nog wat op je gemoed?”
„Ja, zie je,” ging de ander glimlachend voort. „Ik ben ’n boon als ik weet hoe ik dat ding moet aanpakken.”
„Nu, die is slim! Ik wist waarachtig niet, dat je zoo’n onnoozel borstje was.”
„Wees nu niet flauw! Dàt is het niet. Ik ben twaalf jaren ouder dan zij....”
„Het mocht wat,” zei Bruce zich trots oprichtend. „Ik was twintig jaar ouder dan haar moeder, toen ik die vroeg, en zeven jaar ouder dan jij nu bent. Het heeft nooit ’n fout gemaakt in de rekening, vriendje! En nou ligt het mensch daar boven met ’n sleepende kwaal, en ik sta hier.” Hij sloeg met zijn stevige knokkels op zijn goed gewelfde borst, dat het klonk als ’n klok. Al het ijdel egoïsme van physiek gelukkige grijsaards, tegenover het zwak en ziekelijk deel van het menschdom, sprak daaruit.
George was te veel met zichzelf bezig om dáárop te letten.
„’t Is alles goed en wel, maar met mij is het een ander geval.”
Bruce mat den jongen man van het hoofd tot de voeten.
„Je ziet er anders ook wel uit of je ’n boerenkermis meê kan maken.”
„Dàt is het niet. Je begrijpt me niet. Wij hebben niet op dezelfde manier geleefd. Ik heb er in de liefde altijd m’n gemak van genomen. Aan hofmakerij tegenover jonge dames heb ik maar weinig gedaan. Het gaat mij, dat weet ik vooruit, slecht af. En dan bij Leentje!....”
„Waarom in het bijzonder bij haar?”
„Wel.... je weet toch waarachtig wel, dat ik reeds als jongen van 18 jaar bij jullie aan huis kwam, toen Leentje nog een zuigeling was.”
„Hm! Ik zou daar nu maar niet langer aan denken Vermey. Zij is sedert gespeend, dat verzeker ik je, en jij moet je niet zenuwachtig maken,” zei Bruce het indo-hollandsch nabootsend bij wijze van aardigheid.
„Het zal wel schikken.”
„Zeker! Maar eerst dien rommel uit je huis. Zet de meid eruit, houd vendutie en trek in een logement of in een commensalenhuis. Ik wil niet hebben, dat je met m’n dochter ergens over spreekt vóór dat achter den rug is.”
„Natuurlijk,” beaamde George volkomen, maar met een zucht.
„En als het je zooveel kost als ik uit je zuchten moet opmaken....”
„Och, wel neen! het is gekheid.... ik dacht aan het verlies, dat ik lijden moet op die beroerde vendutie.”
„Ja, er zit toch niets anders op. En wat dat betreft,” ging Bruce voort, de bekende geldtellende duim- en vingerbeweging makend, „is, meen ik, de inzet den prijs wel waard.”
Zonder daarop te antwoorden, reikte Vermey hem de hand en ging heen.
’t Was waar, wat zijn aanstaande schoonvader zei, en hij had ook inderdaad meer aan Yps gedacht, dan aan zijn vendutie; maar dat wou hij niet weten.
Doch onjuist was Bruce’s veronderstelling, dat zijn dochter zijn woorden herdacht zou hebben. Zij gingen haar het eene oor in en het andere uit. Zij had immers als meisje dat onderwerp letterlijk „afgedacht” en voor het denkbeeld van een huwelijk met Vermey was in haar brein geen plaats. Zij had het veel te druk om tijd over te houden voor gevaarlijke bespiegelingen. Er waren jaren geweest, waarin zij moeilijke dagen doorleefde, gekweld door een nameloos verlangen. Dat was voorbij; naar zij hoopte voorgoed. Er was hoofdzakelijk van overgebleven een soort van voorgesteld ideaal. Een denkbeeldig wezen, zooals zij er zich een zou wenschen tot man. Zij had er wel ontmoet, die daar ’n beetje op geleken. Op de bals in de sociëteit, had zij wel gedanst met jonge mannen, wien ze het jawoord zou gegeven hebben, als ze erom hadden gevraagd. Maar dàt gebeurde nooit.
Nu kon het haar niet meer schelen. Bovendien zou ze nooit haar moeder verlaten. Het was een zware, ondankbare taak in het huishouden. Den ganschen dag de trappen op en af. Mama boven ziek, het huishouden beneden,—soms als zij met groote vlugheid als het ware langs de treden omlaag gleed, stond ze een oogenblik stil en bracht de hand aan het hart met een gevoel van duizeligheid, terwijl alles haar draaide voor de oogen. Maar ze herstelde zich weer spoedig. Er moest immers voor zooveel gezorgd worden, en dat was bij haar ernstig ontwikkeld plichtsgevoel een zóó gewichtige taak dat haar moeder haar liever scheen te worden, naarmate de ziekte meer verzorging eischte, en het huisgezin haar nader kwam staan hoe meer het vergde van haar geringe krachten.
George ontroerde toen hij zijn woning binnentrad. Als alle ondiepe watertjes was hij licht bewogen. Arme Yps! Dat was dan toch ook ’n gruwelijk lot, nu weêr te worden weggezonden naar de kampong! Weggezonden, als een bediende, als ’n voetveeg, als ’n stuk gereedschap „na gemaakt gebruik.” Kasian! dacht hij, en met tranen in de oogen, die hij z’n best deed weg te knippen, trad hij de kleedkamer binnen.
Yps zat, zooals zij den halven dag deed, haar mooi gezichtje te bekijken in den fraaien toiletspiegel, haar krulletjes te arrangeeren op haar voorhoofd, het rood harer lippen te verhoogen met kendjoe, het zwart harer oogen effectvoller te maken door het met sarma te onderstreepen; haar gelaatskleur licht en fluweelig te doen schijnen door een handige compositie van bedaq,—en den boog harer wenkbrauwen te verfraaien met wat gebrande kemirie met welriekende olie.
Het deed George’s ontroering toenemen. ’t Lieve diertje! Dat deed ze immers alleen om hem te behagen!
Hij had wel graag den kogel door de kerk willen jagen, maar hij durfde niet; hij gevoelde dat hij tusschen twee vrouwelijke vuren was geraakt, en hij had niet kunnen zeggen, waartegen hij meer opzag: Lena Bruce ten huwelijk te vragen, dan Yps haar congé te geven. Toch was het niet de eerste maal, dat hij ’n huishoudster aan het verstand zou brengen, hoe er voor maatschappelijk niet erkende vennooten van haar slag na een tijd van komen onvermijdelijk een tijd van gaan volgt. Hij had het vroeger altijd gedaan de coeur léger, en ’t was hem wèl bekomen. ’n Voorwendsel van jaloerschheid, ’n geweldig standje over ’t een of ander en,—klaar was Kees. Ook thans zou hij niet zooveel „gemoedsbezwaren” hebben gehad, als het slechts een gewone verandering van decoratief had gegolden, als hij zin had gekregen in een andere van gelijk slag; ongetwijfeld zou Yps dan zonder genade haar voorgangsters met groote snelheid zijn gevolgd.
Nu aarzelde hij; nu begon hij op zijn manier ernstig te philosopheeren. Wat was toch het leven, dacht-ie! Zoo’n meisje was eigenlijk precies voor ’n man, wat ’n europeesche vrouw voor hem was; en meer en beter soms! Was het niet onmenschelijk en schandelijk haar „zoo maar” aan den dijk te zetten? Zij had toch óók gevoel; zij was toch óók ’n mensch, met een hart, dat klopte voor hen, die ze aanhing en liefhad; met al die echt menschelijke neigingen en aandoeningen.... Hij had kunnen huilen, zóó werkte hij nu weêr op zijn eigen zenuwen. Hij nam haar donker handje in zijn groote blanke hand; de net gevormde vingertjes, dik aan den wortel en spits toeloopend, de kuiltjes op de fijne onzichtbare knokken,—hij vond dat zoo sprekend cachet der luiheid allersnoepigst, en hij zoende het.
Er was een brief noodig om hem van z’n bui van aandoenlijkheid te genezen. Hij stond waarlijk op het punt Yps aan het hart te drukken, haar alles te vertellen, en meteen dat Lena Bruce naar de maan kon loopen en Yps permissie had in zijn huis te blijven, minus de voorgalerij; hij zou gedacht hebben, dat hij het deed uit groote edelmoedigheid, zonder eenig verder zelfonderzoek; zonder zich af te vragen hoe het kwam, dat het wegzenden van een huishoudster hem vroeger nooit zoo nobel gestemd had; waarom hij er drie of vier met de grootste hardvochtigheid de deur uit had gegooid, en thans zijn gemoed daar zoo tegen op kwam; of niet veeleer zijn eigen vrees voor het huwelijk, de wezenlijke oorzaak was van zijn dralen tegenover Yps en zijne bij deze bijzondere gelegenheid opdoemende zedelijkheidsbegrippen?
Want dàt was het eigenlijk. Hij was bang om te trouwen; hij had, ondanks de conventioneel dichterlijke beschouwingen, die hij zich opdrong, een verschrikkelijke vrees voor het huwelijk; hij was langzamerhand en onbewust van oordeel geworden, dat het huwelijk een halve zelfmoord is, en dat elk celibatair, als voorstander van een vroolijk en gezellig leven, eigenlijk rouw moest dragen over een vriend, die trouwen ging, zooals de joden doen over een afvallige.
Groote God! had hij meer dan eens gedacht, wat werden het saaie kerels, als ze eenmaal gekluisterd lagen aan de sarong eener „wettige echtgenoote!” En ofschoon hij daar nu niet rechtstreeks aan dacht, was toch de grondidee van al zijn teeder tobben over Yps en over den socialen toestand van alle Ypsen geen andere dan deze: moet ik nu ook zoo’n saaie kerel worden, ik, George Vermey, die minstens zes ochtenden in de maand wakker word met een minimum herinneringsvermogen, maar de absolute zekerheid, dat we den vorigen avond tot laat in den nacht ’n fameuse lol hebben gehad?
Hij las den brief: „Herhaalde malen.... te vergeefs aangedrongen.... oude pretentie.... onze advocaat..”
„Gévédé!” vloekte George, „ik wou dat die vervelende kerels.....”
..... Het was uit met de aandoenlijkheid. Hij zou met Lena Bruce trouwen, dàt stond vast. Er moest eindelijk eens ’n eind komen aan dat gezanik!
Yps kwam in de binnengalerij, waar hij den brief had ontvangen en gelezen. Er stond een buitendeur open, en hij haastte zich die te sluiten. Men mocht haar eens zien! Vroeger kon hem dat zoo erg niet schelen, maar nu hij heuschelijke trouwplannen had, stond het niet. Heupwiegend en draaiend met haar mooie buste, kwam ze naar hem toe, het hoofd, waaraan zooveel zorg en inlandsche toiletartikelen waren besteed, terzijde, met zacht tikken harer vergulde hakjes op de mat en het geschuifel harer mooie solosche sarong; de korte, sluitende kabaja één borduursel, ’n helder roode bloedkoralen ketting om den hals en flankerende diamanten in de ooren; ’n veelkleurig oostersch beeldje; ’n levend geworden oleographie!
Hij lette er niet op! hij had ’n idee en dat hield hem nu in eens bezig! Met een erg bedrukt gelegenheidsgezicht reikte hij haar den brief over, en al verstond ze niet bijzonder veel hollandsch en al was haar kennis van ’t lezen en schrijven niet groot, zoo’n soort brief verstond en begreep ze dadelijk. Wat schulden maken was en ze niet betalen, dat wist ze precies.
Al het vroolijke en behaagzieke verdween voor een oogenblik uit haar gezicht; er kwam een algemeene uitdrukking van onbeschaamdheid en brutaliteit over.
„Och!” zei ze eerst verwonderd. „Wat is dat?”
Hij haalde bedenkelijk de schouders op.
„Een oude beer; ik moet betalen; ik heb het niet.”
„Jaa! terlaloe! Moet maar piendjem, ja?”
„Jij hebt makkelijk praten!”
„Tobat! Waarom niet bij kaas?”
Ze was toch slim, dacht hij. Het scheen wel, ondanks alle dure eeden, die ze gezworen had, dat hij, Vermey, niet de eerste was geweest. Hoe drommel kwam ze anders zoo gauw op ’t idee, dat hij geld moest opnemen bij de kas van zijn kantoor?
„Kan niet meer,” antwoordde hij. „Al te veel op mijn rekening dit jaar. Het gaat niet. Er moet een verandering komen, anders wordt nog de heele boel hier op een goeden dag voor schuld verkocht. Dàt zou wat moois zijn!”
Zij keek hem ernstig aan ’n oogenblik, draaide toen op haar hakjes om en ging stijf en strak met ’n boos gezicht naar achter.
Zij had het ineens gesnapt. Dom mocht ze wezen in duizenderlei opzichten,—in alles wat op haar toestand als „huishoudster” rechtstreeks of zijdelings betrekking had, was zij de scherpzinnigheid zelf. Hij wilde haar weg hebben! Daarom had hij zoo gek gedaan, toen hij binnenkwam en haar hand had gezoend. Bij de gedachte eraan, streek ze haar hand langs haar sarong met ’n vies gezicht. Dáárom had hij haar dien brief laten zien. Wie weet of ’t wel eens betoel ’n brief was of hij ’t er maar niet om deed. Er was iets, dat, meende ze, stond vast, en wat het was, zou ze wel te weten komen.
George luchtte het op. Dat was één pak van z’n hart; Yps begreep er nu alles van; hij had het gezien aan haar gezicht en aan haar heengaan; zij kon alleen zoo woedend zijn, omdat ze begreep wat er aan de hand was. Hij ontweek elke intimiteit; ging in de logeerkamer slapen, en sprak zoo weinig mogelijk.
Binnen twee dagen wist Yps er alles van.
Vermey was er de man niet naar te zwijgen. ’s Avonds vertelde hij ’t heele geval onder een grogje aan ’n paar zijner beste vrienden. Toen hij sprak van zijn voorgenomen huwelijk, stelden zij daar slechts heel matigjes belang in.
„Je moet het zelf weten,” zei de een.
En de ander:
„Het is ’n heele onderneming.”
Voorts waren beiden het hierover eens, dat Vermey er verstandig aan deed een vrouw te trouwen, die, „wat had”; dat het niet minder verstandig van hem was een vrouw te nemen, die „wist wat een huishouden was,” en dat hij het summum van verstand aan den dag legde door te trouwen met een meisje „dat nooit over de tong was gegaan.”
Want „dat was donderen”, beweerde de een.
En de ander:
„Of je raakt onder de pantoffel, òf er volgt echtscheiding.”
Daarmede waren alle beschouwingen over een huwelijk tusschen den heer George Vermey en mejuffrouw Lena Bruce uitgeput.
Maar toen hun vriend begon over wat hij „de scènes met Yps” noemde, werd de belangstelling zeer levendig. Hij was aanvankelijk niet van plan te fantaiseeren of te liegen; daarom begon hij eenvoudig met het verhaal van den brief, en hij beschreef hoe ze hem aankeek met „oogen als kolen vuur” en toen „hard wegliep.” Doch dit had reeds zulk een enorm succes, dat hij ’t voor zijn fatsoen, als held van ’t avontuur, dáárbij niet laten kon. Nu, het onderwerp had hem vóór ’t zoover kwam, lang genoeg bezig gehouden, en bovendien stond hem zijn rijke ervaring ten dienste. Zóó werd het een piquant verhaal, gekruid en gesaust, naar indischen trant. Wat er wezenlijk tusschen hem en Yps was voorgevallen, kon men er evenmin uit proeven, als de wezenlijke smaak van rijst uit ’n goede rijsttafel. Bewonderend keken zijn vrienden hem aan. ’t Was toch ’n origineele kerel, die Vermey. Eeuwig jammer, dat hij onder ’t juk kwam!
De „vrienden” zouden het volgens afspraak „stil” houden, zij beloofden het stellig; maar thuis vertelden zij het aan hun „wilde” wederhelften, en in de sociëteit en op het kantoor aan hun intimi, die op haar en hun beurt er met den grootsten ijver het: „zegt het voort” op toepasten.
Zóó kwam het tot de kennis van Yps, die haar moeder op kondschap had gezonden, en die verwonderd stond te kijken toen ze vernam, dat de heele buurt gewaagde van de verschrikkelijke standjes, die ze maakte. Dàt vond ze gemeen. Neen, zij zou geen leven maken, al behandelde hij haar slecht.
„Laat maar!” zei ze in haar eigen, wel innig woedend, maar toch met een overtuiging van victorie: „Laat maar!” Zij was niet gek, dacht ze. Goed beschouwd, was het veel pleizieriger in de kampong, dan in dat akelige steenen huis, dat wel heel mooi was, maar zoo saai! In de kampong kon ze stilletjes knoeien met inlanders; dat vond ze veel plezieriger. Als ze het niet deed om het geld, zou ze nooit een Europeaan willen aankijken. Wat verbeeldde hij zich nu wel! Neen, zij zou hem wel anders vinden. „Laat maar!” herhaalde ze bij haar zelve.
Toen George thuis kwam dien dag, had hij goed nieuws. Er bestond alle kans dat hij zijn inboedel zou kunnen overdoen, zonder groot verlies. Het moest maar gauw gebeuren ook; zoo spoedig mogelijk. Hij dronk zijn thee in de achtergalerij, waar Yps rondliep met een spottend gezicht.
„Je hebt zeker wel begrepen,” zei hij zachtzinnig en verdrietig, „dat ik zoo niet kan blijven leven. Het spijt me gloeiend, maar ik moet den boel verkoopen.”
Hij wachtte een oogenblik, maar zij zei niets.
„Ik ben genoodzaakt weer op kamers te gaan wonen. Voorloopig trek ik in het hotel.”
En toen ze nog altijd zweeg: „Natuurlijk zal ik je niet in den steek laten. Je moet morgenochtend maar eens met je moeder gaan kijken naar ’n huisje ergens. Ik zal dan voor de meubeltjes zorgen....”
Het was niet noodig dat hij zoo’n druk gebruik maakte van de diminutief; ook zonder dat, wist ze het wel. Wat haar woedend maakte op dat moment was zijn gehuicheld vertoon van zachtzinnigheid en leedwezen. Zij deed een paar driftige schreden naar hem toe en keek hem donker in ’t gezicht.
„Jij smeerlap!” siste zij hem toe.
Daar stond hij van te kijken!
En terwijl zij zich verder bezighield met het theegoed, begon zij te schelden op Lena Bruce. Hij liet het gaan, zich verbazend over haar bekendheid met zijn plannen; aan den eenen kant deed het hem goed, al trok hij ’n boos gezicht, en al haalde hij nu en dan met minachting de schouders op. Zij ging spottend voort; zij kende dat trotsche magere spook wel, dat altijd zoo „gekleed” was, maar toch leelijk bleef; zij ving aan haar half in ’t maleisch, half in ’t indo-hollandsch te beschrijven naar de détails. Toen liep George, stikkend van ’t lachen, en niet langer bij machte zich verontwaardigd te houden, naar binnen.
Wat hem ’t meest interesseerde, was het feit, dat Yps zoo goed op de hoogte bleek. Het kwam niet bij hem op te denken aan zichzelven of zijn vrienden. Dàt moest Bruce gedaan hebben, meende hij, en hij nam het den ouden heer kwalijk. „Zoo’n kletskous!” dacht hij. „Er waren dan toch ook menschen, die nooit den mond konden houden.”
Daartoe echter, behoorde Bruce niet. Wel brandde het hem op de tong, en moest hij zich geweld aandoen. Zoodra dan ook Vermey den „rommel” uit zijn huis zou hebben, nam hij zich voor over de huwelijksplannen voor Lena te spreken. Nu streed het met zijn gevoel, zooals hij ’t noemde, ook slechts tegen anderen er op te zinspelen.
Derde Hoofdstuk.
Hoe Lena De Zaak Opnam.
„Wat moet-je toch?”
Lena was eenigszins bits uitgevallen. Wel ja! die menschen konden zoo zaniken! Zij had het zoo verschrikkelijk druk dien ochtend en daar liep die baboe om haar heen te draaien, net of ze een praatje wou beginnen. En de nonna, die het zoo volhandig had met haar huishoudelijke bezigheden, was daar dien ochtend niets op gesteld.
Ze was anders goed voor de inlandsche bedienden; het volk diende haar graag en ging niet gaarne heen. Maar ’t kostte moeite ze te houden, soms. Papa, die nooit iets had uitgevoerd en zich nooit met iets hoegenaamd bemoeide, had de gewoonte zoo ééns in de week naar achter te gaan en met vervaarlijke stem de keukenmeid, den tuinjongen, de huisjongens, de naaister en de baboe onder allerlei lieflijke benamingen hun tekortkomingen te verwijten.
Dan gebeurde het telkens dat een, die wat erg hard was aangepakt, eenvoudig bij Lena kwam brenti vragen, en niet altijd gelukte het haar de menschen met een verstandig woord van hun plan om heen te gaan af te houden.
Zij had er dikwijls onaangenaamheden over gehad met haar vader, maar dan werd hij boos, want hij was niet af te brengen van het idee, dat die wekelijksche bulderbasserij dringend noodig was voor de handhaving van zijn prestige als heer des huizes.
De meid was over de driftige vraag van Lena een oogenblik beteuterd geweest, maar zij herstelde zich dadelijk, en vroeg of het wezenlijk waar, of het betoel betoel was, dat de juffrouw ging trouwen.
„Ik geloof dat je gek bent,” zei Lena, nu werkelijk boos.
„Alle menschen zeggen het toch,” hield de baboe vol.
„Alle menschen zeggen, dat de juffrouw gaat trouwen met meneer Vermey, en dat hij daarom uit zijn huis gaat en zijn njai wegdoet.”
„Nu zeg dan maar tegen alle menschen, dat het een leugen is, en houd verder je mond.”
Teleurgesteld en met een langgerekt: „ouah!” van verbazing, ging de meid aan haar werk. Lena, geheel van streek en erg verontwaardigd, liep de trap op, en luisterde aan de kamerdeur of haar moeder wakker was.
Mevrouw Bruce gevoelde zich dien dag minder benauwd dan anders. Zij zat in haar grooten leunstoel, ineengedoken in sarong en kabaai, met ingevallen borst en schouders, zwak en doodmager, ellendig om aan te zien, met niets meer dat van krachtig leven sprak, dan haar ernstige verstandige oogen, en de vaste trek vol wilskracht om haar mond.
„Verbeeld je ma,” zei Lena pratend de kamer binnenkomend, „wat gemeene praatjes er worden uitgestrooid.”
„Wat dan?”
„Dat ik zou gaan trouwen met meneer Vermey.”
Haar moeder trok de wenkbrauwen saam en diepe voren plooiden haar voorhoofd. Een oogenblik zweeg zij.
„Zoo, zeggen ze dat.”
„Het is schandelijk!”
„Och waarom! Er zal wel iets van aan zijn. Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan.”
„Maar praat dan toch zóó niet ma.... U weet....”
„O, ja, ik weet wel, dat jij er nooit aan gedacht hebt. Maar men kan niet weten....”
„Ik zal dan toch in de eerste plaats wel moeten weten!”
„Je vader is altijd zulke goede vrienden met hem; zij kennen elkaar al jaren, en ’t zijn allebei trouwe kroegloopers. Wie weet wat ze met elkaar beramen.”
Daar had je, dacht Lena, waarlijk Papa weer! Papa, die nooit iets deed, maar als hij zich tot iets zette, altijd deed wat hij niet doen moest. Er kwam een trek van minachting op haar gezicht. O zeker, ze hield veel van haar vader, maar zulk een man vond ze toch afschuwelijk.
Zij dacht daarover na, terwijl haar moeder haar aanzag, eenigszins angstig. Zou zij haar kind verliezen? Zou zij nu zwak en hulpeloos, afhankelijk van anderen, den eenigen steun moeten derven, dien ze aannam met liefde en stillen dank, als iets dat natuurlijk was en vanzelf sprak? Toen Lena peinzend zwijgen bleef, wendde haar moeder den blik niet van het eenvoudig gezichtje met de vermoeide trekken en de kringen onder de oogen; en plotseling scheen het haar in te vallen, dat zij een hardvochtige, egoïstische moeder was; dat zij, die zelf twee mannen had gehad, geen hinderpaal mocht zijn voor een huwelijk van Lena; dat het beter was, als het meisje trouwde.
„Het is goed, dat je er over denkt, kind. Als je vader Vermey niet heeft afgewezen, dan handelde hij zeer verstandig, schoon hij er mij niet onkundig van had moeten laten. Doch ik weet het wel; iemand die altijd ziek is en de kamer moet houden, telt op het laatst niet meer mee. Ik zou maar stil afwachten, Leentje, en intusschen er ernstig over denken. Vermey houd ik voor een goed, schoon wat lichtzinnig mensch. Men zegt dat hij knap is voor z’n zaken en dat geloof ik ook wel. Hij heeft een behoorlijke positie en is een flink, gezond man; hij....”
„Maar, ma!” riep Lena, luid lachend. „Is hij ook „hecht, sterk en wel-doortimmerd” zooals pa altijd zegt van ’t huis? Hoe heb ik ’t nu met u, maatje? Ik denk in ’t geheel niet aan den man. Geen haar van mijn hoofd denkt aan hem!”
„Het is misschien verkeerd, kind. Menig meisje is op jouw leeftijd al getrouwd en heeft ’n eigen huishouden.”
„Een huishouden ontbreekt mij niet!”
Mevrouw Bruce zweeg ’n oogenblik. Neen, dat ontbrak haar dochter waarlijk niet! Eens op den weg der erkenning en waardeering van al wat Lena deed voor het gezin en voor haar zelf, stond zij niet stil. Dàt kon zoo niet blijven; het was haar thans duidelijk, dat er een verandering komen moest; het denkbeeld pijnigde haar, maakte haar benauwdheid grooter, zoodat ze een oogenblik achterover moest zitten, de magere handen tegen de borst, het hoofd op- en neêrgaand van de moeite om adem te krijgen.
„Je moet trouwen, Leentje,” zei ze, toen ze weêr wat op streek raakte. „Je moet. In elk geval is dit geen leven.”
„Waarom niet ma? Ik beklaag me immers niet.”
„Het is geen leven!”
Zij had de fijne handjes van Lena tusschen haar eigen uitgeteerde vingers genomen en hield ze vast op haar schoot. Dat was zoo heelemaal haar kind! Zoo heelemaal haar eigen ik, naar het tengere lichaam, zoowel als naar den kloeken geest.
„Vertel me nu eens, Leentje, is er iemand....?”
„Mijn hemel, ma.... wat ’n malle vraag! Er is niemand, hoor! En ik ben er blij om.”
„Zeg het niet, Leentje; het is niet waar; het kan niet waar wezen. Op jouw leeftijd....”
„’t Is toch zoo, ma. ’t Kan me wezenlijk niets hoegenaamd meer schelen.”
„Meer schelen?”
„Ja. Er was een tijd.... toen u nog op de been waart en zelf het huishouden deedt; toen ik veel tijd had; tijd genoeg om muziek te maken, en uren lang niets te doen; toen ik lange nachten sliep en ’s middags uren te bed lag met een boek. Toen had ik....”
„Ja ma,” ging Lena verlegen voort, „ik kan het u wel zeggen, ik geloof, dat ik in dien tijd iedereen zou getrouwd hebben, die me ’t hof had gemaakt.”
Haar moeder knikte zwijgend, dat kende ze; het was de heel gewone geschiedenis.
„Het is nu lang voorbij. O, ik ben er zoo blij om! Ik heb ’t nu erg druk. ’s Nachts komt er van slapen ook niet veel, en als ik ’s middags een uurtje naar bed ga, dan raak ik nauwelijks mijn kussens of ik slaap al.”
„Dat is ’n ander uiterste.”
„’t Is mogelijk, ma. Maar laat het zoo maar stilletjes blijven, en maak geen veranderingen. Als het me moeilijk wordt, zal ik er wel om vragen. Vermey is mal; ik wil hem in ’t geheel niet hebben.”
Het egoïsme was toch bij de zieke niet geheel onderdrukt. Goddank! dacht ze met stille zelfvoldoening en met een zucht van verlichting. Goddank! Ze had eigenlijk niets liever, dan dat alles maar bleef zooals het was.
„Dus wil je hem afwijzen? Zou het dan maar niet beter zijn, het geheele aanzoek te voorkomen?”
Maar nu kwam de meisjesaard boven.
„Wel neen, zeker niet. Laat ik er ten minste het plezier van hebben.”
„En hij ongetwijfeld het verdriet.”
Lena schaterde van ’t lachen.
„Maatje, maatje, hoe heb ik het nu? Dat is toch wat al te erg! Die fraaie vriend van papa, die zonder mij ook maar met een enkel woord ergens over te hebben gesproken, het praatje rondstrooit, dat ik met hem trouwen zal, heeft waarlijk wel wat anders verdiend, dan uw teeder medelijden.”
„Hij houdt misschien heel veel van je.”
„Hoe dwaas! Iemand, die..... Zoo’n kerel,” brak ze in toorn los, „zoo’n kerel, die daar leeft met ’n....,” ze wilde het woord niet zeggen, maar onder een „Bah! Ik begrijp niet hoe u er nog over kunt spreken,” liep ze de kamer uit.
Mevrouw Bruce schudde glimlachend het hoofd. Zoo’n kind! Hoe weinig wist zij, wat de wereld opleverde. Het zou er aardig uitzien, als dat ’n reden was om in Indië een huwelijk te weigeren! En niet enkel in Indië, maar overal. Overal, voor zoover ze wist, deden de mannen in hun jeugd tennaastenbij zooals ze hier in Indië doen, met het eenige onderscheid, dat het hier een zaak was, even open bedreven, als de huizen zijn van bouw, en in Europa meer in het geheim achter de muren der hooge steenmassa’s. Maar de menschen, dat leerde haar levenservaring, waren zoowat overal eender. Goeden en slechten, slechten en goeden, slechten het meest. Haar eigen man vertrouwde zij niet, zoo oud als hij was; en het was óók daarom, dat ze zoo opzag tegen het in dienst nemen van iemand „ter assistentie in de huishouding.”
Aan tafel keek Lena haar vader eens aan.
„Van ochtend,” zeide hij na eenige aarzeling, „is Vermey uit zijn huis getrokken.”
Zij antwoordde onverschillig: „Zoo!” en spoorde haar broertjes aan de frikadel te eten, die ze niet lustten en op hun borden lieten liggen. Het trof haar, dat de oude heer nu alleen den naam noemde, terwijl hij vroeger altijd sprak van „meneer Vermey”, zooals hij gewoon was te doen van zijne vrienden tegenover zijne kinderen.
„Hij is in ’t logement gegaan, voorloopig.”
„En zijn inboedel?” vroeg ze om toch iets te zeggen en niets te laten merken.
„Die heeft hij overgedaan. Het is maar goed ook, want ’n vendutie is, als men op de plaats blijft, schade voor de hand. Heb je van avond wat lekkers?”
Zij haalde de schouders op.
„Dat weet ik niet. Als het noodig is zal ik iets laten maken. Overigens als gewoonlijk.”
„Ik had Vermey willen vragen ’n bordje soep te komen eten.”
Ze staken dus met spoed van wal, dacht Lena, en ze lachte in haar hart. Er moest geen tijd verloren gaan! ’s Morgens—en nu maakte zij zich inwendig weêr boos!—’s morgens de njai de deur uit en ’s avonds daarop de eerste poging om ’n fatsoenlijk meisje tot vrouw te krijgen!
„Als u meneer Vermey vragen wilt,—het is mij wel.”
„Laat bloemkool maken met saucijsjes,” zei Bruce erg in zijn schik. „Ik weet, daar houdt hij van.”
Lena knikte toestemmend, met de lippen stijf op elkaar. Ze zou hem „bloemkolen met saucijsjes!” Dat was zeker haar eerste les geweest in de kunst om iets naar den smaak van haar heer en meester klaar te maken! Doch zóó erg was het niet gemeend. Eigenlijk wist Bruce zelf niet recht of Vermey van dien schotel zooveel hield; hij zelf had er trek in.—
Maar in één opzicht had Lena juist geraden.
Het afscheid van Yps was inderdaad roerend geweest, doch de ontroering was geheel aan den kant van George Vermey. Hij was den ganschen vorigen dag verbazend „lief” voor haar geweest, en daar hij nu weêr geld had, wilde hij haar van alles meêgeven. Zij liet zich niet onbetuigd en plunderde de kasten, dat het een aard had; het linnengoed, het tafelgoed, alles pakte zij in, en grobaks vol gingen naar het „huisje” met de „meubeltjes.”
Alle kleine voorwerpen, die niet op inventaris waren verkocht gingen denzelfden weg. Maar als hij vroeg of ze soms nog wat noodig had, dat aangeschaft moest worden, keek ze hem aan, trok een verdrietig gezicht en schudde mismoedig het hoofd. Dan smolt de gevoelige ziel van Vermey als was in de zon; hij paaide haar met zoete woordjes en beloften; hij liep met haar door het huis, de armen om haar heen, vol kasian en liefde, maar toch met de stille verzuchting, dat hij zoo blij zou wezen, als het uit was. Yps liet zich dat alles welgevallen. Zij wist dat hij een muis was in de val; zij deed alsof ze stil verdriet had, wel wetend, hoe ze hem „lijmen” moest en wat de beste manier was hem te doen opdokken. Ze hield alles in het oog. Terwijl hij naast haar zat op den divan in de achtergalerij, zij haar hoofd tegen zijn borst liet rusten en hij haar liefkoosde, zag zij hoe haar moeder, die bij een der bediendenkamers stond, met een vragenden blik op het keukengereedschap wees, dat nog bijna nieuw in den glans van blauwe en witte porceleinverf op een tafeltje buiten stond; en zij knikte snel van ja. Wel waarachtig, zou zij dat benaderen! Die gek met zijn aanhaligheid! Het zou er, daarvoor vreesde zij, nog op kunnen uitdraaien, dat ze iets vergat meê te nemen.
„Ati!” lispte zij zacht, haar groote zwarte oogen naar hem opslaande, en ze neuriede een melankoliek maleisch liedje, van een meisje, dat door haar toean wordt verlaten en in de kali springt. En onder de hand was haar oog gevallen op den kanarievogel in het mooie vergulde kooitje van ijzerdraad, en ze kon zich maar niet herinneren of dat op den inventaris stond; zij meende van niet, dus zou ze dat ook nog meênemen naar het „huisje.”
Toen alles den volgenden morgen in orde was, deden ze samen de ronde, hand in hand; hij diep ontroerd met tranen in de oogen, zich verbeeldend, dat dit afscheidsbezoek haar een innig verdriet deed; zij de oogen overal rond latende gaan, ongerust dat ze wellicht nog iets had vergeten.
Eindelijk zat ze met haar moeder in het karretje.
Met een diepen zucht sloot George de glazen voordeur.
„God almachtig!” zei hij zacht, „wat ben ik blij dat dat achter den rug is. Wat ’n corvée!”
’s Avonds vóór hij naar de Bruce’s ging, liep hij even aan bij zijn vrienden om een dramatische schets te geven van de laatste oogenblikken. Hij deed het hoogst verdienstelijk; beiden waren er zeer door ontroerd, namen zich ernstig voor hun eigen huishoudsters nooit zoo’n behandeling aan te doen en nimmer te denken aan een wettig huwelijk. Vermey was nu eenmaal de waaghals en ’n „kraan”; hun was het te machtig.
Het was erg licht in de voorgalerij bij Bruce, bepaald dien avond haar beau soir. Zij had werk gemaakt van haar toilet en van haar kapsel, wat verschrikkelijk moeilijk was met zoo’n haarmassa. De oude heer Bruce had er niet op gelet, maar George, die een goeden smaak had, zag dadelijk hoe keurig Lena er uit zag en hoe correct haar alles aan het lijf zat. Het stemde hem aangenaam. Als zij er iets van mocht weten, dan toonde dit „werk maken”, dat het naar haar zin was. En hij zelf kon moeilijk beter gekleed zijn, dan hij altijd was. Toch had hij een eenigszins feestelijk uiterlijk, toen hij de marmeren trap opkwam, erg europeesch, met ’n gekleed donker jasje, dat zorgvuldig sloot om z’n forsche figuur, ’n grijzen pantalon en glacé handschoenen. En dit was zelfs zoo opvallend, dat Bruce, die een gruwelijken hekel had aan het invoeren van europeesche kleederdrachten in Indië, hem lachend vroeg of hij zijn cache-nez niet had vergeten.
Het was een gezellig avondje. Wel moest Lena dikwijls naar boven, want de schel van mama was buitengewoon onrustig en zij had meer last dan ooit van benauwdheden, maar dan hielden de anderen elkaar vroolijk gezelschap. Bruce vond ’t erg jammer, dat Lena nog ’n paar kennissen had gevraagd. De oude heer was al ’n beetje uit zijn humeur, door de totale absentie van de bloemkool met saucijsjes, waarvoor hij, zooals hij ’t noemde, ’n extra gaatje had opengehouden. Maar hij had niets gezegd, en zich integendeel heel monter en opgewekt getoond. Er werd aan tafel ’n goed glas wijn gedronken. De oogen glinsterden, en George, bij wien het op oud ijs altijd heel spoedig vroor, en die nog al wat verslagen had dien dag, onder ’t motto „liefdesmart”, had een kleur gekregen, wat hem nog zoo slecht niet stond.
Toen het eten was afgeloopen, ging men weêr voor om de tafel zitten; de heeren rookten ’n havanna, genietend als goede rookers; de dames bepaalden zich tot haar kopje sterke koffie, lachend om een der kennissen, die altijd een aanzienlijken voorraad „nieuwe” grappen wist te vertellen, en er de anderen liet inloopen met een vermakelijk rekenstukje of een verkeerden klemtoon.
George, achterover leunend in een wipstoel, luisterde glimlachend toe; een gevoel van behaaglijkheid kwam over hem. Hij zag de bedrijvigheid van Lena, die met haar groote oogen de bedienden als ’t ware aan een touwtje had.
Mooi was ze wel niet; ze kon niet halen bij die andere; maar ze was een beschaafd en ontwikkeld meisje met ’n helder verstand en groot zedelijk gevoel. Hij zag nu in, dat zoo iets toch ook niet weinig was.
Zij keek hem vragend aan, toen ze met den bediende, die een blad met likeuren droeg bij hem kwam. Hij stond op en boog zich over het blad, met ’n lachend gezicht en oogen, die haar inwendig boos maakten, die zij „gemeene oogen” noemde.
„Is er chartreuse bij?” vroeg hij zacht.
„Houdt u daar zooveel van?”
Hij liet de punt van z’n tong even tusschen zijn lippen doorgaan, trok de wenkbrauwen ’n beetje omhoog en knikte haar kleintjes toe.
Lena vond hem onuitstaanbaar; maar zij hield zich goed.
„Mag ik u dan dit glaasje aanbieden,” zei ze met afgepaste vriendelijkheid.
„Merci! Ga nu ’n oogenblik zitten.”
„Straks, ik heb nog geen tijd.”
„Kom! De jongens zullen wel zorgen voor de rest.”
Zij lachte.
„Verbeeld-je!” zei ze luid tegen ’n getrouwde dame. „Meneer Vermey vindt, dat men de bedienden wel voor het huishouden kan laten zorgen.”
„O, die heeren! Als men hen liet begaan....”
„En dat is nu iemand, die pas zelf zijn eigen huishouden heeft opgebroken.”
Er was ’n oogenblik stilte toen Lena dit had gezegd. Onwillekeurig keek men elkaâr aan; de oude heer Bruce trok een bedenkelijk gezicht; de anderen hadden moeite hun lachlust te bedwingen.—Vermey keek naar z’n sigaar en tikte er de asch af. Het was pijnlijk; hij kon niet ingaan tot ’n discussie over zijn opgeheven huishouden.
„Nu,” zei ze, „ik zal eens verder gaan met m’n sopi manis; pa heeft ook nog niets; als ik klaar ben kom ik bij u zitten.”
Maar Bruce wees haar af; hij hield niet van die zoetigheid. Hij keek eens rond, en zag in den man van de aardigheden ’n partner. ’t Is waar, hij had zich voorgenomen dien avond niet te spelen om Vermey in de gelegenheid te stellen Lena het hof te maken; doch was dat wel noodig, nu? Het ging immers van een leien dakje, naar het scheen, en niemand behoefde zich opofferingen te getroosten.
„We moesten maar vast aan den slag gaan,” zei hij luid.
George keek op, toen hij dien bekenden spelerstem hoorde.
„Ik dacht dat we niet spelen zouden.”
„Dat dacht ik ook eerst. Maar waarom zouden we eigenlijk niet? Er is geen reden voor.”
„Wat mij betreft, ik bleef liever ’n beetje praten.”
„Bent u zoo ineens op het gezelschap van de dames gesteld geraakt,” vroeg de getrouwde dame aan den overkant van de tafel.
„Ik heb nooit ergens meer van gehouden, mevrouw.”
„Nu ja! U maakt altijd uw partijtje. Behalve bij het dansen, ziet men u nooit in gezelschap.”
„Me dunkt,” hielp Bruce hem een handje, „dat het alvast geen kleinigheid is, zoo trouw voor dans-koeli te spelen.”
„Foei, meneer Bruce!”
„Je moet me niet kwalijk nemen, mevrouwtje,” ging de oude heer lachend voort. „Ik zeg het wel goed, maar ik meen het verkeerd.”
Men lachte algemeen meê. Nu, die was goed! George stond op met een spijtig gezicht; hij had toch bij deze gelegenheid liever blijven zitten. Het ging nu eenmaal zoo goed; het raakte op streek, vond hij.
Juist kwam Lena uit de binnengalerij, waar zij met ’n paar dames even onder het lamplicht in een album had gekeken, zij zelf had eigenlijk meer gekeken naar de mooie blanke armen van de een, die het album vasthield en die halve mouwtjes droeg; wat stond dat goed, vond Lena, en dat zou zij nu nooit kunnen; zij hield alles maar stilletjes getoetoept, en daar zij, wat figuur en wezen aanging, op haar moeder leek, zou het wel altijd zoo blijven.—
„Dat is nu al heel galant,” zei ze tegen George; „U vraagt me wat met u te komen praten, en nu ik kom; gaat u homberen!”
„Ik kan niet anders,” zei hij zacht en vertrouwelijk. „Als ik papa kon weigeren.... maar hij zou woedend zijn.... je weet, van ouds, Lena, dat hij er nu eenmaal niet buiten kan.”
Zij haalde de schouders op en liep terug naar de binnengalerij. George keek haar ’n oogenblik na; ’n lief figuurtje! iets van onder ’n stolp te zetten; iets wat hij altijd heel mooi had gevonden om.... te zien; maar voor de rest niets.
Het werd laat. De oude heer Bruce ging uit de sociëteit altijd voor middernacht naar huis, maar als hij ten zijnent ’n partijtje maakte, werd het geregeld twee uren, halfdrie.
Toen ze „den laatsten” hadden gespeeld, had Vermey ’n paar kapitalen verloren, die de gastheer won.
„’t Is niet erg beleefd van me, hé?” zei deze met ’n glans van vergenoegen op z’n gezicht. Niet om het geld, want dat had hij niet noodig, maar hij won zoo graag.
„Neen je hadt me er eigenlijk twee moeten betalen.”
„Ongelukkig in het spel...,” debiteerde de man van de aardigheden en de rekenkunstige vraagstukjes met ’n gezicht vol satisfactie over z’n eigen geestigheid.
„Ja, ja,” lachte Bruce, „dat zeg ik ook, en dat is toch maar ’t ware voor jonge menschen.”
Ze lachten alle drie; ze wisten er alles van, gelijk er onder de dames ook niemand onbekend was met wat in de lucht hing tusschen Vermey en Lena; ze zinspeelden er op zonder er over te spreken en begrepen elkaar volkomen.
Maar bij de dames was het anders; zij hielden zich heel onnoozel; Lena merkte niettemin heel goed, dat zij allen wisten, wat iedereen scheen te weten; wat een soort straatgeheim was. Maar ieder harer veinsde zorgvuldig een volslagen onbekendheid; zij wilden de gelegenheid niet laten voorbijgaan om later haar verwondering te uiten; haar beleedigende verwondering, die voor Lena, reeds over de twintig, moest beduiden: „gut; is er om jou nog ’n man gekomen,” die voor jonger meisjes beteekent: „permitteert zoo’n nest zich ook al te trouwen?”
De heeren hadden nog graag ’n beetje nagepraat, maar dat gedoogden de dames niet; zij zaten al met haar sorties in de hand en eenigszins ontevreden te wachten, omdat het wéér zoo schandelijk laat was geworden.
George drukte voorzichtig en met geaffecteerde teederheid het handje van Lena; met glimlachjes, om zijn hagelwitte tanden te laten zien, en ’n overvloed van innigheid in zijn geheele houding, nam hij afscheid, en nog telkens op de trap van de galerij keerde hij zich om en groette met hoed of hand.
Het was nu voor de gasten een uitgemaakte zaak; ze bespraken haar onder ’t naar huis rijden als een feit; en zoo bazuinden zij ’t rond den volgenden dag.
Vierde Hoofdstuk.
„Zoo’N Brutaal, Klein Ding!”
Langzaam, doodmoe, met loodzware beenen, die anders toch zoo’n gewicht niet vertegenwoordigden, ging Lena de trap op naar boven. Haar vader was, na het vertrek der gasten en met een buitengewoon vriendelijken groet dadelijk naar zijn kamer gegaan, zij had gewacht tot de bedienden gereed waren met het wegruimen van den boel, het uitdoen van de lichten en het sluiten van het huis; intusschen had zij zich ontkleed, en nu alles in orde was, sloeg de klok, sterk resonneerend, drie metalen slagen in de holle achtergalerij, waar ’n nachtlichtje op de eettafel brandde, zij keek er over de leuning op neêr, onder ’t naar boven gaan; het zag er niets feestelijk uit, de hooge grijze zolder met de vele balkjes, de vloer van roode steenen, de witte muren met breede zwart geteerde randen van onder, ’t had bij het flauwe lichtje en bij de lange schaduwen der meubels iets armoedigs, iets naars, dat erg ongunstig afstak, bij de prachtig verlichte voorgalerij met marmeren, dikke pilaren en fraaie sierplanten, waarin zij den heelen langen avond had gezeten, en die bij lamplicht iets vorstelijks had.
’t Was dus al drie uur!
„Wel?” vroeg haar moeder, toen ’t meisje de kussens had opgeschud, tusschen twee zagende en steunende ademhalingen. „Wel?”
Maar Leentje was knorrig.
„Och niets, ma! Ik ben vreeselijk moe. Ik heb zoo’n slaap.”
„Hoe was hij?”
„Hij is gek, geloof ik,” zei ze, haar coiffure losmakend en neêrvallend op den divan; haar moeder deed nog een vraag, gedreven door overweldigende nieuwsgierigheid; maar ze gaf geen antwoord meer.
Toch sliep ze niet dadelijk in. Hoe weinig zij ook gevoelde voor Vermey; hoe vast ’t ook bij haar stond zijn aanzoek af te wijzen, en hoezeer haar plan door zijn naar haar idee, misselijk pedante houding, in niets aan ’t wankelen was gebracht,—toch had het geval haar zenuwachtig gemaakt nu en dan. ’t Was gekomen uit het bewustzijn, dat daar een man was, die haar wilde hebben, voor ’t leven en voor alles; dàt had toch ook op haar zijn uitwerking niet gemist; zij had er den gek mee gestoken; zij had zoowat ’n loopje met hem genomen; zij dacht geen haar beter over hem, dan vroeger; zij zou niet met hem willen trouwen,—en niettemin wist ze thans, wat ze ’s morgens nog niet wist: dat het altijd een gevaarlijk spelen blijft met vuur; zij ondervond dat nog, en ze was er woedend om, tot ze—’t was geen kwartier later—zwaar en diep ademend op den divan insliep.
Mevrouw Bruce wekte haar niet; zij had in die weinige uren nog wel eens behoefte aan de hulp van haar dochter, want de kussens waren weggezakt en zij zat ongemakkelijk, doch ze kon het niet over haar verkrijgen ’t arme kind te storen, en ze trachtte met haar doodzwakke handen zichzelf steun te bezorgen.—
Het scheen, dat men er inderdaad geen „gras over groeien liet.”
„Je moet ’reis ’n eindje gaan wandelen,” meende ’n paar dagen later haar vader, „het is zulk mooi weer.”
Dat was het ook, voor ’t eerst na eenige donkere dagen, en geheel zonder erg „liep Lena er in”; zij kleedde zich.
„Gaat u niet mee, pa?”
„Neen kind, ik heb,” loog hij, „’n beetje rheumatiek in mijn been.”
Alleen wandelde zij dan den grooten weg op. Zij had nog omgezien naar een harer broertjes, maar die waren allen reeds uit, naar het scheen. Eigenlijk ging zij met weinig opgewektheid; het was al wat laat geworden; nog een kwartier en de duisternis zou vallen, wat had ze er aan? En toen ze nog geen vijf huizen van het hare plotseling Vermey voor haar zag, die uit een zijpad den grooten weg opkwam, begreep zij er ineens alles van. ’t Gebeurde heel dikwijls, dat zij hem tegenkwam op de wandeling, en dan groette hij beleefd maar vertrouwelijk als een oud vriend van papa, die de dochter tegenkomt. Doch hij hield zich nooit op, en ze wist, dat hij dit nu wel zou doen.
Hij deed het ook. Hoeveel moeite het hem kosten zou—dat wist hij vooraf!—den juisten toon te vinden en de juiste woorden, voor wat hij te zeggen had; te zeggen tegen dat meisje, waarop hij eigenlijk niet was verliefd, dat hij gekend had en op de wangetjes getikt, toen het nog zat te kraaien in de slendang en op koddige manier allerlei maleische woorden radbraakte. Dáár dacht hij nu aan, malgré lui, en dat ontstemde hem nog meer.
Hij bloosde,—zijn malle kwaal—; hij nam zijn hoed af,—erg onhandig, vond hij; hij reikte haar de hand,—wat hij dwaas noemde bij daglicht en op den openbaren weg.
„Dag Lena, hoe gaat het?”
Zonder vergunning te vragen, liep hij aan haar zijde voort, alsof het zoo overeengekomen was, en zij vond dat goed; het moest nu maar in eens tot een einde komen; zoo hij niet wist, wat hij te zeggen had,—zij had haar standpunt terdege overwogen met wat haar te doen en te antwoorden stond.
„Goed,” antwoordde ze; en niet zonder ironie: „zooals u ziet.”
„En hoe gaat het mama?”
„Och, als altijd: dan eens wat beter, dan weer wat slechter, en op den duur achteruit.”
„Het is toch treurig.”
„Voor mijn arme moeder? O ja, zeker.”
„Natuurlijk in de eerste plaats voor mama zelf; maar ’t is voor jou toch ook geen leven.”
„Geen leven is wat veel gezegd; maar het kon beter, dat is zeker.”
„Ik hoor het weleens,” ging hij voort, „van den ouden heer.”
„Och kom? Ik dacht niet, dat pa, als hij in de sociëteit was nog om andere dingen dacht, dan zijn partijtje.”
„Hij houdt veel van je.”
„Dat mag ook wel,” zei ze schertsend. Maar hij lette er niet op; het moest er nu maar door....
„En hij is de eenige niet.”
Daar hadt je het, dacht ze. Doch zij wilde er voor ’t minste het beetje genoegen van hebben, dat er aan was; zij zou niet vatbaar zijn voor halve woorden; hij moest doorgaan tot het einde; hij moest zich volkomen executeeren.
„Het is mogelijk,” zei ze, „maar ik weet toch niemand behalve mijn broers en de vrienden en kennissen zoo’n beetje.”
Ze waren nu onder het dichtst door zwaar geboomte van weêrszijden beschaduwde gedeelte van den weg; er waren weinig wandelaars; Lena keek recht vooruit en hij ook; zoo spraken ze, schijnbaar zonder erg en als over onverschillige dingen.
„Ik bedoel op een andere manier.”
„Dat begrijp ik niet.”
Het ergerde hem; hij meende, dat zij nu wel ’n beetje toenadering aan den dag kon leggen. Het was toch zoo’n lamme geschiedenis, alles heelemaal voluit te moeten zeggen. Zoo ohne Worte was het makkelijker en aangenamer. Neen, dan ging het vrij wat pleizieriger in de lagere regionen der liefde, waar men met ’n enkel maleisch woord elkaâr begreep tot in de uiterste gevolgtrekkingen; waar een liefdesverklaring de waarde had van een bonnetje: Goed voor mijn hart enz. ƒ.... tot inlossing bij definitieve afrekening! Jongens, jongens, hij wist nu al niet hoe hij eruit zou geraken; hij wierp maar een exceptie op.
„Weet je dat heusch niet?”
Maar zij was hem te slim af.
„Wat? Wat zou ik moeten weten? Hoe men van iemand houden kan op een andere dan op de ware manier? Neen wezenlijk, dat gaat mijn verstand te boven.”
Men schoot niet op, zoo voortgaande.
„Ik weet niet wat u van plan bent, meneer Vermey,” zei Lena, toen hij niet dadelijk verder sprak, „maar ik keer terug, anders ben ik voor het donker is niet thuis.”
„Zou dat zoo erg wezen?”
„Neen, maar mama houdt er niet van, en ik ook niet.”
Dat helsche woord! Dat moeilijke woord, dat er maar niet bij hem uit wilde! Het was toch zoo eenvoudig, en het was toch zoo lastig! En hij moest het zeggen, hier op den weg; daar was geen ontkomen aan; hij had het met Bruce afgesproken.
„Het is eigenlijk geen toeval, dat ik je ontmoet heb.”
„Dat geloof ik toch wel, want het was volstrekt niet zeker dat ik zou uitgaan.”
Ai! dacht hij, die klip moest vermeden worden; de oude heer scheen hier de natuur een handje te hebben geholpen!
„Maar je gaat toch heel dikwijls om dezen tijd wandelen.”
„O, ja, als ’t goed weer is.”
„Ik zou den volgenden dag zijn teruggekomen.”
„U wilde me dus spreken?”
Heer in den hemel! zuchtte George in stilte, dat was verschrikkelijk. En Lena dacht: hoe onbeholpen zeurt zoo’n man!
„Het is ’n beetje moeilijk voor me, door de bijzondere omstandigheden. Ik kwam als aankomend jongmensch al bij de oudelui over den vloer, toen je nog zoo’n klein kind waart; dat maakt het nu erg lastig, te zeggen, wat ik op het hart heb.”
Hij zweeg weer, en dat verveelde haar.
„Nu, zeg het dan,” zei ze eenigszins driftig.
Een oogenblik wilde hij stilstaan, maar zij liep door en toen moest hij ook verder gaan.
„Ik wilde je vragen, Lena, mijn vrouw te worden.”—
Zij keek niet op; zij stapte door met een effen onverschillig gezicht, terwijl hij, een beetje bleek, naast haar liep, voor het eerst inziende, dat het toch minder van een leien dakje ging, dan de oude heer had gedacht.
„Het is heel vriendelijk van u,” zei ze, „maar ik kan er geen „ja” op zeggen.”
„Waarom niet?”
„Omdat ik niet van u houd; dat is reden genoeg.”
George Vermey had een gevoel of hij ’n klap in zijn gezicht kreeg. Zijn gedachten raakten verward; hij moest iets zeggen, dat voelde hij wel.
„Je zult van me leeren houden. Ik...”
Zij viel hem door een korte beweging met haar waaier in de rede.
„Dank u. Als ik dat ooit zou beproeven, dan toch nooit met u.”
„Maak ik dan zoo’n ongunstige uitzondering?”
„Ja, ’n zeer ongunstige, de meest ongunstige, die ik me kan voorstellen. U vraagt mij ten huwelijk en u houdt niet van mij, en ik zou u aannemen, terwijl ik evenmin houd van u.....”
„O, lieve Lena, ik bezweer.....!”
„Asjeblieft niets te: lieve Lena; ik ben dat niet voor u, ik wil het niet wezen, en ik verzoek zeer bepaald van beleedigende familiariteit verschoond te blijven.”
Hij wist niet meer hoe hij het had. Was dat de kleine Leen Bruce, altijd zoo goed en vriendelijk? Was die zoo verduiveld bij de hand met haar woorden? Dàt had hij nooit gedacht.
„Ik weet niet,” ging zij voort, „welke bijzondere redenen u hebt mij ten huwelijk te vragen, ik wil er niet over denken. Wat ik wel weet is, dat ik uw gedrag schandelijk ongepast vind.”
„Maar dan heerscht er een misverstand,” zei hij luider en geraakt over haar scherpe woorden. „Ik heb niets gedaan wat dien naam verdient.”
„Misschien niet in uw eigen oogen, maar in de mijne wel. Dat u mij ten huwelijk zoudt vragen wist de heele stad; ik heb het gehoord al haast ’n week geleden.... van onze baboe.”
Daar zweeg hij op, zeer ontsteld thans. Dat had hij niet kunnen denken. Wat waren de menschen toch babbelaars!
„Van mijn baboe,” herhaalde zij, thans met innige woede in haar stem en zenuwachtig opgewonden. „En die wist me ’n heel aandoenlijk verhaal op te disschen van de manier, waarop u uw eigen huishouding had opgebroken omdat..... nu ik wil de oorzaak niet noemen; ik heb er ’n hekel aan over zulke laaghartige dingen te spreken; maar het gevolg van die oorzaak moest zijn, dat u mij zoudt vragen.”
„Dat is niet waar!” riep hij liegend uit nood.
„Het is wèl waar, meneer Vermey. Op zoo’n manier ben ik, zeker voor het eerst van mijn leven hier op de plaats door iedereen besproken. Van iemand, die zooveel jaren vriendschap heeft genoten in mijn moeders huis kon ik dat verwachten, vindt u niet? En nu zijn we voor dat huis. Ik dank u voor uw geleide, maar zal er verder geen gebruik van maken. Goeden avond!”
Werktuiglijk nam hij zijn hoed af, perplex, verslagen, maar in de overtuiging, dat het alles zijn eigen schuld was, en hij zijn lot had verdiend. Bij nader inzien was het echter de schuld van „die vervloekte babbelaars.” Hij had het aan niemand verteld, dan aan twee, drie vrienden en natuurlijk aan den ouden Bruce. En nu, daar had ze gelijk in, wist de geheele stad er alles van en was thans Lena juist evengoed op de hoogte van de omstandigheden, als Yps het ’n paar dagen te voren was geweest! Het maakte hem zóó verlegen, dat hij in ’t drie kwart duister een kleur kreeg als vuur, alleen van het idee. Bliksem, wat had dat kleine magere ding hem daar à faire gehad! dacht hij. Niet alleen had ze hem afgewezen, hem, naar zijn eigen schatting, den mooisten, netsten en voortreffelijksten bachelor van ’t plaatsje, maar zij had hem met zooveel woorden iets beschamends gezegd; iets waaraan hij nooit gedacht had, maar dat hij nu betreurde, dat hem thans helder voor den geest stond als een handeling beneden de waarde van een fatsoenlijk man. Hij had dat meisje van goede opvoeding, en op wier deugd en kuischheid geen de minste smet kleefde, gevraagd omdat ze geld had, en hij uit eigen fondsen niet bij machte was voort te leven met zijn half inlandsche huishoudster, zooals hij gewoon was te doen.
En dat had Lena duidelijk voor oogen gestaan; daar was hij zeer zeker van.
Intusschen: hij, George Vermey, had een „blauwtje” geloopen van de ergste soort. Ook dat zou binnen tweemaal vier en twintig uren iedereen op de plaats weten. Wat zou men hem uitlachen! Dat had zijn huis verlaten, zijn „meid” opgedoekt, en zijn boeltje verkocht; dat was heel netjes gaan leven in een hotel om te poseeren als ernstige huwelijkscandidaat en zich daarna terug te trekken in den stillen en rustigen huiselijken kring! Hij vloekte bij zichzelf van kwaadaardigheid. Hij zou op ieders gezicht den spot lezen, hij zou de plagerijen van zijn vrienden moeten hooren, en de zinspelingen van anderen. Neen, dat kon hij niet doorstaan. Dat zou hij ontvluchten, door zich ziek te melden, en voor ’n dag of acht naar het gebergte te trekken.
Zoo’n brutaal klein ding! En met dat alles een goed huis voor hem gesloten, want het was nu voortaan onmogelijk bij de Bruce’s aan huis te komen!
Hij liep voort, nu eens harder, dan zachter, al naarmate van zijn gedachtengang, en in de richting van zijn kantoor. Een sleutel was in zijn bezit, en in zijn lessenaar lagen nog enkele particuliere correspondenties, die hij er uit wilde halen. Verwonderd zag hij, ’t pakhuis voorbijgaand, licht door de smalle kieren van de groote groene deuren. Zouden er dieven zijn? Er kon toch niemand meer wezen van het personeel. De deur van de gang naar de kantoorlokalen stond half open. In de duisternis ging hij de bekende trap op, en boven in de kamer van den chef, zag hij nog een brandende kaars, en hij zag ook een bekenden hoed er naast staan; die was van den chef zelf.
Een oogenblik aarzelde hij verder te gaan. Het was duidelijk dat er dingen gebeurden, die het daglicht schuwden; George dacht daarover en, terwijl hij ’t kastje van zijn lessenaar openmaakte, bij het schijnsel van een kaarsje, dat hij vond op de expeditietafel, rees een vermoeden bij hem op; juist een zooals kon ontstaan in zijn geest; hij dacht niet aan oneerlijkheid of knoeierij in zaken, maar aan zwarte persoonlijke ondeugden.
Haastig pakte hij zijn boeltje saâm, blies de kaars uit, en ging naar beneden; hij zou graag ongemerkt zijn weggegaan, maar dat lukte niet; halverwege de trap kwam zijn chef uit het pakhuis naar boven met den inlandschen mandoer achter zich als een donkere schaduw, ze spraken zacht samen in ’t maleisch en al kon Vermey niet verstaan wat ze zeiden,—hij hoorde den vertrouwelijken toon, die hem met een gevoel van afschuw ’n rilling langs den rug deed gaan.
De chef schrikte toen hij iemand naar beneden hoorde komen. Hij bleef staan en vroeg met luide stem en toornig:
„Wie is daar?”
„Ik ben het,” zei George ook hard en stroef.
„O zoo,” zei de andere met eenige aarzeling. „Hadt je iets vergeten?”
„Dat niet, maar ik ben ziek. Ik heb het op de wandeling weêr in den buik gekregen. Mijn obat stond hier....”
„Zoo! Het is ’n gezanik met die fransche facturen.... Er was nu weer ’n verschil in de boeken van ’t pakhuis.... het klopte niet.... ik heb in godsnaam zelf den boel moeten opnemen.”
„Ja, da ’s heel onaangenaam.”
„Goeden avond.”
George kwam even aan z’n hoed en groette met dezelfde woorden terug.
Toen hij beneden was, en de deurknop reeds in de hand had, riep zijn chef met grooter welwillendheid in de stem dan waaraan men op ’t kantoor gewoon was:
„Als je wellicht morgen ziek bent, Vermey, blijf dan gerust thuis, hoor!”
„Dank u!” riep hij terug en ging heen.
Het was een groote afleiding voor hem; na den eersten indruk van zijn „blauwtje” ontwikkelden zich dadelijk nieuwe plannen. Hij zou naar boven gaan; hij had zoo goed als ’t verlof reeds in den zak van den man, dien hij naar zijn meening, niet meer of minder dan „gesnapt” had, al wist hij feitelijk van diens handelingen niet meer dan iedereen, dat was: zoo goed als niets. Hij stapte flink voort; het was nu buiten geheel donker, de lantaarns wierpen flauwe oranje-gele lichtbundeltjes uit haar bescheiden petroleumlampjes over den weg; zijn opgeruimdheid keerde onder het loopen terug. Hij zou gauw eens aanloopen bij zijn vrienden om hun ’n standje te geven over hun babbelachtigheid; maar bij nader inzien zag hij van dat laatste af; ’t was beter de „zaak” anders te behandelen.
Zij, de vrienden zaten samen, ongekleed, ’n bittertje te drinken op hun luierstoelen elk met ’n krant in de hand, toen Vermey mampirde.
Hij veegde zich het zweet van het voorhoofd en ging zitten, terwijl zij belangstellend vroegen, „hoe het ermee was.”
Maar George schudde langzaam het hoofd, trok zijn mond bedenkelijk samen en keek naar de verflooze door boeboeq hier en daar beschadigde, zoldering van het galerijtje.
„Ik zie ervan af,” zeide hij.
Zij antwoordden niet zoo dadelijk; zij wisten niet wat ze zeggen zouden; ze vonden het eenvoudig belachelijk. Waartoe dan al die drukte gemaakt? En na ’n oogenblik zwijgen, greep een hunner de karaf om ook Vermey ’n glas in te schenken; onder de hand zei hij schamper:
„Je bent toch ’n rare bliksem!”
„Ik kan het niet doen; ik ben ziek: koortsig met zware buikaandoening, soms. Neen, ik doe het niet. Ik voel me er niet toe geroepen.”
„En je hebt er al over gesproken met haar vader!”
„’t Kan me niet schelen: ik doe het niet. Als ik morgen niet beter ben, ga ik voor ’n paar weken naar boven. A propos; wil ik jullie ’reis wat vertellen van m’n baas, die gladakker?”
Zij keken op met groote nieuwsgierigheid, en George vertelde op zijn manier; wat aanleiding gaf tot krachtige woorden van afschuw en verachting met glossen erdoor, waarom ze lachten en corps.
Toen hij het tijd vond op te stappen, vroegen ze hem met spottende belangstelling, waar hij dien avond verder heenging, en hij antwoordde met ’n dwaas lachje en ’n hartelijken handdruk. Zij lachten alle drie; ’t was zoo’n trio-muziek zonder tekst; ze begrepen het best!
Ja, ze snapten het veel beter, dan Vermey ’t wel veronderstelde.
Ze keken elkaar aan over tafel, de een streek zijn vinger langs z’n neus en zei:
„Ik weet niet of je me begrijpt!”
En de ander, terwijl hij de scheen wreef van zijn been dat op een der armen van den luierstoel lag.
„O zoo!”—
Vijfde Hoofdstuk.
Lena’S Moeder.
Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid; hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in ’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was, maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde, zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld, wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht bracht in haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n dochter had, die mooi kon wezen ook al was ’t dan maar in sommige juist niet verkieslijke oogenblikken.
Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die ze als ’n soort boudoir had ingericht, niet erg kostbaar, want dat strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets; het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding, van liefde en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was. Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg; zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was, dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het verhakte en onverschillige milieu van dit huisgezin had ze ten minste geen overlast van misplaatste deelneming.
Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen; het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk, noch huishoudelijk.... Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor, en hem schudt....
Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op zichzelf, tot.... de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons over haalt en hem wegveegt!—
De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter het schutsel had laten zetten.
„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast onverstaanbaar zacht.
„Zeker ma?”
„En wat zeid-ie wel?”
Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo moeilijk haar de ademhaling viel, zoo schor en bijna klankloos de benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door het bijzonder pikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.
„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons geld.”
Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar, wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigen boy, altijd even in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering, die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.... wie weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden. Kasian!
„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme hand op die van haar dochter leggend.
„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was geweest....”
„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”
„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”
Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje soep, Leentje. Anders niet.”
In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”
Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan. Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag. Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding, onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n stukje toilet te maken en ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de coupé van den dokter het erf op.
„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd hetzelfde?”
„Ik geloof dat mama wat beter is.”
Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er ’t zijne van.
„Hoe is het vannacht gegaan?”
„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen tijd heeft gedaan.”
„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”
Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.
„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht niet uitzie.”
De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering uitdrukte:
„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt gegeven; hij is toch ’n.... geschikte vent.”
„Weet u het dan nu al?”
„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”
„Hoe is ’t mogelijk!”
„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen. Maar het aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”
„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker maken.”
„Hm!”
Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan zij?
„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.
„Ja dokter, wat is er?”
„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”
Toen de dokter de kamer binnenkwam sliep mevrouw Bruce nog. Hij had haar bekeken en bij zichzelf ’t gezicht getrokken van iemand, die gebeuren ziet, wat hij verwacht had. Hij had zacht de sarong weggeschoven en de voeten en beenen onderzocht; hij had nauwlettend geluisterd met ’t zwarte toestelletje aan zijn oor op de borst van de slapende. Daar was zij wakker van geworden. Hij had even Lena toegeroepen; kwam weer binnen, vroeg naar het een en ander, en behandelde verder zijn patiënte.
Het had ’t meisje aangegrepen, zonder dat ze wist waarom. ’t Was of haar hart ophield te kloppen, zoo schrikte zij van de enkele meêdeeling, dat dokter haar nog wilde spreken vóór hij wegging. Zij stond reeds op de trap om naar boven te gaan, maar ze keerde weer terug. Het was te gek. Wie weet of ’t niet een kleinigheid was over de medicijn of zoo. Ze hoorde hem aankomen, en ’t verwonderde haar niet, dat hij langzaam afdalend langs de breede bruingeverfde treden, met zijn fachmässige zwarte jas en dito vest en zijn ernstig gezicht, volkomen den indruk maakte van een jobsbode.
En terwijl zij hem aanzag met angstige oogen, lag de vraag op haar gezicht, die hij kwam beantwoorden.
„Het is me erg tegengevallen.”
Lena beet op haar onderlip om zich goed te houden.
„Er is toch geen gevaar?” zei ze, niet ontsnappend aan de gewone frase van menschen, die overtuigd zijn dat er wel gevaar is.
„Voor het oogenblik niet. Maar ik vrees toch, dat we staan voor het begin van het einde.”
„Waarom, dokter?”
„Ik wil het u nu wel zeggen, en ’t zal bovendien heel gauw erger blijken. Spreek er nog maar alleen met den ouden heer over. Er is waterzucht ingetreden.”
Zij keek hem aan en begreep het niet. Er doemden in haar hoofd flauwe herinneringen op van verhalen, die ze wel eens had gehoord, maar die haar geen andere voorstelling konden geven, dan van menschen, die naar het scheen door ziekte in ’n soort van artesische putten ontaardden, die periodiek van groote hoeveelheden water bevrijd moesten worden.
„Wat is het eigenlijk?” vroeg ze.
Uit de korte inlichtingen begreep ze genoeg. Dat was wezenlijk, zooals hij gezegd had, in zoo’n geval het begin van het einde. Ze had altijd nog hoop gehad. Ze had haar arme moeder tusschen de medicijnen van den dokter door, allerlei inlandsche poespas laten slikken, soms zoo verwerkt in ander eten of drinken, dat de zieke het niet eens merkte. Het had alles niets gebaat en nu kwam onverbiddelijk de dood.
Haast alle gemeenschap met de buitenwereld hield voor Lena Bruce op. Haar moeder had nog slechts weinig vriendinnen; de oude waren naar elders gegaan of gestorven, en nieuwe had ze in de laatste jaren niet gemaakt. Op de tijding van het onheilspellend verschijnsel, dat zich bij de zieke had voorgedaan, was Bruce twee dagen thuis gebleven, zonder zijn partijtje te maken; toen zijn vrouw den derden dag nog niet dood was, ging hij naar de sociëteit, en leefde verder op zijn gewone manier voort; de jongens ook, toen de eerste schrik voor den naderenden dood bedaard was, maar het feit niet volgde, kwamen zij weêr in hun oude doen. Enkel Lena bleef haarzelf gelijk, zij wist, wat zij wist; zij zag het doodelijk verschijnsel opkomen, naar boven; zij kon haast den dag berekenen, die de sterfdag moest zijn van haar moeder. Soms bad zij God er een eind aan te maken. Als er weer zoo’n groote benauwdheid was geweest, waarbij het leven in dat afgetobde lijf een martelenden strijd om het bestaan had gevoerd, verschrikkelijk om aan te zien, en als zij het onmogelijke had beproefd tot hulp en verlichting, viel ze soms, terwijl haar moeder uitgeput in stille verdooving neerlag, voor een stoel op de knieën, schreiend, zachtjes biddend om verlossing voor dat arme afgebeulde schepsel, dat altijd zoo alles voor haar was geweest; waaraan haar heele herinnering hing van kind tot volwassen meisje; dat alleen altijd voor haar had gezorgd, met zoo’n groote moederliefde, wie niets te veel is; die eigen dienstbaarheid nooit zag of voelde tegenover haar kind; die haar naaister was geweest, haar kindermeid, haar meesteres en haar slavin: haar moeder.
En het bidden hielp ook Lena niet. Wat stoorde zich „de” ziekte in haar verloop en haar verschijnselen dááraan? Die deed zooals in geneeskundige boeken geschreven stond, dat zij behoorde te doen om als een regelmatig physisch proces te mogen aangemerkt worden. De dokter kon er niet veel meer aan doen, dan de ziekte waarnemen met haar verschijnselen; de oorzaak viel niet meer te bestrijden; dáár was geen denken aan. En wat baatte eigenlijk de rest! Toch deed hij het overige, omdat het moest en gaf hij de zieke verlichting door haar van aanmerkelijke ophooping van vloeistof te ontlasten, eerst op natuurlijke, maar toen dat niet meer hielp, op kunstmatige manier. Soms had zij rust en was vrij van pijn en benauwdheid; dan sprak ze met Lena en gaf orders voor, tijdens en na haar dood; dan moest het meisje die opschrijven al beefde haar hand en al kon ze niet zien door haar tranen. En eens moest de notaris worden gehaald. Toen kwam Bruce, die anders zich bepaalde tot een korte informatie ’s morgens en ’s avonds, met groote belangstelling voor het oog, en egoïstische ongerustheid in het hart naar boven; maar de notaris die den toestand en de verhoudingen kende, verzocht hem heel beleefd heen te gaan, wat hij deed onder stil protest tegen zulk een schending van zijn huismansrecht.
Zesde Hoofdstuk.
George Weer „Beneden.”
Er was gauw een einde gekomen aan de praatjes over het blauwtje, dat Lena bezorgd had aan Vermey. Het meest droeg daartoe bij de verergering der ziekte van mevrouw Bruce, want die was nog denzelfden dag, dat de dokter „het water” had geconstateerd, bij iedereen bekend! Het heette al dadelijk dat de dood binnen het etmaal zou volgen.
Vermey hoorde het in ’t kleine logement, waar hij op ’n duizend voet hoog gelegen plaatsje zijn intrek had genomen; het kon hem niet schelen hoegenaamd; hij verheugde zich in de kou, verveelde zich omdat er geen gasten waren, en maakte zich elken dag kwaad om het slechte eten; na een paar dagen—hij had een week verlof—nam hij op een avond ’n karretje voor zich en zijn koffertje, betaalde zijn rekening en trok in het duister om niet gezien te worden weer terug „naar beneden.”
Heel onverwacht stond hij voor het huisje van Yps.
’t Was heldere maneschijn. De krees voor het galerijtje waren dicht, en hij zag geen ander licht, dan dat flauw door de kijkgaatjes kwam van het gesloten luik der kamer, waar Yps sliep. Vermey lichtte een der krees op, deed de deur open, die niet op slot was, en liep regelrecht naar binnen, met een flauw opkomend vermoeden, dat hij iets gehoord had, dat niet in den haak was.
Bij ’t schijnsel van het nachtpitje, dat als voor anker lag op ’n laag klapperolie in een waterglas, zag Vermey een uniformjas op tafel met glimmende knoopen en een dof schitteren van verguldsel tusschen het donkerblauwe laken. Maar hij had geen tijd veel op te merken. Een mansfiguur in allerkleinst toilet sprong op den vloer, rukte een sabel uit een blinkende scheê, die naast het bed stond en riep vloekend met een metaalstem gelijk een generaals-commando uit vroeger tijd.
„Als je niet maakt, dat je wegkomt, sla ik je de hersens in.”
Bleek en verstomd stond George een oogenblik deze zonderlinge figuur aan te zien.
„Maak zelf maar, dat je gauw uit mijn huis komt,” zei hij toen met gedwongen bedaardheid, „want ik laat de patrouille halen.”
Te gelijk ging hij weg naar achter, zichzelf diets makend, dat hij hier toch niet kon gaan vechten; feitelijk geïntimideerd door den blinkenden sabel; in elk geval woedend en vernederd als bedrogene.
Achter vond hij de oude inlandsche vrouw, Yps’ moeder, die hij in stilte de schuld gaf van alles, maar die volhield, dat zij van niets wist.
„En zoo’n schurk, zoo’n klaplooper, wilde me de hersens inslaan!”
„Kasian,” zei de oude. „Het was ook zoo erg onplezierig voor hem.”
George Vermey ging weêr naar voren om niet in de verleiding te komen, zijn onwettige schoonmoeder over de pagger te gooien.
De indringer voor wien het „zoo jammer” was, was verdwenen, en Yps haar groote verwarring trachtend te verbergen door een ontzettend boos gezicht, stond voor den spiegel met beide handen haar zwarten haardos weer in ’t fatsoen te draaien.
„Het is jouw schuld!” riep ze met een schelle inlandsche neusstem, en een stroom verwijten overstelpte hem nog voor hij een woord kon zeggen.
Er volgde natuurlijk een scène, waaraan Yps zooveel mogelijk luidruchtigheid trachtte bij te zetten, trotsch dat ze zoo en vogue was, terwijl Vermey zijn best deed om zacht te spreken en haar den mond te snoeren, bang, dat de buren er iets van zouden hooren en zijn nieuw „échec” door de stad zou worden rondgebazuind; dat zou hem eenvoudig belachelijk maken.
Hij bleef er maar dien nacht; wat zou hij anders doen? Ten slotte was er voor hem geen reden om zich het leven moeilijk te maken. Zulke dingen wist men vooruit. Geen grooter pessimist dan hij in dat opzicht. Al wat tot de rubriek inlandsche vrouwen en „huishoudsters” behoorde, was immers de onbetrouwbaarheid zelf! Hij, George Vermey, had er een spreekwoord op gemaakt, dat ingang had gevonden en dikwijls werd herhaald onder de jongelui:
„Wie op de loterij bouwt, wie zijn „meid” vertrouwt, en wie een Chinees gelooft, is van zijn verstand beroofd.” Dat herhaalde hij nu, terwijl hij buiten ging zitten om nog ’n sigaar te rooken in den maneschijn.
Yps was weêr naar bed gegaan. Zij lachte in haarzelf. Het feit, dat Vermey voor den dreigenden sabel van den ander op den loop was gegaan, vernederde hem niet in haar oogen. Zij zou het bij haar inlandsche opvatting, krankzinnig hebben gevonden, als hij, ongewapend zelf, tegen dat wapen was ingestormd, met tien kansen tegen een om ’n houw te krijgen. Hij was veel „pinterder” geweest, en had het zoo verstandig aangelegd, door met de patrouille te dreigen, dat de andere zich haastig had gekleed en was weggeloopen. Die „pinterheid” van Vermey en zijn afkeer van luidruchtige standjes, deden hem in haar schatting rijzen, en heel gerust over de toekomst sliep zij in.
Hij rookte de eene sigaar na de andere en raakte bij het gelig maanlicht en door de fantastische mozaïek van donker bladwerk tegen de open vaalblauwe lucht in een zwaarmoedige stemming, die altijd hierop neêrkwam: dat het leven een ellende was; dat het de moeite niet waard was het mee te maken; dat bij weinig of geen levensvreugde een zware last.... Hij hoorde Yps snurken. Zoo’n beest, dacht hij, dat is gelukkig!
Om zich te verzetten—slapen kon hij toch niet—haalde hij uit zijn koffer een flesch met ’n restant brendy, die hij mee had gehad „naar boven” omdat daar zoo niets goeds was te krijgen, en zuchtend, schonk hij zich ’n glas. Daarbij was het ten minste uit te houden, meende hij, maar terwijl hij voorzichtig turend om bij het weifelachtig schijnsel niet te morsen, inschonk, hield hij plotseling op en luisterde. Hij had iets gehoord op den weg; ’t geluid dat schoenen maken op den grond, en ineens was het stil. Een inlander of ’n Chinees kon het niet wezen. Zou het die gladakker wellicht zijn met die lat? Nu, in dat geval zou men eens zien! Hier, buiten, met ruimte om zich te bewegen en een paar stoelen tot zijn beschikking, zou hij, nu de eerste indruk was geweken, wel grooten lust hebben dien sabelsleeper te ontmoeten! Hij liep naar achter, haalde een groot voorsnijmes uit het buffet en ging met een even ernstige als ongemotiveerde bloeddorstigheid weêr terug. Midden op het erf stond iemand, maar het was een burger; een donkerkleurige burger zooals bleek, zelfs in de verte en bij maanlicht, uit het contrast tusschen zijn gezicht en z’n wit jasje. Toen Vermey vol wraaklust en met moorddadige plannen naar buiten kwam om van leer te trekken, nam de burger zijn strooien hoed af en zei op onderdanigen toon: „Goeien avond, meneer.”
Vermey viel uit de wolken zijner dappere verbeelding. Het was de klerk van ’t kantoor; de man van zijn boodschappen, zijn bira’s en nog meer.
„Wat duivel, doe jij hier.”
„Ik wou u spreken.”
„Wist je dan dat ik hier was?”
„Neen. Ik kom van ’n partijtje; ik woon daar ginder; ik zag u zitten.”
„Maar is het dan zoo perloe?”
„Dat weet ik niet, meneer. Maar ik moet het u toch zeggen. Hier is het nu net goed. Over dag en op ’t kantoor zou ik niet durven.”
Vermey deed een langen trek aan zijn sigaar en blies nadenkend den grijzen rook omhoog naar de blauwe lucht.
„Zoo,” zei hij, „dat is wat anders.”
De klerk naderde hem heel dicht, en fluisterde meer dan hij sprak:
„Het is een geheim.”
De belangstelling van Vermey was niet opgewekt. Hij kende die menschen. Soms waren ze net gek, en zagen in de gewoonste dingen allerlei verschrikkelijkheden. Het kwam hem ook niet onwaarschijnlijk voor, dat deze stumperd, hem ziende bij een knaapje bezig met inschenken en rookende, plotseling door een woesten trek in een sigaar en een brendytje was overvallen en een geheim had uitgevonden om zich met list van deze desiderata meester te maken. Nu, dan zou de man zijn moeite beloond zien! Vermey vond dat hij net van pas kwam om met zijn kromsprekerij hem ’n beetje te amuseeren.
„Ga zitten,” zei hij. „Wil je ’n sigaar?”
„Het is over den-ouwen,” ging de klerk voort, zonder nog te gaan zitten of te antwoorden op de vraag.
Een hem zelf verrassend gevoel van levendige belangstelling schoot Vermey door het hoofd. Zou die kerel het weten? Hij bedwong zijn gloeiende nieuwsgierigheid.
„Zoo! Nu, ga dan maar vast zitten en steek ’n sigaar op. Wil je ’n glas cognac?”
Dat alles deed en wilde hij; maar ’t was Vermey toch duidelijk thans, dat hij dáár niet om gekomen was.
„En vertel me nu je geheim eens.”
„Ssst! Zachtjes praten, meneer; het is een groot geheim. Ik heb ’n gaatje gemaakt.”
Vermey moest lachen; was de man bijgeval al dronken met zijn geheimzinnig gaatje?
„In den vloer, boven in de monster-kamer. Ik kan er door zien, naar beneden, net in het pakhuis, als de ouwe daar is met den mandoer.”
Een glimlach speelde Vermey met zenuwtrekkingen om den mond en zijn oogen glinsterden. Daar zou het komen! Hij was van het echte ras der aanbidders van de schandaalkroniek; als hij er maar even de lucht van kreeg, dan leefde hij, en hij colporteerde het, met vreugde in zijn hart. Men had hem niet moeten zeggen, dat het slecht was, laag en gemeen, vooral omdat het laster was van de tienmalen negen; want dat laatste geloofde hij in ’t geheel niet, en wie het dorst beweren, werd in zijn oogen een verdachte persoonlijkheid. Hij had onder vrienden de gewoonte te bluffen op zijn eigen ondeugden, als op een wel wat beschadigde, maar toch altijd coulant gangbare munt. Wel zeker, hij dronk nu en dan in de sociëteit een brendy meer, dan goed was; maar hij betaalde immers den kastelein! hij hield erg veel van de vrouwen, maar hij was vrijgezel en hij had zich nooit ingelaten met zwijnerij! hij had beren, doch nog nooit was iemand een cent aan hem te kort gekomen. Maar die lui, die.... en dan volgde een opsomming van ondeugden, denkbeeldige en reëele, gebleken en vooronderstelde—op onderscheidingen kwam het niet aan—waaraan zich, naar zijn met groote overtuiging uitgesproken meening bepaalde personen schuldig maakten, die half, voor ’t kwaadsprekers-kringetje om de „kletstafel” voldoende, werden aangeduid, maar die altijd behoorden tot de soort financieel of maatschappelijk hooger geplaatsten die geen geijkte en conventioneele rechten hadden, maar „er” gekomen waren door de kracht hunner eigen persoonlijkheid. En toch die ook weer niet allen; daar waren er onaantastbaar onder; daar waren er, die men stilzwijgend vond, dat te hoog stonden in fatsoen om te worden bereikt; maar die anderen, die niet om bijzondere bekwaamheden of gebleken integriteit werden geacht; die door hun afstootend karakter niet werden bemind; die om suspecte allures in de termen van verdenking vielen,—die scheurde men zoo graag vaneen; die haalde men zoo diep omlaag om ze te trappen onder den voet....
„Ze knoeien,” zei de klerk.
Nu ja, dat was natuurlijk, meende Vermey; zoover was hij ook wel!
„Maar wat heb je gezien?”
„’t Is een schandaal, meneer! Ze knoeien, ja!”
Vermey liet zijn hand zwaar op het tafeltje vallen, zoodat de flesch en de glaasjes in trillend rinkelende beweging kwamen.
„Ja, dat geloof ik wel,” zei hij met een zucht, „maar zeg me nu toch in godsnaam alleen, wat je hebt gezien.”
„Wel, ik zeg u meneer, ze knoeien.”
Het was belachelijk, dacht Vermey, met stillen lust om een zijner lange beenen uit te steken, en zijn gast van diens stoel af en ’t galerijtje uit te trappen. Zoo’n kerel was nu maar niet tot ’t geringste besef te krijgen; dat hield maar vol: ze knoeien, en als je hem vroeg, wat ze nu eigenlijk deden, en wat hij had gezien, dan luidde het stereotiep: ze knoeien. Een groote, onbedwingbare zucht om grof te wezen, en ruw en matroosachtig, kwam bij hem op; instinctmatig voelde hij naar ’t scheen, dat deze Europeaan niet vatbaar was voor een geregelde reportage, als hem niet brutaal en haast met geweld de woorden uit de keel werden gehaald.
„Toen jij voor het eerst met je leelijke bakkes op den grond lag en je keek door dat smerige gat van je, wat zag je toen?”
De man vond die vraag erg grappig en lachte erom; maar hij zei zoo dadelijk niets.
„Kom,” vervolgde Vermey, „sla nog ’n brendy in je kraag, dan zal je wel wakker worden.”
En, altijd lachend, dronk de klerk het tweede glas alsof het water was.
„Vooruit nu, hè!” eindigde Vermey, vloekend. „Denk je dat ik lust heb om jou hier den heelen nacht te houden en niets te hooren?”
„Waarachtig, meneer, ze knoeien.”
„Maar wat dan? Wat noem je knoeien?”
„Wel meneer,... ze knoeien.”
„Wel gévédé!” riep Vermey; en in zichzelven zuchtte hij, razend van woede: zou je zoo’n vent niet....
„Goed,” ging hij met gemaakte bedaardheid voort, ’n vaderlijk vriendschappelijken toon aanslaande. „Ze knoeien dus, maar hoe?”
„Hoe? Dat weet ik niet, meneer.”
„Weet je dat niet? Wat kom je dan eigenlijk hier doen?”
„Ik kom u vertellen, dat ze knoeien?”
„En je weet niet hoe?”
„Neen meneer.”
„En je hebt dus eigenlijk niks gezien?”
„Zeker, meneer. Ik heb gezien.... in de kisten.”
„In de kisten?” herhaalde Vermey met sterk uitgedrukte verbazing, want „kisten” kwamen eigenlijk bij het schandaal, dat hij vermeende ontdekt te hebben en nu te hooren bevestigen, in geen geval rechtstreeks te pas.
„Juist meneer, in de kisten. Zij hebben in de kisten geknoeid; hij, de ouwe, en de mandoer.”
„In de leege kisten?” vroeg Vermey met ’n flauwe hoop, dat er toch nog iets aan kon zijn van zijn afschuwlijk vermoeden.
„Massa, meneer!” riep de klerk, die door de brendy wat opgewonden en familiaar was geworden..... „in de leege kisten! Wat willen zij knoeien in leege kisten. In de volle, meneer..... in de kisten met wijn.”
„En heb je niets anders gezien?”
„Neen meneer. Wat zou er anders te zien zijn.”
Vermey liet zich achterover neêr in zijn luierstoel. Dat was nu al ’n heel flauwe ui! Knoeierij in importartikelen! Het was waarachtig de moeite waard! En dat ging zoo geheimzinnig, alsof niet zoowat jan-en-alleman in den handel dat klappen kende van die zweep! alsof vooral zoo’n artikel wijn niet door heel de wereld een eeuwig vloeiende bron was voor alle mogelijke etiquetten-fopperij! Nota bene! Het was waarachtig de moeite waard, zoo’n geheim! Daar kwam zoo’n dwaze kerel zijn brendy voor drinken en z’n sigaren voor helpen oprooken!
„Zeg,” zei hij zich oprichtend, „als jij morgen behoorlijk binnen wilt wezen, dan is het meer dan tijd voor je om te gaan slapen.”
En de ander, ook teleurgesteld door het geringe succes, groetend af.
Zevende Hoofdstuk.
De Ingenieur.
Op het dek van den stoomer, die, bij langzame slagen zijner schroefbladen, zachtjes de reede opstoomde, stond naast zijn hutkoffers een jonge man. Hij keek over het teêrgroene watervlak naar de lage ruigte op den modderigen oever, waarvoor zich een lange grijze streep vuilachtig water uitstrekte, door de rivier in zee geworpen, maar als het ware daar in bedwang gehouden en verwezen naar zijn oorsprong: het land. Het vaartuig lag eindelijk stil in de lichte deining, zacht omzwaaiend voor zijn anker. Van den wal kwam een bootje, een oude smerige „kast”; de kleine stoommachine zuchtte er in, dat het aandoenlijk was om te hooren; net ’n mensch, althans in de verte! Er lag ’n atappen dak op, practisch, maar vuil-uitziend en onooglijk. Het kleine ding kwam aanstampen naar den grooten stoomer, als ’n kind om ’n boodschap, hijgend en trillend van de haast om vooruit te komen, en toch zoo langzaam!
Enkele nieuwsgierige gezichten keken, bij het naderen tot de lange, hooge, zwart geverfde romp, naar boven, de ronde oogen der patrijspoortjes voorbij, waar, over de reeling, de passagiers naar beneden tuurden; een rij zich kenmerkend door ’n fantastische variëteit van helm-, stroo- en andere hoeden.
En de menschen in het notendopje, dat langs zij kwam, zwaaiden een welkomst met handen en zakdoeken omhoog, en riepen: „Bonjour!” en „Dag vent” en allerlei hartelijke exclamaties met tranen in de oogen en tranen in de stem; allen drongen naar de trap, die werd neêrgelaten door matrozen met bruinroode onverschillige gezichten, opgestroopte mouwen en blauwe geprikte ankers op hun ruige armen, onder een zeemansdreun voor het gelijk vieren; matrozen, die in de overschatting van hun eigen keurig gezond zijn, met minachting neêrzagen op de indische menschen in het bootje omlaag, die haast allen de on-hollandsche vaalgrijze tjap van een „langdurig verblijf in de tropen” op het gezicht droegen.
Er was ook beweging gekomen onder de passagiers boven. Zij zagen daar beneden wel de gezichten waar zij, vooral bij gure, sombere winterdagen in Holland zoo innig en hartstochtelijk naar hadden verlangd; zij voelden hun hart wel onstuimig worden, hun ademhaling sneller gaan en dieper, hun oogen doffer worden en nat,—maar zij waren in hun zenuwachtigheid toch nog „beschäftigt,” de aandacht verdeelend tusschen koffers, doozen en pakjes boven en de menschen, die zij lief hadden beneden.
En de een voor, de ander na gaf en ontving handdrukken en zoenen, omarmde en werd omarmd, zei en fluisterde en hoorde zachte goede woorden van weêrkomst en weêrzien en blij-zijn.
Alleen de eene heer, die zoo stil naar het strand had staan kijken, deed niet mee aan het feest. Hij stond erbij met het gevoel van een paria, vreemd aan al de menschelijke aandoening om hem heen. Maar het kon hem niet schelen! Er was niemand hier aan den wal, dien hij ooit had gekend in Holland, en zijn onbekende bloedverwanten wisten niet eens, dat hij komen zou. Het laatst, en toen een afschuwelijke stoomfluit op het kleine bootje een harden onbeschaamden toet had uitgestooten,—rauw klinkend over het mooie water, in de zonnige lucht en door de zondagsrust der stille zee, als een vloek in ’n kerk,—ging de onbewogen passagier de scheepstrap af. Toch werd hem hartelijkheid betoond. Er waren menschen opgedoken uit de machinekamer, sommigen zwart en in vuil ondergoed; die hadden pas dienst gehad; anderen vrij van dienst in uniform met de fluweelen uitmonstering, als tegenstelling zoo in trek bij de mannen van het ijzer en staal; zij hadden den eenzamen reiziger gegroet, hartelijk maar met dien uitgedrukten eerbied, die spontaan is en niet afhangt van rangverschil; en de scheepsofficieren ook, en de commandant was met hem sprekend achter hem aan mee de trap afgegaan.
Met een hartverscheurend gesteun, dat een steenen hart zou bewogen hebben, kwam de machine van het kleine bootje weêr in beweging en stoomde allen naar den wal, de passagiers en hun vrienden en verwanten, elkaar aankijkend met de vroolijke verwondering van menschen, die veel van elkaar houden, elkaar in lang niet hebben gezien, vinden dat ze wel veranderd zijn en toch weer verwonderd, dat het zoo weinig is.
Er werd met de oogen als ’t ware gewogen. „Wat zie jij er goed uit,” „Wat ben je dik geworden,” „Wat heb je ’n hollandsche kleur meegebracht,” dat zweefde zoo kiri-kanan onder het atappen dak van het oude, zwoegende stoomertje, dat die taal al zooveel jaren kende.
Een bruine oude heer zat naast den stillen passagier, vol innige bewondering te kijken naar ’n knap jong ventje, dat bij hem zat, goed gekleed en met ’n bijzonder studentikoos gezicht; wat was die oude heer gelukkig!
„Hij is toch maar mijn jongen,” zei hij tot zijn eenzamen buurman, die goedig ja knikte met ’n cynischen glimlach om z’n mond; het was ’n rare grappenmaker, die „mijn jongen”; daar had hij gedurende de reis zoo ’t een en ander van gehoord en gezien!
Aan den Boom kwam weer de groote hurrie met bagage, die nagezien moest worden, en haastige menschen, verlangend naar huis.
Ook hier was niemand om den eenzame te ontvangen.
„Rijdt u met me mee naar ’t logement?” vroeg de kapitein.
„Dank u. Ik moet eens informeeren.”
„Kan ik u ook van dienst zijn?”
„Misschien. Kent u de familie Bruce?”
„Bruce?” herhaalde de gezagvoerder met den vinger aan het voorhoofd en de oogen dicht, nadenkend; „Bruce? Neen.... ik kan me dien naam niet herinneren. Wat doen ze?”
„Niets, geloof ik. Rentenieren zoo wat.”
De kapitein vroeg het aan een verificateur.
„Welzeker,” zei deze, die haast had, „ik heb juist van ochtend mevrouw Bruce helpen begraven,”—en hij verdween tusschen de menschen om toe te zien op het lossen van het goed.
„Het is toch geen familie van U?” vroeg de kapitein.
„Ja, mevrouw Bruce was mijn tante.”
„Jongens, dat is geen aangename komst in Indië,”—en de kapitein, die als zeeman ’n beetje bijgeloovig was, keek dezen pechvogel met medelijden aan.
„Ik heb haar vroeger nooit gezien.”
„Was ze ziek?”
„Ja, we hebben daar enkele berichten over gehad; ’t was een langdurig lijden.”
„Gaat u er nu nog heen?”
De vreemdeling aarzelde.
„Ik zou maar voorloopig in ’t logement gaan, mijnheer Voirey.”
„Dat zal ’t beste zijn. Nu, dan wil ik wel met u meerijden.”
De gedienstige mandoer van het hotel was er dadelijk om de zorg voor de koffers op zich te nemen.
Jan Voirey snapte geen „koopje” in den gewonen indischen zin van het woord; maar de gezagvoerder dacht het. Hij wist, dat deze passagier ingenieur-werktuigkundige was, en niet geplaatst bij het alleen zaligmakende koloniaal-bestuur, maar uitgekomen voor eigen rekening.
Wel had hij aan boord, naar het zeggen der machinisten, getoond erg knap te zijn in zijn vak, en beweerden sommigen zelfs dat men moeite zou gehad hebben met een zware reparatie gedurende de reis, zonder de goede raadgevingen van den heer Voirey, maar de kapitein wist wel, door een veeljarige ondervinding, dat capaciteit alleen in Indië niet altijd vond, wat zij verdiende; daar hoorden meer en andere eigenschappen bij!
„En wat denkt u nu aan te vangen?” vroeg hij ’s middags in het hotel.
„Dat weet ik nog niet.”
„Het is niet alles hier in de-n-Oost! Er zijn tegenwoordig aardig wat lui à la recherche d’une position.”
De jonge man keek hem glimlachend aan.
„Ik zal hun aantal niet vermeerderen.”
„U zal toch ook aan den gang moeten komen,” zei de kapitein, wantrouwend in de heldere grijze oogen van Voirey kijkend, als stond deze hem voor den gek te houden.
„Niet op die manier. Als ik hier wat doen ga, gebeurt het voor eigen rekening.”
„Het is tegenwoordig heel moeilijk geld bijeen te krijgen voor particuliere zaken.”
„Misschien wil ik het geld van anderen niet eens hebben.”
De kapitein glimlachte met ’n ongeloovig gezicht; hij had geen blagueur gezocht achter dezen ernstigen jongen man; hij bleef ’n oogenblik heen en weer schommelen op z’n wipstoel, met langzaam bewegen van zijn verweerden kop, en turend door de krees naar den stoffigen weg.
„Het is geen kleinigheid hier zaken te doen voor eigen rekening.”
„’t Zal hier wel net wezen als elders.”
„Dat geloof ik niet. Ik vaar al ’n twintig jaar op Indië en heb er in mijn leven rare dingen over gehoord.”
„Het kost veel geld, bedoelt u.”
„Och, dat bedoel ik nog zoozeer niet. Zaken oprichten kost hier ’n handvol geld,.... maar ik bedoel.... Bent u b.v. een neef van den gouverneur-generaal?”
„Toevallig niet.”
„Hebt u ook ooms in den Raad van Indië?”
„Neen,” zei Voirey, „die heb ik niet.”
„U zult toch allicht ’n tante hebben, die met ’n directeur van een departement is getrouwd?”
„Ook dat niet.”
„Of voor ’t minst geparenteerd wezen aan een of meer residenten of hoofdambtenaren te Batavia?”
„Niets, niemendal, commandant! Mijn eenige bloedverwante was mevrouw Bruce, en die is dood. Maar wat wilt u met dat alles zeggen?”
„Kijk eens, mijn waarde heer: ik weet het niet, zie je, maar ik heb zoo wel eens hooren beweren, door menschen van ondervinding en die het ten minste konden weten, dat men om hier particuliere industrie te kunnen drijven, steun moet hebben door bloedverwantschap. Dan krijgt men alles gedaan, ook het onzinnigste; heeft men die niet, dan wordt men stelselmatig tegengewerkt en krijgt niets gedaan, ook niet het billijkste.”
„Dat zal wel overdreven zijn.”
„Best mogelijk! Ik zei het u immers, ik weet het niet; ik heb het maar van hooren zeggen; lieg ik, dan doe ik het in commissie; maar die committenten, daarvoor sta ik in, waren menschen van ondervinding.”
„En daar zou men dus met slagen, als.... Permitteer me commandant, dat ik uw mannen van ondervinding houd voor het genre: indische mopperaars.”
„Het is mogelijk. Ik zal het u niet opdringen.”
„Misschien ga ik over een maand of wat weer terug. Ik ben aan niets of niemand gebonden. Ik zal eens rond zien hier en daar, en als ik denk dat een machinefabriek op kleiner of groote schaal hier lukken zou...”
„Maar mijn beste heer, dat kost kapitalen.”
„Ik zeg u, dat dit het bezwaar niet is.”
„Meent u dat in ernst?” vroeg de kapitein, thans half en half teruggekomen van zijn eerste gedachte, dat het maar bluf was.
„Natuurlijk! Ik maak nooit aardigheden over zulke zaken. Maar zooals ik zei: ik weet in het geheel nog niet wat ik doen zal.”
„Maak u in elk geval eerst vrienden. Zoek de hoogste connecties, die gij bereiken kunt.”
Doch de ingenieur schudde onwillig het hoofd; zijn vooruit gestoken lippen en gefronste wenkbrauwen teekenden scherpen weerzin.
„Als ik er langs dien weg zou moeten komen, dan bedank ik er voor.”
„Ik mag lijden, dat u het zonder dien weg af kunt; maar...?”
„Wat wou u vragen?”
„Och niets! u zult zeggen, en terecht, dat ik me bemoei met eens anders zaken.”
„Welnu,” zei Voirey. „Ik zie niet in, dat dit zoo erg is; het zou ’n rare wereld zijn, als de menschen zich in ’t geheel niet met elkaârs zaken wilden inlaten.”
„Dat is waar;” en zeer ernstig tegenover deze wereldwijsheid, die bij hem „pakte”, herhaalde de kapitein; „dat is wel waar; het zou er al heel beroerd uitzien.”
„Vraag dus maar op, commandant.”
„Waarom wilt u nu juist uw geld naar Indië brengen?”
„Ik begrijp de vraag niet; vooral niet van uw kant.”
„Nu ja, wij zijn natuurlijk blij, als er leven en vertier is; hoe meer hoe liever.”
„En ik zie niet in, waarom ik daar niet wat zou toe willen bijdragen, in plaats van het onder vreemden blijven zoeken. Daar heb ik zoolang onder gezworven! En in Holland zelf wil ik niet wezen; dat is me te benauwd.”
De kapitein sprak er niet verder over. Hij had met dezen passagier al eens meer gepraat; er was één onderwerp, waarover zij het nooit eens konden worden; de zeeman had een groote liefde en vereering voor het „dierbaar plekje”; de ingenieur sprak er altijd met de grootste geringschatting over. Op dat terrein liepen ze elkaar mis.
Achtste Hoofdstuk.
De Ontvangst Bij De Bruce’S.
’s Avonds kleedde zich Voirey, nam een wagen en reed naar de Bruce’s.
Het was donker voor. De oude heer liep heen en weêr in zijn kamer en zuchtte. Welk een soesah! ’t Was om er gek van te worden! Wat zat hem die Weeskamer dwars! Die maalde hem aan het hoofd over inventarissen en andere paperassen, en dááraan was hij geheel ontwend. Hij werd bleek van schrik, als hij iemand het erf zag opkomen met een portefeuille onder den arm. „Dat is er zeker weêr een van de Weeskamer,” dacht hij dan; het denkbeeld occupeerde hem zoo sterk, dat hij den dood van zijn vrouw er geheel door vergat. En dat alles, zoo redeneerde zijn onvergankelijk egoïsme, voor niemendal. Want hijzelf was weêr gewoon teruggebracht tot zijn pensioentje; geen duit kreeg hij, en nu mocht hij het werk doen! Een ware schande!
Leentje was boven op haar moeders kamer. Zij had een kast opengemaakt en snuffelde er zoo’n beetje in. En terwijl ze keek in oude, geel geworden stukjes papier, in geheimzinnige pakjes, tusschen sachets zonder geur, en zilveren doosjes zonder glans, met fijne haarvlokjes hier en eerst gewisselde kindertandjes dáár,—was het of haar ’n beeld van het goed en eenzaam leven harer moeder langs de oogen gleed; het leven vol liefde; zorg en opoffering voor haar huisgezin en haar kinderen; het leven, zoo goed geweest, en onder zoo’n schrikkelijk lijden geëindigd! Nu en dan, terwijl ze bezig was een haar bekend of onbekend souvenir onder het schijnsel der lamp te bekijken, schrikte ze plotseling op; dan kreeg haar de macht der gewoonte, en was het voor haar gehoor ’n oogenblik alsof door de kamer nog het klagend, fluitend geluid zweefde van de steunende ademhaling harer moeder.
Beneden in de achtergalerij leerden de kinderen hun les voor school, alsof er niets was gebeurd. Nu en dan babbelden zij over de begrafenis; ze hadden verschil over het aantal rijtuigen, en zij zouden er om gevochten hebben, als ze hadden gedurfd. Nu durfden ze niet, maar keken elkaar aan met woedende blikken, en trapten elkaar stilletjes onder de tafel met hun bloote voeten.
De groote jongens zaten in het kleine galerijtje voor het paviljoen, dat ze bewoonden, samen, in het donker in nachtbroek en kabaai, de voeten hoog op het hekje, een pijp te rooken.
Zij bespraken wat hun te doen stond, zij hielden in ’t geheel niet van hun vader. Sedert zij zelf een tractement verdienden op hun kantoren, en dat met goedige eerlijkheid trouw aan Lena verantwoordden, was hun afkeer van den vader toegenomen. Ze kwamen wel niet tegen hem in opstand, maar ze behandelden hem met de grootste onverschilligheid en wisselden haast geen woord met hem. Doch onder elkaar praatten zij over hem en ze waren reeds zóóver, dat ze hem dan aanduidden met den hoogst oneerbiedigen naam van „opvreter.” Zij hielden nu een ernstige discussie, zachtjes, de stoelen dicht bij elkaar; en ze kwamen tot de slotsom, dat ze bij den opvreter niet wilden blijven. Maar Leen dan? Daar zwegen ze op: ze wilden het voor elkaar niet weten; ze waren nooit heel lief voor Lena, er was geen zweem van vertoon of aanstellerij, integendeel. Doch de gedachte aan haar verdreef toch ineens alle plannen voor een vrije levenswijze in de naaste toekomst.
De bediende had bij Bruce aan de deur getikt; er was tamoe.
„Zijn het dames?”
„Neen, een heer alleen.”
„Is het een bekende heer?”
„Neen een vreemde meneer, met ’n zwarte jas aan.”
Een naar gevoel overviel Bruce; wie weet of dat weer niet zoo’n beroerde kerel van de Weeskamer was! Dat dreigde zijn cauchemar te worden.
Maar een van de kinderen, die iets had gehoord, was naar naar voren geloopen en bracht nu een kaartje met „Jan Voirey, ingenieur” er op.
Stil bekeek Bruce het. Hij vertrouwde het niet. Iedereen kan wel ’t woord „ingenieur” op ’n kaartje laten drukken; hij, oud-ambtenaar, erkende geen ingenieurs, dan die behoorlijk van Regeeringswege waren aangesteld. De rest was maar larie. Wat kan me die vent schelen. Het was er waarschijnlijk een die kwam om te halen; daarvoor toch alleen kwam iedereen naar de-n-Oost.
„Laat maar ’n lamp aansteken,” zei hij zuchtend, en ging terug in zijn kamer om zich te kleeden. Doch hij bedacht zich. Waarom zooveel complimenten tegenover een neef van de vrouw, die hem niet eens haar vermogen of een deel daarvan had nagelaten? Bij die gedachte smeet hij met kracht zijn schoonen witten pantalon weer in de kast, en zijn gekreukte kabaja wat recht trekkend ging hij naar voren.
„Je bent ’n neef van mijn overleden vrouw, hè?” zei Bruce op een toon alsof hij dat kwalijk nam.
„Ja. Ik kom hier onder ongunstige omstandigheden.”
Daar heb je het gedonder al! dacht Bruce die, nu hij er zoo kaal was afgekomen, aan niets kon denken dan aan geld; en knorrig zei hij, met ’n onbeleefde halve omwending en driftig, ’n beetje stotterend:
„Ja, hoor eens; u moet me niet kwalijk nemen, maar ik kan daar niets aan doen.”
„Neen, dat begrijp ik,” zei Voirey, verbaasd, niet wetend wat die onvriendelijke uitval beduiden moest.
„Als je dat dan maar begrijpt. Het is hier ook niet alles!”
Maar dat begreep de ingenieur nu weer niet.
„Hoe bedoelt u dat?” vroeg hij.
„Me dunkt, dat het nogal duidelijk is; ik houd er niet van de menschen te doen gelooven, dat ze van ons iets te wachten hebben.”
Voirey begon nu te begrijpen; hij lachte weer stilletjes op zijn bijzondere manier, zijn mond van den eenen kant naar den anderen trekkend als stond hij wijn te proeven als een keurder van het vak.
„Ik had gedacht,” zei hij, „dat u me uit de verlegenheid zoudt kunnen helpen.”
„Daar is geen quaestie van. Waarom ben je niet in Holland gebleven of in Amerika?... Je hadt ergens anders wel een betrekking kunnen zoeken. Je hebt zeker gedacht, dat het hier de „zoete inval” was.”
„Ja, dat dacht ik zoo.”
Daar stond Bruce gek van te kijken. In elke richting was er boven zekere grens iets, waardoor hij overbluft werd. Deze verregaande onbeschaamdheid zette hem schaakmat, en hij was blij, dat Lena in de voorgalerij kwam om hem te verlossen van een tête à tête met dien jongen man, wiens blinkende staalgrijze oogen hem nog zenuwachtiger maakten.
„M’n dochter Lena,” zei hij voorstellend. „Meneer Voirey, een neef van wijlen mama.”
Zij reikte hem de hand.
„Welkom in Indië, neef. Het is erg treurig dat ma u niet meer heeft kunnen zien.”
„Ik had er op gehoopt, maar ik wist, dat tante ernstig ziek was.”
„Blijf niet staan hier! Waar is uw goed?”
„In het logement.”
„Waarom?”
„Wel het is heel eenvoudig,” zei Bruce net alsof het ’n aardigheid was, „waar iemand logeert, daar is zijn goed.”
„Ik ben van ochtend aangekomen,” antwoordde Voirey, „en ik hoorde aan den Boom, dat tante gister was overleden. Heeft ze veel geleden?”
„Verschrikkelijk! Je kunt me gerust gelooven Jan—ik zal maar Jan zeggen,” interrompeerde zij zich, ’n beetje verlegen over zooveel familiariteit, bij zoo weinig bekendheid—„dat ik dikwijls God gebeden heb haar te verlossen; haar dood is een verlossing geweest, ik was daar zoo diep van overtuigd.....”
„Je hebt haar zeker opgepast?” vroeg Voirey met deelneming in z’n stem, toen Lena in haar tranen bleef steken.
Zij knikte met het hoofd.
„Maanden lang. Ik ben blij, dat ik haar niet aan vreemden heb overgelaten; ik weet dat het haar aan geen zorg heeft ontbroken.”
Jan Voirey troostte haar; zij spraken samen over de overledene, alsof zij oude bekenden waren; hij wist van zijn vader bijzonderheden uit de jeugd harer moeder, die zij ook wist, geheel of ten deele; zij behoorden tot één familie, dat stond vast; dat bleek uit alles; ook de jongens kwamen naar voren, vriendelijk en met ingenomenheid voor dezen neef, die net heette als mama had geheeten; die op hen allemaal geleek alsof hij ’n broer was, en die ’n ingenieurstitel op z’n kaartje had staan. En Bruce zelf, woedend inwendig, nu en dan zijn forsche gestalte oprichtend en zijn bakkebaarden strijkend, wierp om geen gek figuur te maken er nu en dan een woordje tusschen, zonder dat daar eigenlijk notitie van werd genomen.
„Je komt toch zeker bij ons logeeren?” vroeg tot zijn ergernis, Lena haar neef.
„Dat is niet mogelijk,” zei Bruce. „Het staat niet voor het publiek, als er geen vrouw des huizes is.”
Lena haalde de schouders op en zei snel:
„Nonsense, pa. In het paviljoen is nog een heel goeie kamer; ik zal die in orde laten maken. Daar kan neef Jan best logeeren.”
„Dank je wel,” zei deze. „Het is heel vriendelijk, maar ik zal er geen gebruik van maken.”
„Maar waarom niet?”
„Heusch niet! Het is beter, dat ik in het logement blijf.”
Bruce dacht een oogenblik na. Het scheen, dat deze neef een onbeschaamde berenmaker was. Dat bezat geen sous, verkeerde in „treurige” omstandigheden, zooals hij zelf had verklaard, en bleef „maar liever” in het logement!
„Mama zou het niet gewild hebben. Je bent de eenige bloedverwant, dien we ooit in Indië hebben gekend.”
„Weet je,” zei Voirey, thans op zijn beurt een beetje verlegen. „Ik wil het wel doen, maar onder een voorwaarde. Ik ben lang in Amerika geweest, en daar zijn we zakelijk openhartig. Uit oom’s woorden heb ik opgemaakt, dat.... enfin, dat het niet rooskleurig gesteld is met de financiën. Laat mij dan het mijne bijdragen; het hindert mij in ’t geheel niet. Integendeel. Anders zou ik niet kunnen komen.”
Bruce was vuurrood geworden; Lena zoo wit als ’n doek; de broers keken woedend en verlegen.
Met haar scherp voorstellings-vermogen dadelijk begrijpend wat er zoo ongeveer was voorgevallen tusschen die twee, vóór zij erbij was gekomen, voelde zij te gelijk welk een mal figuur haar vader maakte. Zij kon hem daar niet in zoo’n verlegenheid laten zitten.
„Nu, dat zullen we wel vinden!” zei ze snel. „Dat komt vanzelf terecht. Het is dus afgesproken, dat ik morgen de logeerkamer in orde laat maken.”
„Wel zeker,” zei Bruce, zonder precies te weten, wat hij zei. „Wel zeker, dat komt vanzelf in orde.”
Voirey had wel gezien, dat iets niet in den haak was. Het had hem trouwens verwonderd, dat deze stief-oom zoo spoedig, zoo ongevraagd en geheel tegen de regelen van de altijd hoog-geroemde indische gastvrijheid, zijn leege portemonnaie omhoog had gehouden.
„Het zal misschien niet voor lang zijn,” zei hij. „Ik ga heel gauw een reisje maken in de binnenlanden.”
„Natuurlijk,” stemde Bruce toe, „hoe gauwer onder dak, hoe beter.”
„Misschien wel; het zal ervan afhangen.”
„Waarvan?”
„Van de omstandigheden. Vallen die meê, dan blijf ik; zoo niet dan ga ik weer terug.”
„Als je geen betrekking kunt krijgen....”
„Toch niet. Als ik zie, dat er geen plaats is voor ’n machinefabriek.”
„Een fabriek! Wou jij een fabriek oprichten, hier in Indië,” riep Bruce met een spotlach. „Waarschuw me dan, als het een naamlooze vennootschap wordt; dan neem ik er geen aandeelen in.”
„Het zal niet noodig zijn. Als ik het doe, gaat het uit eigen middelen; anders doe ik het niet.”
De jongelui keken hem aan met bewondering; de oude heer glimlachte met op zijn manier een erg slim gezicht.
„Eet je ’n bordje soep mee?”
Maar neef Voirey bedankte en ging naar het hotel terug.
’n Paar dagen nadat hij zijn intrek had genomen in de buiten-logeerkamer der Bruce’s, was het ’n heel praatje op de plaats. Er werd niet weinig overdreven. Een neef van de pas gestorven mevrouw Bruce; onverwacht overgekomen; millionnair; ingenieur van beroep en fabrieken-oprichter uit liefhebberij! Men deed moeite om hem te zien te krijgen. Het regende bezoeken van rouwbeklag, zelfs van families, die men maar heel oppervlakkig kende. Dames en heeren kwamen, gingen zitten, en keken Bruce aan en Lena, eigenlijk niet goed wetend, welke gezichten ze moesten zetten om een deelneming te betuigen die gehuicheld was uit nieuwsgierigheid. Slechts als Voirey kwam en was voorgesteld, ontspon zich een gesprek, waarin men met vragen zoover ging als fatsoenshalve maar mogelijk was, en waarop hij zoo weinig antwoordde, als de beleefdheid veroorloofde. Men vond hem „gesloten.”
„Wil ik je eens wat zeggen?” zei Bruce, toen ze alleen waren, tegen zijn dochter. „Die Jan is een slimme rakker.”
„Waarom?” vroeg ze, weinig gesticht over de qualificatie.
„Hij weet op alles te antwoorden, en toch zegt hij geen woord meer dan hij kwijt wil wezen.”
„Daarin heeft hij groot gelijk.”
„Apropos. Leen, het is toch maar gekheid, hé? Je zult hem niets laten betalen.”
„Zeker niet. Ik heb het hem al aan ’t verstand gebracht van middag. Wat hadt u toch gezegd?”
„Och, zie je, ik was niet in mijn humeur, en ik dacht, dat hij ook al.... zoo’n presentkaasje was.”
Voirey kwam nog even terug uit zijn kamer in de achtergalerij. Bruce zat dwars op de groote eettafel met zijn pijp in den mond, terwijl Lena haar huishoudboekje bijschreef.
„Ik ben bezig mijn koffers te ontpakken, en ik heb nu gevonden, wat ik uit New-York voor je heb meegebracht.”
Hij gaf haar een bruinleeren doos, en zij schrikte toen ze die open deed, zoo fonkelde in het licht der lamp een groote diamant op de sluiting van een fijn bewerkten maar eenvoudigen gouden halsketting haar tegen.
„Is dat voor mij?” vroeg ze met groote verwonderde oogen.
Voirey knikte glimlachend.
„Als het je bevalt. Anders is er wel wat anders te krijgen.”
„Het is te gek,” zei Bruce. „Wat ’n pracht van een steen!”
„Ja,” meende ook Lena. „’t Is zoo’n groot cadeau.”
„Nu, voor het eenige petekind van mijn moeder mag het wel in orde wezen. Als het je erg aanstaat, geef me er dan een zoen voor.”
Met ’n kleur als vuur, deed ze het, terwijl haar vader met den collier om de hand, den steen liet draaien onder het licht en bij elk verschieten der kleuren en lichten bij zichzelf herhaalde.
„’t Is kolossaal, ’t is kolossaal!”
En toen Voirey, die gauw weêr naar zijn half ontpakte koffers ging, weg was, zei hij heel ernstig en niet zonder vrees.
„Berg hem vooral goed op: ik taxeer hem op twee mille.”
Zij ging naar haar kamer met ’n kloppend hart; niet, dat ze zooveel gaf om kostbare sieraden,—dat niet; ze wist zelf niet hoe het kwam, dat ze zoo zenuwachtig was geworden, door dat geschenk. Misschien was het door dien kus. Maar dat kon toch haast niet, dacht ze; hij was immers haar eigen neef. Toch kon ze er niet van slapen, en het was niet onmogelijk, dat ze, toen ze eindelijk insliep, dáárdoor droomde; maar geen aangename droomen; nare benauwde nachtmerrie’s, die haar telkens weer deden wakker schrikken, geagiteerd, met bevende handen.
Negende Hoofdstuk.
Door Een Gaatje Kijken En De Gevolgen Ervan.
Ook de diamant, deed in de publieke verbeelding zeer vergroot, de ronde.
’t Was een ware roman; haast ongelooflijk!
’t Zal wel een mop wezen, zei George Vermey, toen hij het wonderlijk verhaal van den millioenen ingenieur hoorde in de sociëteit; maar daartegen protesteerde de heele gemeente zóó sterk en met zooveel verhalen over de enorme credieten, die Voirey bij de agentschappen der banken geopend had, dat Vermey ten slotte alles geloofde, en een innig verdriet voelde over zijn anders nooit diep gevoelde blauwtje. Wie weet, dacht hij, vraagt hij haar niet! Nu, hem zal ze dan wel nemen uit.... liefde. Zoo zijn die nobele, fatsoenlijke meisjes!
Hij zou er graag het zijne van gehad hebben, maar dat was moeilijk. Wel was hij op de begrafenis van mevrouw geweest en had ook Lena gezien en gecondoleerd, en had niemand ook slechts in het minst getoond, dat er aan de oude vriendschappelijke verhouding iets haperde, maar toch kon hij geen familiaar bezoek brengen, en kreeg hij in z’n eentje een kleur als hij eraan dacht.
In het „huisje” woonde Yps niet meer, en hij niet langer in het logement. Hij was, zeker voor de twintigste maal, verhuisd; altijd inboedels koopend en verkoopend, soms op venduties, soms onder de hand, steeds met vermeerdering zijner beren.
Nu had hij een lief steenen huis, klein maar goed onderhouden, het maakte een allergunstigste uitzondering op de meeste indische huizen; voor een smakeloos „erf” had het een lief tuintje, door vroegere bewoners europeesch aangelegd; er waren nergens scheuren of barsten in de muren; zelfs geen wonden van afgebrokkelde stukken kalk; er zat verf, goede, glimmende grijze verf op de balken en het verder houtwerk; er was aan de deuren behoorlijke sluiting; zelfs de latjes der jaloeziën waren in orde en men kon zonder geweld te plegen de ramen sluiten van binnen. Dit wonderlijk huisje had hij erg goedkoop gehuurd, omdat er pas ’n oude juffrouw in was gestorven, en aspirant-huurders zich niet voordeden, niet omdat zij bijgeloovig waren, in ’t geheel niet! maar omdat het zoo „griezelig” was.
Dáárboven was hij verheven. Een vrouw kon voor hem niets afkeerwekkends hebben, had hij lachend gezegd; ook niet als zij oud was, en in dat geval het allerminst na haar dood.
Yps was met hem meegegaan; zij had geen semi-europeesche begrippen, maar echt inlandsche.
„Tra perdoeli,” had ze gezegd met een onverschilligen halven draai harer heupen van links naar rechts, toen Vermey, om naderhand geen soesah te hebben, haar verteld had, dat die oude juffrouw in het aardige huisje dood was gegaan. Wat kon het haar schelen? Een mensch sterft, als het zijn tijd is, had ze van haar moeder geleerd, en dat geloofde zij ook. Ze was er zelfs erg meê in haar schik. Tobat! had ze verwonderd uitgeroepen. „Lekker hier! Alles mooi, ja!” En toen ze in de slaapkamer kwam, en zag dat George een groot ouderwetsch houten ledikant had gekocht en daar een rooden hemel op had laten maken met verguld, toen werd ze heelemaal verteederd, en zich als ’n kat dicht tegen hem aanvleiend, zei ze met van genoegen en trots schitterende oogen: „Zoo enak, Sors!”
In dat huisje nu, leefde Vermey zonder grooter ongenoegen dan hij altijd had gedaan met een of andere „huishoudster”; vroeger ging hij veel uit naar de „kroeg”, en dan volgden er nogal eens nachtelijke uitstapjes met vrienden, van wie de kampongs gewaagden; toen wist hij ook wel dat zijn „huisgenooten” zooals hij ze met zekere ironische deftigheid noemde, hem achtereenvolgens bedrogen; maar het kon hem niet schelen; hijzelf was ook niet eenkennig, en... als ’t maar buiten hem omging.
Doch in dat opzicht veranderde hij zeer. De sociëteit werd minder aantrekkelijk. Hij ging er nog wel heen, ’n paar malen in de week, maar het was eigenlijk nog slechts half van harte; want de eigenlijke liefhebberij was eruit; finaal eruit, en hij ging meer om zich eens te vertoonen, dan om het genoegen te zoeken, dat vroeger zijn doel was. Met den dag werd hij meer verkikkerd op Yps; zij had hem heelemaal onder de plak gekregen, sedert hij haar betrapt had en flagrant délit; het was of zijn hartstocht voor deze driekwart-inlandsche jonge vrouw met haar fraaie, veerkrachtige vormen en de slangachtige bewegingen harer slanke figuur, met haar koolzwarte oogen en schitterend witte tanden zich eigenlijk pas recht deed gelden nadat hij een ander bij haar had aangetroffen! met een soort van wilde woede, vlamde die hartstocht op, telkens, als hij dacht aan dat incident; dan werkte zijn verbeeldingskracht, die in normalen toestand verflauwde en verzwakte, weêr met jeugdig vuur, en het was of hij Yps, nu hij haar niet om haar bedrog op straat had gezet, om datzelfde bedrog te liever had.—
Terwijl hij op zijn bureau zat, en zijn administratie voerde, keurig en accuraat, dacht hij in ’t geheel niet aan dat alles; hij was bij zijn werk, heelemaal; het werd al laat, en hij moest om zonder kunstlicht te zien, zijn gouden lorgnet opzetten.
„Wat is er?” vroeg hij barsch, toen iemand hem aan den arm stootte.
’t Was de omgekeerde Pieterse, die zachtjes sprak, en liep als op vilten zoolen, maar zooveel te sterker gesticuleerde.
„Kom eens mee meneer! Ze zijn weêr beneden.”
„Och, wat kan het mij schelen!”
„U kan alles zien door het gaatje.”
Het maakte hem toch nieuwsgierig; nu, hij wilde wel ’reis kijken, hoe dat in zijn werk ging. Oók zachtjes op de teenen loopend, volgde hij den klerk die in een hoek een oude krant op den grond openvouwde, waarop Vermey knielde, wat hem pijn deed; door het gaatje zag hij, als hij recht naar beneden keek, binnen een bepaalden cirkel, die zich een weinig uitbreidde in de richting tegenovergesteld aan die van den stand van zijn oog en dan evenveel inkromp aan de daarmeê gelijke zijde; zoo heen en weêr draaiend met zijn hoofd trachtte hij te zien, wat zijn chef deed daar beneden in het pakhuis met dien inlandschen mandoer.
Het was waar, wat Esreteip had gezegd: ze scharrelden in wijnkisten; wat ze eigenlijk deden kon hij niet zien; daarvoor was het kijkgat te klein en het licht beneden, dat bovendien op den grond stond, te flauw. Maar zooveel merkte hij wel, dat het niet in den haak was.
„Ik kan niet zien wat ze eigenlijk doen,” zei hij opstaande.
Een inlander trok zich achter het schutsel terug, aan het andere einde in het halfduister vertrek. Toen allen naar huis waren, en ook de chef op het punt stond heen te gaan, kwam die inlander bij den mandoer en sprak met hem. En de mandoer sprak met den chef, en samen keken ze bij het licht eener bougie naar het gaatje.
Bleek en vloekend ging de chef terug. Het had hem zeer aangegrepen. Zoo iets had hij nooit gedacht! Zulke brutale smeerlappen! Die durfden hem beloeren, hèm!
Den volgenden dag woei er een orkaan van ongenoegen door het kantoor.
Nauwelijks zat Vermey achter zijn lessenaar, of zijn chef vroeg hem naar een loopend werkje, dat zoo nu en dan bij gelegenheid werd bijgehouden, maar op dit oogenblik niet gereed was.
„Waarom houd-je dat niet geregeld bij?”
„Het is nooit gebeurd. Het wordt zoo eens of tweemaal in de maand bijgeschreven, als er niets beters te doen is.”
„Ja, dat kan me niet schelen, maar het zijn slordigheden, die niet te pas komen. ’t Moet dadelijk in orde gemaakt worden!”
De chef wierp het boek neêr met een harden slag, draaide Vermey den rug toe en ging naar zijn eigen kamer.—George, bleek van kwaadheid, keek hem na met hoog opgetrokken wenkbrauwen.
„Ik geloof dat die van morgen met het verkeerde been uit bed is gestapt,” zei hij in het algemeen, en legde het boek op zij om het in den loop van den dag bij te schrijven.
Maar een kwartier later kwam zijn chef met groote drukte en beweging weer terug.
„Is het klaar?”
„Klaar, wel neen! Ik heb mijn gewone werk dat af moet, en dat ding kan toch dáár wel op wachten.”
„Dat staat u niet te beoordeelen,” zei z’n chef met gemaakte kalmte en, het „je” en „jij” vermijdend, heel beleefd. „Ik had u opgedragen, dat te doen, en daaraan hadt u dadelijk gevolg moeten geven.”
„Maar meneer....”
„Er valt niet bij te redeneeren, meneer. U hadt het moeten doen, zeg ik u. Nu gelast ik u het dadelijk te doen en zonder praatjes.”
„Praatjes!” zei Vermey met nijdigen spot. „Alsof ik praatjes maak!”
Maar hij begon, zijn liniaal over de schrijftafel gooiend, hard schuivend met zijn stoel en smijtend met boeken en papieren, aan het bewuste werkje.
Geen uur daarna werd hij geroepen. Er was een kleine fout in een rente-berekening. Het stuk werd hem als ’t ware toegeworpen.
„Daar is alweer zoo’n stommiteit.”
„Dat hebt u me gister al laten zien.”
„Laat maar overschrijven. Het is een schande!”
Vermey haalde de schouders op met een diep: Hè hè! en ging de kamer uit.
Zoo ging het voort den ganschen dag. Het heele kantoor raakte den kop kwijt. Het was een aaneenschakeling van standjes, die de chef gaf aan Vermey, en die van dezen terugwerkten op zijn ondergeschikten.
’s Middags tegen vijf uren had George een kleur als vuur van woede en agitatie.
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg