Annie van Walen
Henriëtte (Henriëtte Auguste) Rappard and O. (Otto) [Illustrator] Geerling
IN DE VACANTIE BIBLIOTHEEK VOOR JONGENS EN MEISJES. SERIE B—MEISJESBOEKEN—DEEL 11
Annie Van Walen
DOOR Jkvr. HENRIËTTE RAPPARD GEÏLLUSTREERD DOOR O. GEERLING
Tweede Druk Alkmaar—Gebr. Kluitman :: 1918 ::
Eerste Hoofdstuk.
De Komst Van Tante Dora.
„Kan ik al niet mooi los rijden, Paula?” riep Annie van Walen, terwijl zij over de breede oprijlaan kwam aan fietsen.
„Kranig, hoor,” antwoordde Paula lachend, want Annie slingerde nog als een dronkenman over den weg.
Paula Tillens en Annie waren vriendinnen en buurmeisjes; Annie was tien jaar en Paula, die dertien jaren telde, had Annie leeren fietsen, toen deze op haar laatsten verjaardag een mooie fiets gekregen had.
De heer Van Walen was zeer rijk en woonde met zijn dochtertje op een groot buiten, dat grensde aan den tuin van de villa, die door Paula en haar moeder bewoond werd.
„Zeg, Pau,” zeide Annie vertrouwelijk, „misschien was het toch beter geweest als ik op je gewacht had in plaats van het alleen te probeeren want ik ben al driemaal gevallen en.... kijk eens!”
Zij tilde haar schort op en nu zag Paula een groote scheur in Annie’s jurk.
„Is het heel erg?” vroeg Paula. „Je papa let toch niet op zulke dingen?”
„Papa niet, maar juffrouw Mina wel. Zij zal zoo brommen, want gisteren heeft zij er ook al een moeten naaien, hier, kijk maar” en Annie wees op een keurig gestopte scheur.
Mina Holst of juffrouw Mina, zooals Annie haar noemde, was het kindermeisje geweest van Annie’s moeder en toen deze opgroeide en later met den heer Van Walen trouwde, was Mina bij haar gebleven. Een paar jaar na Annie’s geboorte was mevrouw Van Walen gestorven en van dat oogenblik af had Mina voor het kind gezorgd en het huishouden waargenomen. Zij hield dan ook veel van Annie en deze was op haar beurt zeer aan juffrouw Mina gehecht.
„Weet je wat?” zei Paula goedig, „kom maar even mee naar huis, dan zal ik het wel voor je naaien.”
„Pau, je bent een schat!” riep Annie blij. „Je weet niet hoe vervelend het is altijd standjes te krijgen dat je te wild bent. Wat moet het toch heerlijk zijn, hè, om een jongen te wezen, een jongenspak te mogen dragen en te mogen bokspringen, leuningglijden, fluiten en al die prettige dingen meer, zonder altijd te moeten hooren: „Annie, wees toch niet zoo wild, vergeet toch niet, dat je een meisje bent!””
Annie had Mina’s stem zoo precies nagebootst, dat Paula hartelijk begon te lachen.
„Ik dacht dat je zooveel van juffrouw Mina hield,” merkte zij op.
„Natuurlijk, zij is een schat en ik ben dol op haar, maar die eeuwige standjes zijn zoo onuitstaanbaar.”
Intusschen waren de meisjes voor Paula’s woning aangekomen. Zij leunden de fiets tegen het huis en gingen binnen door een achterdeur, die overdag meestal open stond.
„Ga maar gauw mee naar mijn kamer,” zeide Paula, „moeder kan je straks wel goedendag zeggen, als ik de jurk genaaid heb.”
Zij nam Annie mee naar een allerliefste kamer, die wel niet groot en rijk gemeubeld, maar met veel smaak ingericht was, een echte jongemeisjes kamer met licht behang met rose rozen, met kanten gordijnen, die met rose linten werden opgenomen, voor het venster, en, wat vooral steeds Annie’s bewondering had opgewekt, dat was de keurige toilettafel met de strook van wit neteldoek over rose satinet, terwijl de neteldoekschen gordijnen, die den spiegel omlijstten, van boven door een groote rose strik werden vastgehouden.
„Heeft je ma dit nu heelemaal voor je gemaakt?” vroeg zij met haar hand over het neteldoek strijkende.
„Ja, en het kleedje op tafel ook, wat verwent moes mij, he? maar wij zijn ook maar met ons beidjes, dus heeft moeder wel tijd om nu en dan wat voor mij te maken en dat doet ze zoo graag, die beste moes.”
Al pratend had Paula een naaidoosje voor den dag gehaald en nu begon zij handig Annie’s jurk te naaien.
„Er valt gelukkig juist een plooi over,” zeide Paula; „je zult er niets van zien.”
„Dank je duizend maal, hoor!” riep Annie dankbaar, „je hebt mij een heele preek bespaard.” Op de klok kijkende, voegde zij er verschrikt bij: „maar ik moet weg; ik had al thuis moeten zijn, tante Dora komt om elf uur.”
„Je tante Dora! de mama van die twee trotsche kinderen, die verleden jaar hier waren en zich niet met mij wilden bemoeien, omdat ik niet in een groot huis woon, zooals jij?”
„O, het zijn zulke nesten, ik kan ze niet uitstaan!” antwoordde Annie.
In de gang ontmoetten zij mevrouw Tillens.
„Zoo, is daar onze kleine Annie?” riep zij en toen het meisje naar haar toevloog, kuste zij Annie hartelijk. „Ik hoorde je zeggen dat je haast hadt, kindje,” merkte mevrouw Tillens op, „maak dus maar vlug dat je weg komt, anders laat je papa wachten en dat mag niet.”
„Mag ik dan gauw terugkomen?” vleide Annie, „het is hier bij u zoo gezellig.”
„Natuurlijk, kindje, je weet immers, dat je altijd welkom bent,” antwoordde Paula’s mama, die steeds medelijden had met het moederlooze meisje, dat ondanks haar rijkdom zooveel miste.
Paula hielp Annie op de fiets en liep naast haar voort, het rijwiel bij het stuur vasthoudende.
„Zie je wel, ik ben al te laat,” zeide Annie, toen zij midden in de oprijlaan waren en het huis reeds konden zien. „Daar komt juffrouw Mina naar buiten om te zien waar ik blijf.”
„Nu, dan keer ik maar om, dan kan je vlug door rijden,” antwoordde Paula, „tot ziens dan.”
„Dag, Pau, dank je nog wel!” riep Annie terug en nu begon zij zoo hard te trappen als zij maar kon.
Zooals meer gebeurt met menschen die pas hebben leeren fietsen, reed ook Annie meestal tegen iedereen en alles op, waarvoor zij juist wilde uitwijken. Op het oogenblik wilde zij uit den weg gaan voor juffrouw Mina, maar zonder het te willen stuurde zij regelrecht op de goede ziel aan.
„Kind, wat doe je? ga toch op zij!” riep Mina en sprong verschrikt achter een boom.
„Ik kan niet!” antwoordde Annie hijgend en het volgende oogenblik kwam zij in onzachte aanraking met den boom, waarachter Mina een schuilplaats had gezocht. Natuurlijk viel Annie met fiets en al om, doch gelukkig liep het zonder ongelukken af.
„Foei, wat doe je mij toch altijd schrikken,” stamelde Mina, terwijl zij het meisje ophielp. „En deed je dat nu heusch niet met opzet?”
„He, hoe kan u dat nu denken!” riep Annie verontwaardigd. „Weet u wat het is,” merkte zij een oogenblik later op, terwijl Mina bezig was het zand van haar jurk te kloppen. „Als ik voor iets uit den weg wil gaan, dan kijk ik er zoo strak naar, dat ik er juist naar toe rijd. Maar het zal wel overgaan, denkt u ook niet?”
„Het is te hopen, anders is het een gevaarlijk spelletje. Wat zal je doen, als je een automobiel of een rijtuig tegenkomt?”
„O, Paula wil niet, dat ik zonder haar op den straatweg rijd, voordat ik het heel goed kan en als ik met haar rijd en er komt zooiets aan, dan houdt zij mij vast en trekt mij uit den weg.”
„Een lief, verstandig meisje, die jongejuffrouw Tillens en zoo netjes, was jij maar zoo,” zeide Mina met een zucht, „dan had ik niet half zooveel moeite met je. Kom nu maar gauw mee, dat ik je wat help opknappen, want je tante is al wel een kwartier binnen en mijnheer zeide, dat je, zoodra je thuis was, in het salon moest komen.”
Annie vloog naar boven naar haar kamer en terwijl zij zich met behulp van Mina wat meer toonbaar maakte, vroeg zij: „juffrouw Mina, wat komt tante Dora hier doen, terwijl er toch niemand jarig is?”
Tante Dora, de zuster van den heer Van Walen, kwam gewoonlijk slechts ééns in het jaar, namelijk met den verjaardag van haar broer. Dan werd het beste tafelzilver voor den dag gehaald, Annie moest haar mooie jurk aantrekken en klokslag elf uur hield tante’s rijtuig, of soms automobiel voor het huis stil. Meestal was zij alleen, doch een enkel maal kwamen haar dochtertjes mee om haar oom geluk te wenschen. Annie was bang voor de deftige, trotsche dame, die nooit recht hartelijk was.
„Hoe wil ik dat nu weten, Annie,” antwoordde Mina op Annies vraag: „je tante zal het mij niet vertellen. Ik denk dat mevrouw komt kijken, hoeveel scheuren je deze week in je nieuwe jurk hebt gemaakt en of je altijd nog even wild bent als vroeger, ziezoo, nu zit je haar netjes, ga nu maar gauw naar beneden, je hebt mijnheer al lang genoeg laten wachten.”
Annie liep veel langzamer naar beneden dan zoo straks naar boven en toen zij den knop van de salondeur omdraaide, bonsde haar hartje als een hamer.
„Ah, daar is onze kleine wildzang eindelijk,” zeide haar vader, toen zij binnenkwam en naar haar tante toeging om deze te begroeten. „Kom eens hier, kleine meid en hoor eens, wat wij je te vertellen hebben. Het is groot nieuws en ik vond het beter je er nog niets van te zeggen, vóórdat ik alles met tante Dora had afgesproken.”
„Maar wat dan toch, papa? Wat is het nieuws, is het prettig?” vroeg Annie, terwijl zij op de leuning van mijnheer Van Walens stoel ging zitten.
„Annie,” merkte haar tante op, „is het bepaald noodig, dat je op de leuning van een stoel zit? Hier naast mij staat anders nog een stoel en geheel leeg, zou je daar niet liever op plaats nemen?”
„Ja, kleine, ga naast tante zitten, dan zullen wij je alles vertellen.”
„Zoo dikwijls ik hier ben geweest,” liet tante er nog op volgen, „heb ik Annie nog nooit vijf minuten achtereen als een gewoon mensch op een stoel zien zitten. Altijd klom zij op de leuning of op de tafel, iets, dat ik mijn meisjes streng verboden heb.”
Annie kreeg een kleur, zette zich op het puntje van den door tante aangewezen stoel, en keek haar vader vragend aan.
„Het nieuws is, Annie, dat je een poos bij tante gaat logeeren, omdat ik voor zaken naar Engeland moet. Je begrijpt dat ik je niet kan meenemen, want jij mag de school niet verzuimen.”
„U weg en ik naar tante, voor hoelang?” riep Annie zoo verschrikt, dat tante niet kon nalaten te zeggen:
„Hm, je bent wel beleefd. Ik heb mijn meisjes altijd geleerd de beleefdheid in acht te nemen.”
„O, ja, tante, ik vind het heel aardig om bij u te gaan logeeren,” zeide het arme kind. Eensklaps scheen zij echter op een inval te komen. „Zou het niet beter zijn, pa, als ik zoolang bij mevrouw Tillens ging, dan hoefde ik niet van school te veranderen. Het is immers niet voor lang, pa?”
Voordat de heer Van Walen kon antwoorden, liet tante Dora zich hooren:
„Neen, Annie, dat gaat niet; het is beter, dat je bij mij komt. Ik heb altijd aan je papa gezegd, dat die jongejuffrouw Tillens geen goed gezelschap voor je is; wij weten niets van die menschen af en dat meisje wordt belachelijk door haar moeder verwend, bovendien is zij veel te oud voor je, terwijl Coba en Laura zoowat van je eigen leeftijd zijn. Het is ook heel goed voor je dat je eens voor een poosje van die dorpsschool afkomt.”
Annie durfde niets meer te zeggen, maar zij keek zoo ongelukkig, dat haar vader troostend zeide: „In ieder geval blijf ik nog tot September thuis, hoor kleine, dus zijn wij nog een heele maand samen. Ga nu maar spelen, want ik heb nog veel met tante te bespreken en aan de koffie zal ik je alles vertellen, wat je nog weten wilt.”
„Een goed meisje, maar nog erg ongemanierd,” merkte mevrouw Stubbens (zoo heette tante Dora) op, toen Annie de kamer uit was. „Zij zal nog veel moeten leeren.”
„Je moet niet vergeten, dat zij vanaf haar derden jaar de moederlijke leiding gemist heeft,” antwoordde haar broer. „Mina Holst is een best meisje,” voegde hij erbij, „maar niet de geschikte opvoedster voor een meisje van Annie’s leeftijd. Daarom ben ik zoo blij, Dora, dat jij zoolang de zorg voor het kind op je wilt nemen en ik hoop, dat je een tweede moeder voor haar zult zijn.”
„Zij zal in alles gelijk opgaan met mijn meisjes,” zeide mevrouw Stubbens, „ik zal geen onderscheid maken, dat beloof ik je.”
Intusschen was Annie het huis uitgesneld om nog gauw vóór koffietijd alles aan haar vriendin te gaan vertellen. Paula zag haar reeds uit de verte aankomen en benieuwd om te weten wat zij te vertellen zou hebben, liep zij Annie te gemoet.
„Hè, Annie, je hebt gehuild. Waarom? wat scheelt eraan?” riep zij toen haar vriendinnetje bij haar was.
„O Pau,” antwoordde Annie, die werkelijk geschreid had, maar nu moedig haar tranen terugdrong; „ik moet van hier weg, ik moet bij tante Dora gaan logeeren. Papa gaat naar Engeland en het schijnt voor langen tijd te zijn, want ik ga met Coba en Laura naar school.”
Paula wist niet goed, wat zij zeggen moest om haar vriendinnetje te troosten. Zij vond het zelf heel akelig haar te moeten missen en ook vooral voor Annie, omdat zij wist, dat deze niet van haar nichtjes hield.
„Kom mee naar mama,” zeide zij, haar arm om Annie’s hals slaande, „mama zal je wel weten te troosten.”
„Het spijt mij heel erg, dat je weggaat, Annie,” zeide mevrouw Tillens toen haar alles verteld was, „en Paula zal je vreeselijk missen, maar voor jou is het toch niet zoo héél erg, kindje. Het is wel akelig voor je van je papa af te moeten, maar je gaat naar een mooie groote stad waar alles nieuw voor je is en dan is er nog iets, dat je vergeet, ik bedoel je jongste nichtje, waarvan je mij verteld hebt en waarvan je zooveel houdt. Zal het nu niet zoo prettig voor je zijn, langen tijd bij haar te kunnen logeeren? Ik wed dat het je nog wel meevalt en dan, je papa zal toch niet zoo heel lang wegblijven, zoodat wij je met Kerstmis wel weer thuis zullen hebben en dan kan je ons alles vertellen.”
Annie voelde zich werkelijk getroost, vooral door de gedachte, dat zij waarschijnlijk met Kerstmis wel weer thuis zou zijn en ook hield zij werkelijk van kleine Tine, haar jongste nichtje, een zwak kindje van vijf jaar, zoodat zij niet meer met zooveel schrik aan haar verblijf bij oom en tante Stubbens dacht en ten slotte met een vroolijk gezichtje aan de koffietafel verscheen.
Tweede Hoofdstuk.
Annie’S Aankomst.
„O, tante, wat een prachtige winkels en wat is het hier druk, o, die fietser komt stellig onder ons rijtuig.... o, o, o! tante kijk toch eens, neen, gelukkig, hij wijkt nog, juist bijtijds uit! Hé, tante, wat ’n heerlijke speelgoedwinkel.”
Annie’s mondje stond niet stil, zij verkeerde in één opwinding over al het moois dat zij zag en over al de drukte en beweging eener groote stad, waar zij slechts zeer zelden geweest was.
Tante Dora was haar met open rijtuig komen halen en hoewel er bij het afscheidnemen van haar vader en juffrouw Mina in het begin van den rit heel wat tranen gevloeid waren, had het vooruitzicht van al het nieuwe haar langzamerhand getroost, zoodat zij, toen zij een uur later de stad binnenreden, in staat was volop van al het fraaie te genieten.
„Stil toch, kind, praat niet zoo hard, ik heb altijd aan mijn meisjes geleerd, dat zij zich niet moeten laten hooren. Het doet mij plezier, dat je alles zoo mooi vindt, maar je moet niet zoo’n leven maken.”
Zij lieten de vroolijke winkelstraten achter zich liggen en reden nu door een stille deftige buurt met groote heerenhuizen. Voor één van deze hield het rijtuig stil. De palfrenier schelde aan en bijna onmiddellijk werd door een keurig dienstmeisje de deur geopend en een oogenblik later stond Annie in de ruime vestibule van haar nieuwe tehuis.
Nauwelijks was zij binnen of Annie hoorde een vroolijke jongensstem roepen:
„Zeg, moes, bent u daar en hebt u Annie meegebracht?” en voordat het meisje recht wist wat er gebeurde, kwam er langs de statige trapleuning iets naar beneden glijden. Het ging zoo vlug, dat zij niet kon zien wat het was, totdat zij haar tante op berispenden toon hoorde zeggen: „Maar, Thomas, hoe dikwijls moet ik je dat nu toch verbieden? Het is zoo vreeselijk gevaarlijk!”
Toen bemerkte Annie, dat het niet, zooals zij eerst gedacht had, een groot pak was geweest, dat men langs de leuning naar beneden had geworpen, maar een jongen van een jaar of twaalf, die nu tante Dora hartelijk omhelsde.
„Die moes is altijd zoo bezorgd voor haar Thomasje, niet waar, moedekie? Maar wees maar niet bang, hoor, onkruid vergaat niet!” En tante Dora ... glimlachte.
In stomme verbazing zag Annie dit tooneel aan. Hoe durfde hij zoo met die deftige, stijve tante Dora omspringen en zij werd er niet eens boos om! daar begreep Annie niets van.
Nu liet Thomas zijn moeder los en kwam naar Annie toe.
„Ben jij nu ons nieuwe nichtje? Hoe toevallig, hè, dat ik de keeren dat jij hier kwam, juist niet thuis was. Welkom hier, hoor, ik ben blij, dat je gekomen bent. Ga je nu mee, dan zal ik je mijn konijnen en vogels laten zien.”
„Misschien wil Annie liever eerst naar haar kamer, Thomas, dan kan je haar straks je moois wel laten kijken.”
„Neen, dank u, tante, maar kan ik Tineke niet eerst goedendag zeggen?”
„Tine is naar Fröbelles, daar gaat zij tegenwoordig iederen morgen heen, om haar alvast aan het schoolgaan te wennen.”
„Mag ik dan met Thomas mee naar den tuin?” vroeg Annie.
„Zeker, maar denk eraan, half één precies aan de koffie, hoor,” en tante Dora ging naar boven, terwijl Thomas zijn nichtje bij de hand nam en meetrok naar den tuin.
„Zeg, Annie,” zeide hij, „je moet geen Thomas tegen me zeggen, maar Tom, dat is veel gemakkelijker en alleen mama en papa noemen mij Thomas, en zeg, weet je, waarom ik zoo blij ben, dat je gekomen bent,” voegde hij erbij, toen zij aan het konijnenhok gekomen waren en hij Annie zijn mooiste konijn in de armen had gelegd, „omdat ik hoop op je heb.”
„Wat bedoel je?”
„Wel ik heb hoop, dat je niet zoo’n nuf bent als Coba en Laura; jij bent immers zoo wild.”
„Ik wild,” riep Annie verontwaardigd en zij nam haar deftigste houding aan, „hoe kom je erbij? Ik ben al bijna elf en dan is men niet meer wild.”
„Nu, wij zullen zien. Als je papa bij ons was, sprak hij altijd van „mijn kleine wildzang,” dat was jij dan, zie je.”
„Ach, dat zei papa maar zoo, dat meende hij niet.”
En nu wandelde Annie, nadat zij de konijnen genoeg bewonderd en weer in het hok teruggezet hadden, als een zeer net meisje naast Tom den tuin door naar de volière, waar hij allerlei mooie en vreemde vogels had.
„Wat ’n prachtige fazanten, Tom, en wat zijn die duiven snoezig! laat je die nu vrij uitvliegen?”
„Ja en dan komen ze vanzelf weer in hun hok terug, vind je dat niet leuk? ik heb er tien en er is tot nu toe nog geen een weggeraakt.”
Nog een poos bleven zij naar de vogels kijken en toen kwam Tom op een inval.
„Zeg, Annie, wij zijn hier toch alleen, willen wij samen bokspringen? Zoo om beurten, je weet wel, eerst mag jij springen en dan ben jij bok en spring ik en zoo dit pad af, heerlijk!”
Annie’s oogen begonnen te schitteren en Annie, die al bijna elf en dus niet meer wild was, nam met graagte het voorstel aan.
„Jammer toch, dat jij geen jongen bent,” merkte Tom eindelijk op, toen zij naar hartelust gesprongen hadden en nu samen op het gras zaten uit te rusten. „Je weet niet hoe saai het is met niets dan meisjes thuis!”
„Waarom ben je nog niet naar school?”
„Het gym begint eerst Dinsdag, maar de meisjesschool is al begonnen, jij zult er morgen wel heen moeten.”
„Neen, ik ga Maandag voor het eerst. Het is al Donderdag, dus deze week niet meer de moeite waard, zeide tante.”
„Dat treft prachtig! kan je fietsen? ja? nu, als moes het dan goed vindt, zullen wij morgen naar buiten fietsen, dan zal ik je laten zien, waar wij van den zomer geweest zijn en na de vacantie op vrije middagen nog wel eens heengaan. Het is niet zoo heel ver; je zult zien hoe leuk het is. De andere lui en ik hebben daar een fort gebouwd en dan verdeelen wij ons in twee partijen, belegerden en belegeraars en als Coba en Laura mij een heele week niet geplaagd hebben, dan mogen zij en Tineke ook mee. Dan zijn zij drie vrouwen, die in het kamp in veiligheid gebracht en door de mannen beschermd worden. En nu kan jij ook meedoen.”
„Maar ik heb geen bescherming noodig. Mag ik niet met de mannen meevechten?”
„Zie je wel dat je wild bent. Zooeven heb je wat lekker bok gesprongen en nu wil je met de mannen meevechten in plaats van je op een veilige plaats door ons te laten beschermen; daar zijn jullie, vrouwen, toch voor. Maar ik weet wat,” voegde hij er na eenig nadenken bij, „je kunt marketentster zijn. Wil je dàt dan?”
„Dat is ten minste beter, dan daar zoo vervelend niets te doen zooals die drie anderen.”
„Maar zij hebben wel degelijk wat te doen. Zij moeten gillen van angst als er op het fort geschoten wordt en zij moeten flauw vallen. Den laatsten keer hebben wij Tine, om haar weer bij te brengen zoo nat gegooid, dat zij wel een half uur in de zon heeft moeten zitten om te drogen, want zij mocht natuurlijk niet met die natte jurk naar huis, dan hadden wij een standje gehad.”
Toen zij genoegzaam waren uitgerust, wandelden de kinderen naar huis terug en aan de koffietafel ontmoette Annie haar oom, die bij haar aankomst niet thuis was geweest, en haar nichtjes.
„Welkom hier, kleine meid,” had de heer Stubbens tot haar gezegd, toen hij haar begroette; „ik hoop, dat jij je hier thuis zult voelen en dat jullie, kinders, goed met elkaar zult kunnen opschieten.”
Op haar dringend verzoek mocht de kleine Tine naast Annie zitten, die zij telkens met een blij lachje aankeek.
„Ik mag vanaf Maandag alleen naar de les,” vertelde zij trotsch, „dan wordt ik niet meer gehaald en gebracht.”
„Is dat waar, ma, mag dat kleine spook al alleen gaan?”
„Ja, Thomas, ik vind het goed dat zij al vroeg zelfstandigheid leert; zij is veel te bang en dat moet eruit.”
„Dat komt omdat zij zoo klein is,” merkte Torn wijsgeerig op, „Beppie van hiernaast is vier en een half en veel grooter dan zij.”
Annie dacht aan een van haar boeken, waarin een klein meisje dat tegen het verbod van haar moeder alleen de straat op was geloopen, door een automobiel was overreden, en angstig keek zij naar haar kleine buurmeisje.
„Is het ver loopen, Tine?”
„Ach, wel neen!” antwoordde tante Dora voor het kleintje, „geen tien minuten. Kijk dus maar niet zoo angstig, Annie.”
„Meisjes,” zeide mevrouw Stubbens na de koffie tot Coba en Laura, „jullie hebt, voordat je weg moet, nog tijd om Annie te helpen haar kamer wat gezellig te maken, ga dus met haar naar boven.”
Annie vond het alles behalve prettig; veel liever was zij met Tom en Tine in den tuin gaan spelen, maar zij durfde natuurlijk niets te zeggen.
Zij had een mooie frissche kamer gekregen, die op den tuin uitzag, zoodat zij niet in de vroegte door de drukte van de groote stad gewekt zou worden.
Annie maakte haar koffer open en haalde daaruit platen te voorschijn, waarmee zij nu met behulp van haar nichtjes de wanden begon te versieren. Ook had zij eenige étagère voorwerpen meegebracht, die zij op den schoorsteenmantel neerzette en toen alles klaar was, moesten zij alle drie bekennen dat de kamer er veel gezelliger uitzag. „Die dingen zijn allemaal uit mijn kamer,” zeide Annie, „en deze kamer lijkt zoo op de mijne, dat het nu net is of ik weer thuis ben, zelfs de gordijnen zijn dezelfde.”
„Ja, dat heeft ma met opzet gedaan. Je hebt deze kamer gekregen, omdat zij net als de jouwe op den tuin uitkijkt en bijna dezelfde meubels heeft, ook mahoniehout met rood,” merkte Coba op, „je mag er ma wel voor bedanken.”
„Natuurlijk,” antwoordde Annie, die boos was, omdat Coba meende, dat het noodig was haar hieraan te herinneren.
„Jij gaat Maandag eerst naar school, hè?” vroeg Laura.
„Ja, maar Zaterdag gaat je ma met mij naar de directrice en moet ik examen doen voor de vijfde.”
„Ik zit ook in de vijfde,” zeide Laura „en Clara van Scheik, Marie Munster en Emmy van Spechten ook. Ik ben benieuwd of je bij ons komt te zitten.”
Toen de meisjes eindelijk weer naar school waren, ging Annie ook naar beneden om haar tante te zoeken.
Deze kwam juist de gang door en nu sloeg Annie in de dankbaarheid van haar hartje beide armen om tantes hals en gaf haar een hartelijke kus. „Dank u, tante,” zeide zij, „ik ben zoo blij met die kamer, ze is net de mijne.”
Mevrouw Stubbens was eerst verwonderd over die onstuimige omhelzing; zij was zooiets van haar eigen meisjes niet gewoon.
„Pas op, meisje, je kreukt mijn japon,” zeide zij. „Het doet mij genoegen, dat de kamer naar je zin is, maar je moet niet zoo wild zijn.”
Derde Hoofdstuk.
Het Fort.
Toen Annie den volgenden morgen wakker werd, scheen de zon vroolijk haar kamer binnen. Het eerste oogenblik was het haar wel vreemd, dat zij niet thuis in haar eigen bedje lag, maar toen zij goed wakker was, herinnerde zij zich alles, vooral ook, dat Tom haar beloofd had met haar te gaan fietsen. Zij hoopte nu maar, dat tante het goed zou vinden, want zij verlangde om het fort te zien.
„Ik zal het zelf aan moeder vragen,” had Tom haar gezegd. „Je zult zien, dat het dan wel mag.”
Aan het ontbijt zeide hij dan ook; „Moesje, als ik u iets vraag, zegt u dan ja?”
„Hoe kan je zulke dwaze dingen zeggen, Thomas, ik moet toch eerst weten, wat je te vragen hebt.”
„O, het is heel onschuldig, u kunt er geen neen op zeggen.”
„Thomas, doe nu niet zoo kinderachtig,” bracht zijn vader in het midden, „vraag nu kalm aan mama, wat je te vragen hebt en draai er niet zoo omheen.”
„Nu, dan, ma, mag ik met Annie gaan fietsen?”
„Moet je daar nu zooveel omwegen voor gebruiken, malle jongen?” antwoordde zijn moeder, „daar steekt toch geen kwaad in, als je maar zorgt, dat je op tijd aan de koffietafel bent. Maar, vóór alles moet ik natuurlijk weten waar jelui heengaat.”
„Ik wilde Annie het fort laten zien. Zij mag later ook meespelen, hé, ma?”
„Wat de meisjes mogen, mag Annie ook, maar denk er nu om, om half één thuis, hoor.”
„Je ijzeren paard staat klaar, Annie,” riep Tom een half uur later aan de trap, toen Annie naar boven was gegaan om zich klaar te maken.
Toen zij eindelijk beneden kwam, bekende zij verlegen; „ik moet je nog wat zeggen, Tom, ik kan het nog niet héél goed. Ik kan nog niet alleen opstappen.”
„Dat is niets hoor,” merkte hij goedig op, „ik zal je wel helpen en je door de drukte heenbrengen. Je kunt immers wel los rijden?”
„Ja, dat wel, maar ik slinger nog zoo.”
„Nu, wij zullen wel zien. Je hebt immers een man bij je om je te beschermen.”
Hij hielp haar opstappen en toen zij op gang was, sprong hij op zijn eigen fiets en vroolijk reed het tweetal weg. Annie’s rijkunst viel Tom na haar bekentenis nogal mee en toen zij ongeveer drie kwartier over een open landweg hadden gereden, kwamen zij aan een heerlijke beschaduwde laan.
„Wij zijn er dadelijk,” zeide Tom. „Die boomen daar aan je rechterhand zijn van het buiten van mijnheer Boots, die naast ons woont, de papa van Beppie en dat is Rustoord, ons buiten, waar wij iederen zomer heengaan tot de scholen weer beginnen.”
Zij reden een prachtig hek binnen, waarbij Tom Annie moest vasthouden om te beletten, dat zij tegen de zware steenen pilasters zou aan rijden, en daarna door een breede oprijlaan naar het huis.
„Hier zullen wij afstappen,” riep Tom van zijn fiets springende, om daarna Annie te helpen. „Straks, als wij nog tijd hebben, zal ik je leeren op- en afstappen, maar nu eerst naar het fort. Zullen wij er om het hardst heen loopen, of ben je moe?”
„Wel een beetje,” bekende Annie met tegenzin, want zij was bang, dat Tom het flauw van haar zou vinden, dat zij zoo gauw moe was.
„Dan weet ik wat, wacht hier maar even.” En hij verdween achter het huis.
Een oogenblik later kwam hij terug met een aardig, licht wagentje, voorzien van twee disselboomen, waar hij als paard tusschenin liep.
„Wil mevrouw maar instappen? Ziet u, mevrouw, het is nog een heel eindje loopen en aangezien u moe bent van uw ongewoon langen fietstocht zal ik u hierin naar het fort brengen. Dit was vroeger mijn bokkewagen, maar nu ben ik natuurlijk te groot om mij door een bok te laten trekken.”
„Wat aardig van je, Tom,” zeide Annie instappende, en zij voelde zich wat deftig, toen zij door hem over de goed onderhouden paden van Rustoord werd voortgetrokken.
Eindelijk hield Tom stil en keerde zich om. „Zie je daar tusschen die boomen door die vlag?” vroeg hij. „Dat is de vlag van het fort.”
Annie stapte uit haar wagentje en te ongeduldig om het pad te volgen, baanden de kinderen zich een weg door het kreupelhout tot zij aan een groote open ruimte kwamen, waar middenop het fort stond.
„Nu, waarom zeg je niets?” vroeg Tom teleurgesteld, toen Annie zweeg. „Vind je het niet mooi?”
„Het is prachtig, Tom, ik had nooit gedacht dat het zoo echt zou zijn, met een echte poort! en het is zoo groot! wie heeft het gemaakt?”
„Mijn vrienden en ik en een enkelen keer heeft de tuinman geholpen en toen het klaar was, is papa komen kijken en heeft hij ons die mooie vlag gegeven.”
Het fort, dat de jongens van zand en de steenen van een afgebroken schuur vervaardigd hadden, was werkelijk alleraardigst en zoo groot, dat zij er gemakkelijk met hun zessen in konden, terwijl er dan zelfs nog plaats overbleef voor de meisjes.
„Zie je,” vertelde Tom, „als de meisjes erbij zijn, maken wij voor haar een zonnetent en dan leggen wij kleedjes op den grond, omdat anders hun jurken vuil worden, maar je zult het wel zien, als wij hier met de anderen terugkomen. Het is alleen vervelend, dat Co en Lau zulke stijve nuffen zijn; zij zijn altijd bang om hun handen vuil te maken en je moet niet denken, dat zij ooit eens zullen helpen als er gauw, voordat de vijand komt, een bres in den muur hersteld moet worden. Dat zou jij wel doen, hè?”
„Natuurlijk, maar tante wil niet hebben, dat zij zich vuil maken en dat mag ik natuurlijk ook niet, maar als het noodig was, zou ik je toch wel helpen.”
Annie was verrukt over het fort, dat zij zich lang niet zoo mooi had voorgesteld. Zij vond het dan ook een waar kunststuk.
„Ja,” hervatte Tom, die met trots Annie’s uitingen van bewondering had aangehoord, „het is een heel werk geweest, maar natuurlijk gaat er wel eens iets stuk. Nu zal ik je nog meer vertellen. Zie je daar dien koepel bovenop die hoogte? Papa noemt het de belvédère, maar voor ons is het een oud ridderslot, waar de burchtvrouwen Laura en Coba met het kind Tineke wonen. En dan komen wij, roofridders de burcht overrompelen en voeren de vrouwen weg naar ons fort, maar soms ontvoeren wij alleen het kind en dan bieden wij de bewoonsters van de burcht aan een losprijs te betalen en als zij dat gedaan hebben krijgen zij dadelijk het kind terug.”
„Hè, Tom, je weet niet hoe ik verlang om mee te doen, maar ik zou je dien losprijs niet geven hoor.”
„Zoo, wat zou je dan doen, het kind in onze handen laten?”
„Neen, ik zou mijn getrouwen oproepen en met hen samen het fort overvallen en Tine bevrijden. Zeg, Tom,” voegde zij erbij, „laten wij nu eens die hoogte opklimmen naar den koepel, ik zou het zoo aardig vinden om vandaar naar beneden te kijken.”
Tom keek op zijn horloge, een zilveren, dat hij met zijn laatsten verjaardag had gekregen en knikte toestemmend. „Wij hebben nog wel tijd, vooruit dan maar, wie het eerst boven is. Eén, twee, drie!”
Zij stormden het pad op, dat in een spiraal om de hoogte heen naar boven leidde en hijgend kwamen zij aan. Tom met zijn lange jongensbeenen natuurlijk het eerste.
„Dat scheelde toch weinig, hé?” riep Annie op een bank vóór den koepel neervallende, „bijna had ik je ingehaald.”
„Ja, je kunt goed loopen, maar kom nu eens hier kijken,” antwoordde Tom op het stevige hek leunende, dat boven was aangebracht om naar beneden vallen te verhoeden. „Zie eens wat een mooi uitzicht je van hier hebt.”
„Wat is dat mooi en wat is het fort van hier gezien klein,” riep Annie in verrukking.
„Sst,” zeide Tom eensklaps, zijn vinger op zijn mond leggende, „kijk eens daar rechts tusschen de boomen, zie je daar niemand bewegen?”
Annie keek in de bedoelde richting en zag nu ook tusschen de takken en bladeren door de gedaante van een man, maar zij kon niet zien, wat hij daar deed.
„Wie is dat, Tom?” vroeg zij, „er mag hier toch niemand in, of is het de huisbewaarder?”
„Neen, kijk, daar gaat hij weg. Het was Koos, de zoon van den tuinman, die nu huisbewaarder is. Ik weet best, wat hij gedaan heeft en papa heeft gezegd, dat hij weggejaagd zou worden, als papa het ooit weer van hem merkte en dat zou vreeselijk zijn, heeft zijn moeder mij gezegd, want zij weet niet wat zij dan met hem beginnen moet, want op school wilde hij ook al niet oppassen. Zijn moeder huilde zoo, toen zij het mij vertelde. Kom gauw mee dan kunnen wij ze nog wegnemen, voordat papa ze gezien heeft.”
„Maar wat dan toch. Je hebt mij niet eens gezegd, wat hij eigenlijk gedaan heeft.”
„Wel, hij zet lijmstokken uit om vogels te vangen. Gemeen, hé? Hij verdiende eigenlijk, dat ik hem door papa liet betrappen, maar zijn moeder huilde zoo.” Zij liepen het pad af naar beneden, waar zij Koos gezien hadden en Tom vond dadelijk den lijmstok, dien hij wegnam en in den grooten vijver wierp, die zich daar in de buurt bevond.
„Die arme vogeltjes, gelukkig dat er nog geen een opzat,” zeide Annie. „Weet je zeker, dat dit de eenige stok was, Tom?”
„Hier zie ik er geen meer en wij moeten maar hopen, dat er geen meer zijn, want wij hebben geen tijd om het heele park door te zoeken en dat is ook geen doen. Maar, Annie, je moet er thuis maar niets van zeggen, dat wij dat stokje gevonden hebben, want dan stuurt papa Koos stellig weg.”
Annie beloofde hem te zullen zwijgen, waarna de twee kinderen naar huis terugkeerden.
Vierde Hoofdstuk.
De Lijmstokken.
„Verbeeld je, Dora,” zeide de heer Stubbens dien middag aan tafel, „nu heb ik van middag op Rustoord toch weer lijmstokken gevonden. Bij het weggaan viel toevallig mijn oog op den grooten kastanjeboom en daar had die kwajongen er weer een paar in vastgezet. Ik had geen tijd meer om terug te loopen en hem te zeggen, waar het op stond, maar nu is het uit; morgen zal ik aan Barend zeggen, dat ik den jongen niet langer in het park wil zien. Hij moet weg.”
„Pa,” begon Tom verlegen.
„Wat is er, jongen?”
„Pa, Koos heeft die lijmstokken er dezen keer niet ingezet, ik heb het gedaan.”
„Wat zeg je daar!” stoof mijnheer op. „Jij, een welopgevoede jongen voert zulk kattekwaad uit, terwijl je weet, dat ik het aan de bedienden streng verboden heb? Ga onmiddellijk naar je kamer en blijf daar tot ik je permissie geef er weer uit te komen. Over die zaak zullen wij nog wel eens nader spreken; je moest je schamen!”
Tom stond stil op en verliet de kamer, terwijl hij onderweg Annie, die wat zeggen wilde een wenk gaf om te zwijgen.
„Neen, Annie,” vervolgde de heer Stubbens, toen hij dit zag, tegen haar, „het geeft niet of je nu al een goed woord voor Thomas wil doen, hij zal, hoop ik, zelf voelen, dat ik dit niet ongestraft kan laten.”
Een paar dikke tranen rolden langs Annie’s wangen, maar zij zeide niets. Ook tante Dora en de meisjes durfden niets in te brengen, want zij wisten evenals Annie, wanneer de heer Stubbens eenmaal iets gezegd had, dan bleef hij er bij.
Toen deze een half uur later in zijn studeervertrek zat, werd er zacht op de deur getikt en op zijn „binnen” trad Annie beschroomd de kamer in.
„Zoo, kleine meid,” zeide haar oom vriendelijk, „kom je toch nog eens probeeren een goed woordje te doen voor Thomas. Het is heel lief van je, kindje, maar je weet toch, dat als ik eenmaal iets gezegd heb, dan moet het ook gebeuren. Thomas is heel ondeugend geweest en daarvoor moet hij gestraft worden.”
Terwijl zij haar oom zoo hoorde spreken, had Annie langzamerhand haar verlegenheid verloren, zoodat zij nu moedig naar de tafel stapte, waaraan haar oom zat, en zeide:
„Tom is heelemaal niet ondeugend geweest, hij is juist heel goed geweest.”
„Wat zeg je daar?”
„Ach ja, oom, ziet u, ik had Tom, ik bedoel Thomas, beloofd het niet te vertellen, maar nu moet ik het toch doen, is het niet zoo?”
„Ik weet niet wat het is, wat je te vertellen hebt.”
„Thomas heeft het niet gedaan, oom, Koos deed het.”
„Koos! Maar waarom heeft Thomas dan gezegd dat hij het gedaan had?”
„Omdat Koos zijn moeder zoo gehuild had.”
Onder het spreken was Annie dichterbij gekomen, totdat zij nu vlak naast haar oom stond. „Oompje,” vleide zij, „ik zal u alles vertellen, maar dan moet u ook niet boos op hem zijn, hè? en ook niet op Koos, nu Thomas dit gedaan heeft om hem te helpen?” en zij keek zoo smeekend naar den heer Stubbens op, dat deze niet kon nalaten te glimlachen.
„Klein vleistertje,” zeide hij, „vertel mij nu eerst maar eens alles wat er gebeurd is, dan zullen wij wel verder zien.”
Nu vertelde Annie naar waarheid hoe de zaak zich had toegedragen en wat Thomas haar verteld had van de moeder van Koos, die toch al zooveel verdriet had van haar zoon en nu doodsbang was, dat de heer Stubbens hem zou wegsturen.
„Zoo, zoo,” zeide oom, toen Annie had uitgesproken, „is dat de geschiedenis. Ik ben heel blij, dat je mij alles verteld hebt, Annie, want nu weet ik, dat Thomas die lage streek niet heeft uitgevoerd. En dat hij de schuld ervan op zich heeft genomen, om een ander te helpen was wel heel goed van hem, dat zouden niet veel jongens met zoo’n strengen papa hem hebben nagedaan, maar, kleine, om dat te doen, heeft hij mij voorgejokt en dat was niet goed van hem en dat zal ik hem wel degelijk onder het oog brengen. En maak jij je nu maar niet ongerust dat Thomas boos zal zijn, omdat jij zijn heldendaad verklapt hebt, want daar behoeft hij niets van te weten; hij zal mij zelf de waarheid zeggen.”
„Dat zal hij nooit doen, oom, als hij Koos daardoor in gevaar brengt.”
„Hij moet wel, Annie. Het was heel dom van mij, dat ik er niet eerder aan gedacht heb, maar ik kan Thomas bewijzen, dat hij het niet gedaan heeft.”
„En Koos, nu, oom?”
„Koos moet weg. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd.”
„Dat is dan mijn schuld; dat heb ik gedaan!” en Annie begon te huilen.
„Neen, neen, Annie, jouw bekentenis heeft er niets mee te maken, hij zou toch gegaan zijn. Maar zijn moeder zal er geen verdriet van hebben, hoor, wees maar niet bang. Ik heb al een goede plaats voor hem gezocht.”
„U bent een best oompje,” zeide Annie en gaf den heer Stubbens een hartelijken kus. „Mag ik nu aan Thomas gaan zeggen, dat hij weer van zijn kamer mag?”
„Neen, wacht maar, ik zal wel naar hem toegaan, ik moet met hem spreken.”
Annie ging heen en een oogenblik later begaf de heer Stubbens zich naar de kamer van zijn zoon.
Tom zat zijn vacantiewerk te maken en keek verwonderd op, toen zijn vader binnenkwam.
„Ik kom eens met je spreken, Thomas,” begon deze, „vertel mij nu eens, wat er eigenlijk vandaag gebeurd is.”
Tom kreeg een kleur als vuur en zweeg. Hij voelde, dat het hem niet gemakkelijk zou vallen een geheel verzonnen verhaal op te disschen.
„Zie je, Thomas,” vervolgde zijn vader, „ik weet, dat jij die stokjes niet in den boom vastgezet kan hebben. Zoo straks dacht ik daar niet aan, maar het is zoo klaar als de dag. Ben je vanmiddag nog op Rustoord geweest?”
„Neen, pa.”
„Nu, hoe kan jij dan in den kastanjeboom lijmstokken gezet hebben, die er nog niet in waren, toen ik om drie uur op Rustoord kwam?”
Tom wist niets te antwoorden.
„Luister eens, Thomas,” zeide de heer Stubbens een hand op den schouder van den jongen leggend, „het was heel goedhartig van je dat je om Koos te helpen zijn schuld op je nam, maar toch had je moeten bedenken, dat het nooit, onder welke omstandigheden ook, goed kon zijn, dat je mij voorjokte. Je hebt daar niets meer mee bereikt en zou daar ook nooit iets meer mee bereiken, dan wanneer je mij vertrouwd hadt. Ik was toch niet van plan om Koos hier te houden, maar ken jij je vader nu zoo weinig, dat je kon denken, dat ik zijn ouders, die goede oppassende menschen zijn, het verdriet zou aandoen om dien jongen zoo maar weg te zenden, zonder meer?”
„Daar was ik bang voor, pa.”
„Nu, stel je dan maar gerust; ik heb voor Koos een goede betrekking gezocht en als hij wil, kan hij daar vooruitkomen. Maar, jij mag niet meer jokken, hoor, jongmensch.”
„Neen, pa, nooit meer,” beloofde Tom merkbaar opgelucht, dat alles zoo goed was afgeloopen en dat hij er zoo goed afkwam.
De heer Stubbens ging weer naar beneden en Tom ging Annie zoeken om haar alles te vertellen.
Toen Annie bij haar oom geweest was, ging zij naar de zitkamer van haar nichtjes. Zoodra zij binnenkwam, zeide Coba:
„Wat laag van Tom, hè, net zoo’n straatjongen, om daar lijmstokken neer te zetten. Wat had hij nu met die vogels willen doen? hij heeft er toch al genoeg. Met zoo’n jongen wil ik niet meer spelen. Wie weet, wat hij nog zou uithalen, als wij er bij waren. Ik ga niet meer mee naar het fort.”
„Nu, ik zou je ook wel danken,” voegde Laura erbij, „ik doe ook niet meer mee. Hij moest zich schamen.”
Annie werd vuurrood van drift en stampvoetend riep zij heftig: „Jullie moest je schamen, Tom niet. Hij heeft het niet eens gedaan. Hij heeft dat maar gezegd om Koos te helpen. Die heeft het gedaan en Tom wist, dat je pa Koos zou wegzenden als hij het nog eens deed.”
„Kind, houd je kalm,” zeide Coba, het oudste van de twee zusjes, „wat hebben de buren ermee noodig. Als Tom toch zelf zegt, dat hij het gedaan heeft, hoe kunnen wij dan ruiken, dat het niet zoo is? Wat zeg jij, Laura?”
Laura antwoordde niet, maar keek verlegen voor zich, terwijl Annie zonder verder iets te zeggen de kamer verliet om aan haar vader en aan Paula te schrijven. Op de trap ontmoette zij echter Tom, die haar juist was gaan zoeken en haar nu alles vertelde, wat zijn vader aan hem gezegd had.
„Leuk, dat ik er zoo af kom, hè,” merkte hij op. „Het zou toch saai geweest zijn als ik bij voorbeeld op de vrije middagen niet meer naar Rustoord had mogen gaan, want zooiets zou het geweest zijn, dat weet ik zeker.”
„Zeg, Tom,” bekende Annie nu, „ik heb het toch aan oom verteld, ben je nu erg boos?”
„Ach het komt er nu immers niet meer op aan. Laten wij er maar niet meer over praten. Ik ga mijn werk afmaken.”
„En ik ga aan papa en aan Paula schrijven,” riep Annie, terwijl zij de trap opging naar haar kamer.
Behalve aan haar vader en haar vriendin schreef zij ook nog een briefje aan Mina, die nog een paar dagen in het huis zou blijven om een en ander op te ruimen en daarna bij haar zuster zou gaan logeeren, die ergens buiten een boerderij had.
In haar brieven vertelde Annie breedvoerig haar wedervaren van de twee laatste dagen en zij moest bekennen, dat zij, hoewel zij natuurlijk wel naar huis terug verlangd had, tot nu toe nog niet veel tijd had gehad om daarover te denken.
Vijfde Hoofdstuk.
De Buitenpartij.
„Kinderen ik heb iets bedacht, dat een goed slot zal zijn voor deze zomervacantie,” zeide de heer Stubbens den volgenden dag. „Morgen zullen wij den geheelen dag op Rustoord gaan doorbrengen. Jullie moet de noodige vrienden en vriendinnetjes meevragen en dan blijven wij daar dineeren zoodat jelui den geheelen dag vóór je hebt.”
„Heerlijk, heerlijk, pa,” riepen de kinderen om het hardst.
„O, Tom, wat leuk, nu kan ik meespelen in het fort!” liet Annie zich hooren en zij waren alle vijf dol blij.
„Mogen wij Bertha en Clara en Emmy en Marie meevragen?” vroegen Coba en Laura.
„En mag Bep mee?” klonk Tine’s stemmetje.
„Hoort eens, daar bemoei ik mij niet mee, dat moeten jullie met mama uitmaken. Jullie vriendinnen ken ik niet. Maar wie wil jij meenemen, Thomas?”
„De jongens, die altijd mee naar Rustoord zijn geweest, pa.”
„De vijf onafscheidelijke vrienden? best, en zorg maar dat er evenveel jongens als meisjes zijn, dan kunnen jelui, wanneer je niet te moe bent, ’s avonds nog een dansje doen in de zaal van Rustoord. Mama of ik zullen wel piano spelen.”
De kinderen waren opgetogen en de drie zusjes vlogen de kamer uit om haar mama te gaan zoeken en aan haar te vragen of zij de genoemde vriendinnetjes mochten meenemen.
Mevrouw Stubbens had er niets tegen. Coba en Laura waren zelf veel te trotsch om met meisjes om te gaan, die niet van gelijken stand waren als zijzelf.
„En wil Tineke Beppie zoo graag meevragen?” vroeg tante Dora aan het kleintje.
„Mag het?”
„Zeker, maar dan moet je haar zelf gaan vragen, als een knap groot meisje.”
Vroolijk danste de kleine rond. „Ik mag ook een vriendinnetje vragen, net als Co en Laura!”
„Ga nu maar gauw,” zeide haar moeder en Tine liep den tuin in, waar zij Annie zag.
„Annie, Annie!” riep zij en deze keerde zich om en ving de kleine in haar armen op. „Annie, ik mag Beppie meevragen; ik ga nu naar haar toe; maatje zeide, dat ik haar zelf moest gaan vragen.” En het kind huppelde vroolijk weg.
Toen Annie het huis in kwam, gaf haar tante, die juist op weg naar boven was, haar een brief.
„O, die is van grootma Hermsen,” zeide Annie, zoodra zij de enveloppe zag. „Wil u hooren wat grootma schrijft, tante?”
„Ik moet nu naar boven, maar straks moet je mij al het nieuws maar vertellen,” antwoordde mevrouw Stubbens.
Annie nam den brief mee naar boven om hem in haar kamer op haar gemak te kunnen lezen.
Zij hield veel van haar grootmoeder (van moeders zijde), een vriendelijke oude dame, bij wie Annie iederen zomer in de vacantie een paar weken ging doorbrengen, daar haar grootmoeder zich te oud vond om zelf te reizen en er toch op gesteld was haar kleinkind ten minste ééns in het jaar een poosje te zien. In deze laatste vacantie was er echter niets van gekomen, want nu de heer Van Walen voor zoo langen tijd wegging—het was nu bepaald dat hij eerst kort vóór Kerstmis zou terugkomen—had hij nog zoo lang mogelijk van Annie’s bijzijn willen genieten.
„Nu, Annie,” vroeg mevrouw Stubbens, toen zij Annie later op den middag in de huiskamer aantrof, „had grootma veel nieuws?”
„Ja, verbeeld u, juffrouw Mina gaat niet naar haar zuster, maar naar grootma, om zoolang papa weg is voor grootma het huishouden te doen. Grootma zegt, dat zijzelf te oud wordt om dat te doen. En zij schrijft ook, dat zij hoopt, dat ik haar eens zal komen opzoeken, omdat de reis van hieruit niet zoo ver is als wanneer ik thuis ben.”
„Nu, dan zullen wij er eens op een Zondag heengaan; ik wil graag mevrouw Hermsen een bezoek brengen.”
Den volgenden dag was het prachtig weer en om negen uur kwamen de door Tom en zijn zusjes uitgenoodigde vrienden en vriendinnetjes. Zij hadden allen aangenomen en met tante Dora’s viertal en Annie meegerekend, waren er twintig kinderen bij elkaar. Iedereen was even vroolijk en Annie was blij, nu reeds met haar nieuwe klasgenooten te kunnen kennismaken—zij was in de vijfde klasse toegelaten—dan zou zij morgen niet zoo vreemd op school komen.
Intusschen waren er twee „Jan pleziers” voorgereden en onder blij gejubel en gezang reed men naar Rustoord.
Daar aangekomen hielpen Tom en zijn vrienden de meisjes uitstappen en alsof het afgesproken was, sloegen de kinderen allen terstond den weg naar het fort in.
„Ziezoo,” zeide Tom, toen zij dit bereikt hadden. „Nu moet er natuurlijk een aanvoerder zijn. Wat zeggen jullie ervan, vinden jullie niet dat Frans van Meerel als de oudste het meeste recht daarop heeft?”
„Ja, ja, natuurlijk!” klonk het uit verschillende monden, „Leve onze kommandant Van Meerel!”
„Goed, ik wil het graag zijn,” zeide Frans. Hij was een lang opgeschoten jongen van dertien jaren, de zoon van de in die stad algemeen bekenden dokter Van Meerel, die het voortdurend betreurde, dat Frans zooveel meer uitmuntte in sport dan in zijn leervakken, want niettegenstaande zijn dertien jaren zou Frans nu pas met Tom en zijn klasgenooten op het gymnasium komen.
„Eerst moeten wij beginnen ons te verdeelen,” zeide Frans nu. „De dames wonen natuurlijk weer in haar burcht.”
„Ik niet,” riep Annie eensklaps, „Tom heeft mij beloofd, dat ik marketentster op het fort mocht zijn.”
„Dat kan je later worden, als wij je hebben gevangengenomen.”
„Dan zou ik het nooit worden, want ik laat mij niet gevangen nemen en ik zal de burcht zoo helpen verdedigen, dat geen van de vrouwen in jullie handen valt.”
„Wees nu niet flauw, Annie,” riep Coba Stubbens. „Het is altijd zoo gegaan; wij kunnen toch niet als jongens gaan meevechten, wij hebben immers onze beste jurken aan. Kom, je gaat nu maar mee, hoor.”
Annie kon natuurlijk niet over zooiets met een van haar nichtjes kibbelen, dus zweeg zij maar.
„Nu dan,” vervolgde Frans, toen de orde hersteld was, „de dames moeten verdedigers hebben. Wij zijn met ons tienen mannen, daarvan zullen wij er haar vier geven, dan blijven wij met ons zessen.”
Hij koos nu vier van de jongens en zond deze met de meisjes naar de zoogenaamde burcht.
Annie had deze nog niet van binnen gezien, daar de koepel den vorigen keer, toen zij en Tom daar waren, op slot was geweest. Maar nu was de deur open en zag zij tot haar verbazing dat hij als een buitengewoon gezellige kamer was ingericht, terwijl er nog een tweede, klein vertrekje aan grensde, waar de verdedigers der burchtvrouwen konden slapen. Bertha van Scheik, het oudste meisje, werd tot burchtvrouw verheven, Tine en Beppie waren de kinderen, terwijl de overige meisjes de dienaressen waren.
De twee kleine kinderen waren den geheelen dag onafscheidelijk en zoo voelde Annie zich bijzonder tot Bertha aangetrokken, die haar voortdurend aan haar eigen vriendinnetje, Paula Tillens, herinnerde.
Toen zij een oogenblik later naast Bertha over de leuning naar beneden stond te kijken, kon zij ook niet nalaten haar dit te zeggen.
„Paula Tillens,” antwoordde Bertha, „ik wil wel gelooven, dat ik je aan haar herinner. Zij is mijn eigen nichtje, haar ma is een zuster van de mijne.”
„O, wat heerlijk!” riep Annie, „dan komt zij zeker wel eens bij je. Ik begrijp niet, dat zij mij nooit over je gesproken heeft.”
„Ik wel. Ik zal het je maar zeggen, ma en tante zijn niet goed met elkaar. Er is iets gebeurd, waardoor ma erg boos was op oom Tillens en toen werd tante natuurlijk boos op ma en nu komen zij nooit meer bij elkaar. Paula en ik waren nog niet eens geboren, toen het gebeurde, dus misschien heeft tante haar nooit over ons gesproken en weet zij niet eens dat zij hier familie heeft. Het is anders wel jammer, want Paula en ik zijn even oud en het was natuurlijk gezellig geweest, wanneer zij bij mij had kunnen logeeren.”
„Ja, wel jammer, hé, maar misschien wordt het nog wel goed tusschen je ma en je tante.”
Voordat Bertha weer iets kon zeggen, werden de meisjes gestoord door den aanvoerder hunner verdedigers, Frits van Scheik, die met een diepe buiging op Bertha toetrad.
„Mevrouw,” begon hij, „wij moeten u berichten, dat wij in het verschiet een stofwolk zien naderen. Wij vermoeden dat het de vijand is en dus geven wij u in overweging of het niet beter is dat u zich met de kinderen en de overige vrouwen in het kasteel terugtrekt.”
Beppie en Tineke, die in de buurt stonden en deze redevoering mede hadden aangehoord, stietten nu zeer natuurlijke angstkreten uit. Hoewel zij wist, dat het maar spelen was, bekroop Tine altijd een bang gevoel, wanneer zij die jongens met houten en blikken sabels gewapend, zoo door het kreupelhout naar boven zag klauteren. Zij werd dan zoo bang, dat zij zich al ging verstoppen, voordat de jongens nog boven waren. Blijkbaar had zij Beppie reeds van al die vreeselijkheden verteld, want deze had even angstig gegild als zij en klemde zich stijf aan Tine vast.
Annie, die voor het eerst dit spelletje meemaakte, keek verbaasd naar de twee kleintjes en vroeg toen aan Coba:
„Zeg, Coba, heb je wel gezien hoe bang Tine is? Zij ziet er bleek van. Vindt tante het wel goed dat zij meespeelt?”
„Natuurlijk, ma vindt het best. Ma zegt, dat zij een veel te angstig poppetje is; dat moet eruit zegt ma en daarom gaat zij morgen ook alleen naar school. Het is toch immers onzin, dat zij zoo bang zou zijn. De jongens zullen haar toch niet opeten.”
Annie ging naar binnen om de kinderen te zoeken, die zij verstopt vond achter een canapee.
„Tine,” zeide zij, „en jij ook, Bep, wat zijn jullie flauw om zoo bang te zijn. Wat denken jullie eigenlijk dat er gebeuren zal? het zijn immers maar Tom en zijn vrienden! Die zullen jullie toch geen kwaad doen.”
Beppie keek Annie eens aan; Tom en zijn vrienden, dat klonk heel anders dan een vijand met sabels, waarvan Tine haar verteld had.
„Ja, Annie, dat weet ik wel,” stamelde Tine, „maar als ik ze zoo naar boven zie klimmen, dan vergeet ik dat het maar de jongens zijn en dan zie ik alleen die vreeselijke sabels en dan word ik zoo bang. Maar nu ben ik niet meer bang,” voegde zij er dapper bij.
„En toch zit je nog achter de canapee, zoo’n flauw kind!” riep Annie en op datzelfde oogenblik ging de deur open en kwamen de overige meisjes binnen.
„Zij komen!” riep Bertha, „je kunt ze al goed zien. Wij vrouwen blijven dus hier in het kasteel en laten ons door onze manschappen verdedigen.”
Annie had daar niets geen zin in, maar zij wilde er niet meer om kibbelen; zij wist wel een middel om ongemerkt buiten te komen.
Toen de meisjes allen binnen waren, sloop zij naar het kleine kamertje, dat een openslaand venster had. De jongens hingen alle vier over de leuning om naar den naderenden vijand te kijken, zoodat Annie ongemerkt het venster kon openen en naar buiten klimmen. Een dikke tak, dien zij vóór den koepel op den grond vond, nam zij als wapen in de hand. Nu bleef zij wachten op het teeken, dat de vijand genaderd zou zijn. Daar, waar zij stond, konden de jongens haar niet zien, want zij was aan den anderen kant van den koepel, en de meisjes schenen haar niet te missen.
Juist hoorde zij Tineke angstig vragen: „waar is Annie?” toen een luide oorlogskreet van de jongens haar waarschuwde, dat het groote oogenblik gekomen was. Even keek Annie naar haar witte jurk, waarop bij het uit het venster klimmen reeds een vuile streep was gekomen, en zij aarzelde. Maar daar hoorde zij het gekletter der houten en blikken sabels, waarmede ook hunne verdedigers gewapend waren en toen dacht Annie aan geen jurk meer. Haar tak zwaaiende liep zij met een juichkreet op de jongens toe en streed dapper mee. Frits was wel verbaasd en zelfs boos geweest, toen hij haar zag, doch hij had het te druk om op haar te letten, of er haar iets van te kunnen zeggen, want de vijand naderde reeds den koepel.
„Weg van dat venster! Moeten jullie doodgestoken worden?” riep hij tegen een paar meisjes, die voor het open venster verschenen, waar Annie uitgeklommen was. Door haar voorbeeld aangestoken, kwamen echter nog drie van de meisjes, naar buiten. Zij verdedigden met de jongens samen met zulk een heldenmoed de burcht, dat voor het eerst, zoolang het fort bestond, de vijand werd teruggedreven; maar toch niet geheel zonder buit. Zij hadden een gevangene gemaakt.
Tine was naar het open venster geloopen om de anderen na te kijken, toen zij plotseling vlak bij zich hoorde zeggen:
„Gauw, Tine, ga met mij mee,” en daar zag zij Karel van Scheik, een van de vijanden, die haar nu over de vensterbank tilde en wegvoerde naar het fort.
„Je bent zwaar hoor,” zeide Karel, haar op den grond zettende. „Ik had het niet lang meer kunnen volhouden. Ziezoo, nu ben je mijn gevangene, maar omdat je zoo zoet bent meegegaan en mij heelemaal niet geschopt of gebeten hebt, krijg je wat lekkers van mij. Heb je dorst?”
Het was een warme dag en Tine antwoordde, dat zij heel veel dorst had.
„Hier dan,” zeide Karel en schroefde den beker van zijn veldflesch los, waarin hij heerlijke limonade had meegebracht. Hij schonk den beker vol en reikte haar dien over.
„Dat is lekker,” riep Tine, toen zij den beker had leeg gedronken en veelbeteekenend keek zij naar de flesch. Karel begon te lachen en schonk haar nog eens in.
„Zeg, Tine” zeide hij nu, „als de anderen straks komen, zal je dan niet bang of verlegen zijn, maar heel mooi flauw liggen? Het is zoo leuk; de jongens weten heelemaal niet, dat ik je heb gevangengenomen.”
„Ik ben voor jou niets bang, Karel.”
„Bang! dat mankeert er nog maar aan! zoo’n groot meisje bang! dat zou toch al te gek zijn! maar daar komen zij, wees nu lief en ga flauw liggen. Hier is een zacht kleedje.” Hij spreidde dit op den grond uit en Tine ging erop liggen.
Onder luid gepraat naderden nu de vijf andere jongens.
„Jij bent ook een mooie om ons zoo in den steek te laten!” riep Frans. „Was je soms bang en ben je daarom weggeloopen?”
„Ik ben niet weggeloopen. Ik heb een gevangene gemaakt; kom maar eens kijken, wie ik hier heb!” antwoordde Karel.
En daar zagen de jongens Tine op het kleedje liggen. Zij deed wat zij Karel beloofd had en hield zich, alsof zij in zwijm lag.
„Hoera, hoera, hoera!” riepen allen, toen zij het meisje zagen en zij voerden om haar heen een krijgsdans uit.
„Wij moeten eerst de gevangen jonkvrouw weer tot bewustzijn brengen,” sprak de aanvoerder, „maar niet te veel water, hoor, denk aan haar Zondagsche jurk, mannen.”
Zeer voorzichtig werden haar nu eenige druppels water in het gezicht gesprenkeld en hierop sloeg Tine de oogen op.
„Voelt gij u nu weer gezond?” vroeg de kommandant.
„Ja, ik wil weg,” antwoordde Tine, opstaande. „Ik wil naar Bep.”
„Wij hopen u ten spoedigste naar de burcht te kunnen terugzenden,” hernam Frans. „Zoo dadelijk vertrekt een ijlbode naar het slot om den losprijs te noemen, waarvoor wij u weer in vrijheid zullen stellen.”
Nauwelijks had hij uitgesproken of, voordat de jongens recht wisten, wat er gebeurde, slopen twee gedaanten het fort binnen, namen ieder een hand van Tine vast en snelden met haar weg. Het waren Annie en Frits, die, toen zij ontdekten, dat Tine verdwenen was, samen waren uitgetrokken om haar terug te halen, en zij waren reeds met haar halverwege den heuvel op, voordat de mannen in het fort van hun verbazing bekomen waren.
„Neen, maar, zooiets is ons toch nog nooit overkomen!” riep Tom, nadat hij een oogenblik verbluft had gestaan. „Zullen wij hen achterna gaan, kommandant?”
„Ik ben zoo warm,” klaagde Frans.
„En het is toch te laat, ook,” voegde Tom erbij. „Luister maar.”
Er klonk nu een bel, die geluid werd om de jongens en meisjes binnen te roepen, waar een welvoorziene koffietafel hen wachtte.
Het was een luid door elkaar gepraat en gekibbel, toen het geheele twintigtal in de eetkamer bij elkaar was. De bewoners van het fort verweten de verdedigers van de burcht, dat zij niet zoo flauw hadden mogen zijn om hen te verslaan, waartegen de anderen weer luide tegenwerpingen maakten. Frans van Meerel en Frits van Scheik stonden zelfs zoo dreigend tegenover elkaar, dat mevrouw Stubbens zich haastte, ieder een plaatsje aan tafel te geven.
Zesde Hoofdstuk.
Tine’S Nieuwe Oom.
„Bespottelijk van je, Annie, dat jij je zoo bij Bertha van Scheik opdringt, die zooveel ouder is dan jij,” zeide Coba Stubbens op zekeren dag, toen zij pas uit school waren gekomen.
Coba was een beetje jaloersch op Annie; tot nu toe was zijzelf Bertha’s speciale vriendin geweest, maar sedert de komst van Annie, had Bertha zich meer met deze bemoeid, dan Coba lief was. „Waarom loop je niet liever met Clara, die in jouw klasse zit, in plaats, dat je de meisjes uit de zevende opzoekt,” voegde Coba er nog bij.
„Ik dring mij niet bij Bertha op, dat is heelemaal niet waar,” riep Annie boos. „Maar Bertha loopt graag met mij, omdat ik de vriendin ben van haar nichtje, Paula Tillens, en dan praten wij samen over Paula.”
„Wat zeg je,” bracht mevrouw Stubbens, die toevallig in de kamer was, in het midden, „is dat meisje van Tillens een nichtje van de Van Scheiks? Ik dacht dat die mevrouw Tillens en haar dochter menschen waren, die, nu, ja, die niet in onze kringen thuishooren.”
„Ik weet niet, of zij in uw kringen thuis hooren; ik weet niet wat u bedoelt, tante, maar mevrouw Tillens is altijd even snoezig voor mij geweest en Pau is mijn vriendin en papa vond het best, dat ik met haar omging. Mevrouw Tillens is de zuster van mevrouw Van Scheik.”
„Hoe is het mogelijk! dan heeft men mij heelemaal verkeerd ingelicht. Mijnheer en mevrouw Van Scheik behooren tot de aanzienlijkste families van de stad. Nu, Annie, als Paula eens bij Bertha komt logeeren, dan moet je haar ook maar eens een dagje hier vragen.”
„Zij komt nooit hier, tante, haar ma is niet goed met mevrouw Van Scheik.”
„Maar, kind, hoe weet je dat alles?”
„Dat heeft Bertha mij allemaal verteld.”
„Zoo, zoo; misschien zal ik haar dan eens van Zaterdag tot Maandag hier vragen. Dat zou je zeker wel prettig vinden, is het niet?”
„Meent u het tante? maar dat is dolletjes!” en Annie zou haar tante op een van haar onstuimige omhelzingen vergast hebben, als zij niet juist bijtijds bedacht had, dat mevrouw Stubbens daar niet van hield. Zij begreep niet goed, waarom tante Dora zoo plotseling veranderd was ten opzichte van Paula en haar moeder; zij was daarvoor nog te jong, maar kind als zij was dacht zij er ook niet verder over na en verheugde zij zich slechts in het vooruitzicht dat haar vriendinnetje bij haar zou mogen komen logeeren.
Zij was nu reeds veertien dagen bij de familie Stubbens en begon zich nu langzamerhand zoowel bij hen als op school nogal thuis te voelen. Tante Dora bleef, zooals zij geweest was koel in haar manieren, maar Annie wist dat zij in haar hart toch goedig was, want zij verzon van alles om het moederlooze kind genoegen te doen en bovendien had Annie nu zooveel kennisjes om zich heen, die hartelijk en aardig voor haar waren, dat zij zich niet in het minst verlaten voelde. Ook was zij zeer vlug in het leeren en maakte het dan ook goed op school. Maar er was één ding, waardoor zij daar altijd in ongelegenheid kwam. Zij was erg goedig en kon niet laten om Louise Bronsma, het meisje, dat naast haar zat, voor te zeggen, wanneer Louise er om vroeg.
Louise was een erge stumper, die de grootste moeite had om mee te komen en soms, wanneer zij thuis werkelijk had zitten blokken op de geschiedenisles, die zij moesten leeren, was zij deze, als zij den volgenden dag op school kwam, weer geheel vergeten.
„Annie,” zeide zij weer op zekeren morgen, voordat de school begon, „zeg je mij voor, als ik een beurt krijg bij de geschiedenisles?”
„Hé, Lou, juffrouw Merks merkt het altijd en ik loop er straf voor op. Oom heeft gezegd dat ik, als ik het weer doe op de vrije middagen niet meer mee mag naar Rustoord en als oom zooiets zegt, gebeurt het ook, dat verzeker ik je.”
„Dan moet je het natuurlijk niet doen, maar ik ken er niets van,” zeide Lou met een erg ongelukkig stemmetje, „en als ik vandaag mijn les niet ken, moet ik Woensdagmiddag school blijven.”
„En ik erbij voor het voorzeggen, dat zal je zien! Heb je de les dan niet geleerd?”
„Jawel, heusch waar, maar ik kan die namen niet onthouden en dan die nare jaartallen!”
„Misschien krijg je geen beurt.”
Annie had zich vast voorgenomen dezen keer niet toe te geven en zeide dit ook aan Louise.
De les begon en reeds hadden verscheidene meisjes een beurt gehad, zoodat Louise hoop kreeg, dat de vragen niet aan haar toe zouden komen, voordat het uur om was, toen de juffrouw eensklaps vroeg:
„Vertel jij me nu eens Louise Bronsma...”
Voordat de juffrouw nog zoover gekomen was, had Annie al gefluisterd „beef maar niet zoo, ik zal je wel helpen als je het niet weet.”
„Vertel mij eens, Louise, wanneer begon de tachtigjarige oorlog?”
Dat wist zij gelukkig. „In vijftien honderd acht en zestig, juffrouw,” antwoordde zij dadelijk.
„Heel goed; en wanneer en waar werd de vrede gesloten?”
Louise dacht na.
„Acht en veertig,” fluisterde Annie.
„In vijftien honderd acht en veertig,” antwoordde Louise.
„Maar meisje, hoe kan dat nu? en hij begon in vijftien honderd acht en zestig.”
„Zestien,” fluisterde Annie weer.
Louise was nu echter weer geheel in de war. „In vijftien honderd zestien,” antwoordde zij.
„Maar kind, hoe is het toch mogelijk,” zeide de juffrouw, die haar geduld begon te verliezen, „hij begon in vijftien honderd acht en zestig hoe kan hij dan eindigen in vijftien honderd zestien?”
„Zestien honderd acht en veertig,” fluisterde Annie opnieuw, maar, zooals zij wel gevreesd had, was deze zin te lang, vooral daar Louise niet zoo heel gemakkelijk hoorde en zij dus niet al te zacht kon fluisteren.
„Is Annie weer aan het voorzeggen?” vroeg de juffrouw. „Het spijt mij, Annie, maar dan moet je nu maar de klasse uitgaan. Het is je al dikwijls genoeg verboden. Woensdagmiddag moet je maar een uurtje schoolblijven. Ik zal Louise nu nog een paar vragen doen en als zij die zonder jouw hulp niet weet, moet zij ook hier blijven. Maar ga jij nu maar eerst naar de directrice en zeg, dat ik je heb weggestuurd, omdat je weer voorgezegd hebt.”
Zonder een woord te zeggen verliet Annie het lokaal. Zij wist dat Lou toch nooit zou durven bekennen, dat zij (Annie) het op haar verzoek gedaan had; het kind was trouwens te veel overstuur en zat te beven als een riet.
Annie vond het heel vervelend om naar de directrice toe te gaan, want deze gaf op dat uur Duitsche les in de zevende klas, dus zouden Bertha en Coba nu merken, dat zij weggestuurd was. Maar het moest natuurlijk gebeuren en zij klopte aan.
„Binnen,” klonk de stem van de juffrouw en met loode schoenen trad Annie het lokaal in. Gelukkig hadden de meisjes schriftelijk werk, dus kon de juffrouw haar dadelijk te woord staan en behoefde zij niet voor de geheele klasse te staan wachten.
„Zoo, Annie, wat kom je doen?”
„Ik ben weggestuurd, juffrouw, omdat ik heb voorgezegd.”
„Hm, zoo, dat is al meer gebeurd, niet waar?”
„Neen, juffrouw ik ben nog nooit weggestuurd; dit is de eerste keer.”
„Neen, dat bedoel ik niet. Ik meen het voorzeggen.”
„O, ja,” bekende Annie nu, „ik heb er al driemaal thema’s voor gehad.”
„Maar meisje, hoe is het dan mogelijk, dat je er niet mee ophoudt? Enfin, ik heb nu geen tijd, ik zal er je nog wel eens over spreken.” Op haar horloge kijkende, voegde de juffrouw erbij:
„Het is nu kwart voor twaalf, dus te laat om nog iets te beginnen. Ga dus nu naar huis, maar Woensdagmiddag moet je natuurlijk school blijven.”
„Ja, juffrouw, dag, juffrouw.”
„Dag, Annie.”
Zonder naar de meisjes om te zien, die over hun werk gebogen zaten, verliet Annie het lokaal.
Zij wilde niet vroeger thuis komen, dan de anderen, want dan zou oom, als hij toevallig thuis was, natuurlijk vragen, hoe zij zoo vroeg van school kwam en zij had den moed nog niet om het te vertellen. Zij zou maar een eindje loopen.
Langs het gymnasium komende, hoorde zij eensklaps haar naam roepen en omkijkende, zag zij Frans van Meerel.
„Is het gymnasium al uit, Frans?” vroeg Annie.
„Neen, ik ben weggestuurd. Lam, hè?”
„Jij ook?”
„Wat! je wilt toch niet zeggen, dat jij ook...”
„Ja, ik ben ook weggestuurd,” zeide Annie, „omdat ik heb voorgezegd. Vind je dat niet flauw?”
„Nou, of ik. Ik wou, dat ik kon voorzeggen, maar ik weet zelf nooit een antwoord. Neen, weet je wat ik gedaan heb,” vervolgde hij, terwijl hij naast haar voortliep. „Ik had het portret van Smilder met twee lange ezelsooren eraan op het achterste bord geteekend. De lui vonden het prachtig en het schijnt ook wel geleken te hebben, want anders zou hij niet zoo woedend geweest zijn. Je hadt zijn gezicht moeten zien, toen hij het voorste bord opschoof en zijn portret zag! Hij vroeg natuurlijk dadelijk, wie het gedaan had. Die Smilder is ook zoo’n ezel!”
„Dat moest oom eens hooren, dat je Smilder zeide in plaats van mijnheer Smilder. Tom krijgt altijd zoo’n standje als hij het doet.”
„Ach, wat, al de lui doen het natuurlijk; maar, zeg, vind je het geen leuke mop?”
„Ik had er wel bij willen zijn.”
„Dat dacht ik wel. Nou het was ook wel de moeite waard. Ik heb er de straf graag voor over. Maar hoe kom je hier, durf je niet naar huis?”
„Oom is zoo streng,” antwoordde Annie, „en dan had ik natuurlijk alles moeten vertellen, als oom gevraagd had, hoe ik zoo vroeg thuis kwam.”
„Laten wij nog een straatje omloopen, totdat het twaalf slaat.”
Al pratend kwamen de kinderen langs het huis van de familie, waar Tine fröbelles had. Juist kwamen een paar van de kleintjes naar buiten met de dienstmeisjes, die hen waren komen halen.
„De kinderen gaan geen van allen nog alleen; Tine is de eenige,” zeide Annie en vroeg toen aan een van de kleintjes: „Is Tine Stubbens nog binnen?”
„Neen, Tine is net door haar oom gehaald,” antwoordde het kind. „Tineke was zoo blij, haar oom ging met haar naar den dierentuin. Zij is net weg.”
Annie begreep er niets van.
„Wie is die oom van Tine, Annie?” vroeg Frans.
„Ik weet het niet. Zij heeft, geloof ik, geen anderen oom dan papa en die is in Engeland.”
„Ga mee kijken,” riep Frans; „wij halen ze nog wel in. Zij zijn net weg.”
Nog onder het spreken had hij Annie reeds weggetrokken en nu holden de kinderen samen voort.
„Ga je naar den dierentuin?” vroeg Annie.
„Welneen; ik geloof er niets van, dat zij daarheen zijn. Wij zullen juist den anderen kant opgaan. Den weg, dien wij gekomen zijn, heeft hij niet genomen, anders hadden wij hen natuurlijk gezien. O, daar staat de tram nog, gauw!”
„Wat wil je doen?”
„Op de tram stappen, dan halen wij hen stellig in. Hij vertrekt dadelijk.”
De kinderen stapten in en het was of de tram daarop gewacht had; hij vertrok bijna onmiddellijk. Frans liet Annie binnen zitten, want hij was veel te bang, dat zij onder het rijden uit de tram zou springen, wanneer zij Tine zag, en ging zelf buitenop staan.
„Kijk jij rechts,” had hij aan haar gezegd, „dan zal ik aan den linkerkant uitkijken.”
„En u, jongeheer?” vroeg de conducteur.
Frans betaalde voor twee en bleef nu naar buiten turen. Zijn voorspelling kwam uit, want nog geen minuut hadden zij gereden, toen hij een kleine gedaante aan de hand van een keurig gekleed heer zag loopen. Er viel niet aan te twijfelen, het was Tine met den nieuwen oom. Niets kwaads vermoedend liep het tweetal voort.
„Stop je bij de volgende halte?” vroeg Frans aan den conducteur. Hij wilde hen eerst voorbij laten gaan en hen dan te gemoet loopen, dan kon Annie zien, of zij dien heer kende.
Met opzet ging hij naar binnen, zoodat Tine hem niet herkennen zou en toen hij naast Annie zat, die nog strak naar buiten keek uit angst dat Tine haar ongemerkt voorbij zou loopen, zeide hij: „Laat dat maar, wij zijn er al. Wij stappen dadelijk uit.”
„O, ga mee, gauw,” riep Annie hem meetrekkende, „anders zijn zij weg!”
„Welneen, zij loopen ook dezen kant op, dáár, nu gaan wij hen juist voorbij. Kijk nu niet zoo, anders ziet Tine je en dan gaat hij die zijstraat in.”
Hoewel het in werkelijkheid geen minuut duurde, leek het Annie wel een uur, voordat de tram stilhield. Zij had bijna geen geduld om te wachten tot hij stilstond en de conducteur moest haar bij den arm vasthouden, anders was zij er nog onder het rijden uitgesprongen.
„Nu mag je eruit,” zeide Frans eindelijk en nadat hij zelf was uitgestapt, hielp hij Annie uit de tram.
„Kijk nu eens goed,” fluisterde hij, „ken je dien mijnheer?”
„Neen,” antwoordde Annie, „wie is dat? Ik heb hem nooit gezien.”
Daar kreeg Tine hen in het oog. „Annie, Annie!” riep zij vroolijk. „Ga je mee? oom gaat met mij naar den dierentuin!”
Oom keek woedend, toen hij ontdekte, dat Tine kennissen gezien had. Als het kind hem bijtijds gezegd had, dat er iemand aankwam, die zij kende, dan had hij die zijstraat in kunnen slaan, die zij juist voorbij waren gekomen. En als het nu nog maar alleen dat kleine meisje was geweest, dan had hij er nog wel wat op gevonden, maar met dien grooten jongen erbij werd het toch te gevaarlijk. Hij leek een jaar of vijftien en zou zich niet om den tuin laten leiden. Hij zou toch nog zijn best doen.
„Is dat Annie,” zeide oom. „Dag Annie, ga je ook mee? dat is aardig. En wie is dat jongmensch, is dat een vriendje? hij zal er zeker wel geen zin in hebben om met twee kleine meisjes mee te gaan, dat zeide ik zoo juist aan je zusje, toen ik jullie zag aankomen.”
„Ik ben geen klein meisje,” antwoordde Annie beleedigd, „en Tine is mijn zusje niet! Maar wie bent u?”
„Oom is van morgen pas gekomen,” vertelde Tine nu. „Laat ons nu gaan, Annie, anders wordt het zoo laat. Wij gaan in den dierentuin koffiedrinken; papa is er ook.”
„O!” riep Annie, want nu begreep zij, dat er niets van waar was, „dat kan niet, want je pa moet om half één naar Amsterdam.”
„Daar komt je pa aan, Tine,” zeide Frans eensklaps en voordat hij nog had uitgesproken, had de zoogenaamde oom Tine’s hand losgelaten, hen den rug toegekeerd en was hij in de zijstraat verdwenen.
Tine begon te huilen. „Nu is oom weg; nu kan ik niet naar den dierentuin!”
„Stil, Tine, een ander keertje ga je er heen, hoor,” troostte Annie. „Waar zag je oom, Frans?”
„Wel, nergens, maar ik wilde dien anderen oom weg hebben; ik begreep wel dat hij daarvoor op den loop zou gaan, en nu ga ik hem achterna om te zien waar hij blijft. Annie, ga gauw met Tine naar huis.”
„Huil toch niet zoo, Tine,” zeide Annie, toen Frans weg was, „die mijnheer was heelemaal geen oom van je. Hij had Tineke mee willen nemen en dan was Tine nooit meer thuis gekomen. Maar nu gaan wij naar maatje, hoor, hard loopen! kan je mij krijgen?”
En om het kleintje vlugger mee te krijgen, deed Annie, alsof zij voor haar wegliep. De list gelukte. Tine rende haar achterna, zoo vlug als haar kleine beenen haar dragen konden en juist als zij Annie bijna had, liep deze weer weg, totdat zij zich eindelijk liet pakken. „Nu zal ik jou pakken, loop, loop, gauw, maar niet vallen.” Op hetzelfde oogenblik dat Annie Tine gepakt had—zij waren reeds niet ver meer van huis—kwam Frans hen buiten adem achterop.
„Hij is weg,” zeide hij. „Juist toen ik in de Zandstraat (de reeds meer genoemde zijstraat) kwam, stapte hij in een rijtuig en reed in volle vaart weg. Nog een oogenblik heb ik geprobeerd het te volgen, maar hij reed zoo hard, er was geen denken aan. Hoe vinden wij dien kerel nu terug? je moet maar gauw alles aan je oom vertellen.”
„Ja,” antwoordde Annie verstrooid. Naarmate zij het huis naderden, drong het gebeurde van dien morgen op school zich weer bij haar op den voorgrond, want zij begreep, dat Coba nu al wel thuis alles verteld zou hebben, dat zij weggestuurd was en zij wist, wat er opstond. Zijzelf zou het in Coba’s plaats natuurlijk nooit doen, zij vond klikken laag, maar Coba was al zoo afgunstig op haar, om Bertha, dat zij stellig niet zwijgen zou. Het zou haar trouwens toch niets helpen; oom moest het toch weten, want hij zou haar natuurlijk vragen, waarom zij op een vrijen middag naar school moest.
Op de stoep nam Frans afscheid en met kloppend hart schelde Annie aan.
„Gut, waar benne jullie geweest? mevrouw heb al een angst uitgestaan van belang, weet je wel, dat het al over half één is, Annie?” met deze woorden werden zij ontvangen door het oude keukenmeisje, dat reeds jarenlang bij de familie was en dat nu de deur voor hen opende.
„Je bent anders toch vroeg genoeg van school gegaan,” plaagde Coba, die met haar moeder de gang in kwam om te zien of het de kinderen waren.
„Stil nu, Coba,” riep mevrouw Stubbens, „ik moet eerst weten, waar Tine zoo laat vandaan komt.”
„Oom wou met mij naar den dierentuin en toen kwamen Annie en Frans en oom vroeg of Annie ook mee ging,” vertelde Tine, „en toen zei Frans: „daar komt je pa aan,” en toen ging oom weg en het was niet eens waar, paatje kwam niet aan en nu heb ik niet naar den dierentuin kunnen gaan en oom had beloofd, dat ik de apen apennootjes mocht geven en dat ik een cent in de snuit van den olifant mocht doen en nu is oom weg en kan ik niet naar den dierentuin gaan!” en bij de herinnering aan al de heerlijkheden, die nu voor haar waren verloren gegaan, begon de kleine opnieuw te huilen.
Tante Dora was doodsbleek geworden.
„Ik begrijp niets van dat verhaal, Annie,” zeide zij. „Vertel mij eens duidelijk, wie is die oom, waar zij het over heeft? zij heeft geen anderen oom, dan mijn broer, jouw vader, en die kan het natuurlijk niet geweest zijn, jij zoudt je eigen vader wel gekend hebben.”
„Oom, die van morgen pas gekomen is,” antwoordde Tine voor Annie, „en nu is oom weg!”
„Kind, kind, ben je zoo maar met dien vreemden man meegeloopen? het is verschrikkelijk! Ik begrijp niet, dat mevrouw je heeft laten gaan.”
„Mevrouw weet er geloof ik niets van,” zeide Annie. „Die mijnheer heeft buiten gewacht, tot Tine het huis uit kwam. Een van de meisjes werd juist gehaald, toen Tine wegging en zij is weer naar binnen gegaan om het aan de andere kinderen te vertellen, en die zeiden het aan ons, toen wij kwamen.”
„Het is vreeselijk,” zeide mevrouw Stubbens. „Was papa nu maar thuis, maar die komt eerst om vijf uur terug. Wees nu stil, Tine, dan kan Annie mij precies vertellen, wat er gebeurd is.”
Mevrouw was blijkbaar zoozeer vervuld van het voorgevallene met Tine, dat zij er in het geheel niet meer aan dacht dat Annie weggestuurd was.
„Ik ging om kwart voor twaalf uit school,” begon Annie haperend en met een erge kleur, „en... toen... wou ik... nog niet dadelijk naar huis... en toen... liep ik een eindje om... en toen kwam ik Frans tegen... en toen kwamen wij langs Tinekes les...” en nu vervolgde Annie achter elkaar met vuur haar verhaal, want het moeilijke ervan was nu voor haar voorbij.
„En hoe zag die man eruit?” vroeg haar tante.
„Een groote man met een langen baard, en met een bril op en met een hoogen hoed.”
„Annie, kind, zeide eensklaps mevrouw Stubbens, terwijl zij, voor het eerst zoolang Annie haar kende, het meisje naar zich toetrok en hartelijk kuste. „God weet waar mijn kleine Tine nu zou zijn, als jij en Frans niet toevallig op dat oogenblik langs dat huis gekomen waren, waar zij leert.”
„Bent u niet meer boos, tante, omdat ik weggestuurd ben?”
„Ik weet niet, waar het voor was Annie; straks als wij alleen zijn, moet je er mij alles maar eens van vertellen. Nu ga ik eerst met de politie telefoneeren. Het was dus een langen man met een baard, met een bril en met een hoogen hoed?”
„Zoo’n mooie oom!” riep Tine nog verdrietig. „Ik was niets bang voor hem.”
„Het was toch beter dat je bang was voor hem in plaats van voor de jongens en voor mij,” merkte Tom wijsgeerig op. „Als Annie en Frans niet gekomen waren, moest je nu misschien al bij een kermistroep leeren koorddansen. Ik heb juist gisteren eenige woonwagens langs den weg zien staan. Zeg, moes, wat zegt u nu wel van Frans?” voegde hij er tot zijn moeder bij, die juist terugkwam van het telefoneeren.
„Frans heeft zich hierin zeer flink gedragen, dat moet ik zeggen,” antwoordde mevrouw Stubbens. „Maar kinderen,” vervolgde zij, „laat ons nu gauw gaan koffiedrinken, want om half twee komt de commissaris van politie hier om nadere inlichtingen te vragen en ik zou graag zien, Thomas, dat jij dadelijk na de koffie even bij Frans aanliep en vroeg of hij zoo lief zou willen zijn om ook om half twee hier te willen komen. Hij is zooveel ouder dan de meisjes, dat hij misschien meer zal kunnen vertellen.”
Klokslag half twee werd er gescheld.
„Gaat mee naar de voorkamer, Tine en Annie,” zeide mevrouw Stubbens, „dat is zeker de commissaris of Frans.”
Het was Frans, die door Tines moeder allerhartelijkst ontvangen werd. Zij kon haast geen woorden vinden om haar dankbaarheid uit te spreken, maar Frans hield er ook niets van om bedankt te worden; hij werd er verlegen onder en zeide maar aldoor: „het is niets mevrouw; het had niets te beteekenen, de andere jongens zouden het ook gedaan hebben.”
Een oogenblik later verscheen ook de commissaris van politie en Tine, die bang voor hem was, wilde eerst niets vertellen, maar toen haar moeder haar beloofde nog dienzelfden middag met haar naar den dierentuin te zullen gaan, toen kwam haar tongetje los en antwoordde zij op alle vragen.
Het was ook gelukkig dat Frans erbij was, want deze wist tot in de kleinste bijzonderheden het uiterlijk van den zoogenaamden oom te beschrijven. Hij had alles nauwkeurig opgemerkt.
„Nu, mevrouw Stubbens,” zeide de commissaris eindelijk, toen hij alles gehoord had, wat er te vertellen was. „Er is, zoodra u telefoneerde, natuurlijk werk van de zaak gemaakt, maar nu kunnen wij nauwkeuriger maatregelen treffen. Wij zullen de zaak onmiddellijk in de beste handen geven. Ik zou u echter wel in beraad willen geven, mevrouw,” voegde hij erbij, toen de kinderen de kamer hadden verlaten, „om de kleine niet meer alleen op straat te laten komen. Zij is nog zoo’n klein, teer kind en hij zou een tweede poging kunnen wagen, die beter lukte. U heeft zeker geen vermoeden, wie hij zijn kan?”
„Niet in het minst; ik begrijp er niets van,” antwoordde mevrouw Stubbens.
Toen Annie om vier uur uit school kwam, riep tante Dora het meisje bij zich in haar kamer.
„Vertel mij nu eens, Annie, wat er van morgen op school gebeurd is,” zeide zij.
„Ik kon het heusch niet helpen, tante, werkelijk niet; ik had haar niet willen voorzeggen,” antwoordde Annie, „maar als zij toch zoo vraagt om het te doen en in zoo’n angst zit, dan kan ik het toch niet laten?”
„Je verhaal is niet erg duidelijk, maar ik moet eruit opmaken, dat een van de meisjes aan je vroeg om haar voor te zeggen en dat je dat deedt, omdat zij zoo bang was geen antwoord te kunnen geven?”
„Ja, tante, het is Louise Bronsma, die naast mij zit. Zij kent nooit haar les en telkens vraagt zij mij om haar voor te zeggen. Maar u weet, dat ik er al een paar maal strafthema’s voor heb opgekregen en vandaag zeide ik, dat ik het niet meer doen wou. En toen zeide zij dat ik het dan maar niet meer moest doen, maar zij was zoo ongelukkig en zat zoo te beven, toen zij een beurt kreeg, dat ik het toch maar gedaan heb. Het is zoo vervelend, zij hoort zoo slecht, dat de juffrouw het altijd nog eerder verstaat, dan zij.”
„Maar er is toch gemakkelijk genoeg een eind aan te maken; ik begrijp niet, dat de juffrouw je niet dadelijk een andere plaats heeft gegeven. Ik zal je morgen ochtend een briefje voor de juffrouw meegeven.”
„En bent u niet meer boos?”
„Nu ik er alles van weet niet meer,” antwoordde mevrouw Stubbens en gaf het meisje een kus.
Zevende Hoofdstuk.
Grootmama Hermsen.
Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl Mina Holst het koffiegoed wegruimde.
Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den ouden firma naam laten houden.
De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het zomers bij haar logeerde.
„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?”
„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?”
„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar voor mij gaan halen.”
„Heeft zij vacantie, mevrouw?”
„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?”
„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de logeerkamer naast de uwe?”
„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina, ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn, voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.”
„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij:
„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!”
Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben, want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als Tine’s nieuwe oom.
„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw Hermsen zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam.
„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen toch niet gestoord worden?”
„Neen, wij zijn alleen.”
„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid, dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.”
„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.”
„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine jongens bij.”
„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.”
Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,” voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak.
„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.”
„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen, ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf; „juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel, mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend.
„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer en mevrouw Stubbens moeten zeggen?”
„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.”
„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!”
„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.”
„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing nooit hebben plaats gehad.”
„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met vacantie uit.”
„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens hier gebracht zoudt hebben!”
„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar „klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij kwam.”
„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.”
„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het vergeetboek is geraakt.”
„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien tijd zou het te gevaarlijk zijn.”
„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb, ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen kon. Ik waag er te veel mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen maken?”
„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.”
Achtste Hoofdstuk.
Een Verrassing Voor Annie.
„Als het u blieft, juffrouw, van tante.”
Met deze woorden reikte Annie van Walen de directrice, die zij in de gang van de school tegenkwam, het briefje van mevrouw Stubbens over.
Het was de dag na het voorgevallene met Tine, die dien morgen door Suze naar school was gebracht, terwijl haar moeder haar ten strengste verboden had, om twaalf uur met iemand anders dan Suze mee te gaan. Zij moest op Suze wachten. Toms verhaal over het koorddansen had haar trouwens zoo bang gemaakt, dat er niet de minste kans bestond, dat zij ongehoorzaam zou zijn.
„Tommie,” had zij ’s avonds aan haar broer gevraagd, „zou oom Tine heusch naar de kermis gebracht hebben?”
„Noem dien kerel toch geen oom, Tine; hij was een gewone kinderroover. Natuurlijk zou hij je aan een kermistroep verkocht hebben, en dan was de baas van het spel met een groote zweep gekomen, en dan had hij je op een koord laten klimmen en als je niet gewild had, zou hij je met die zweep geslagen hebben. Wanneer ga je weer met dien lieven oom mee, Tine?”
„O, neen, nooit, Tommie, heusch niet! hij zal toch niet weer terugkomen?”
„Ik hoop het niet, maar je weet nu, waar het op staat als je met zoo’n oom meegaat.”
„Ik zal heusch op Suze wachten, Tommie.”
„Het is je geraden,” had hij geantwoord en was daarop naar boven gegaan om zijn huiswerk te maken, terwijl tante Dora Tine meenam om haar naar bed te brengen.
Toen de juffrouw ’s morgens in haar klasse kwam, zeide zij: „Annie van Walen, jij krijgt een andere plaats. Ga maar naast Clara van Scheik zitten op de plaats van Laura Stubbens en jij, Laura, naast Louise Bronsma.”
Laura vond het alles behalve plezierig om haar plaats naast Clara te moeten verlaten, maar Annie was blij; nu was zij tenminste van die ellende van het voorzeggen af.
Zoodra Laura naast Louise zat, fluisterde zij tot deze: „je hoeft het mij niet te vragen, hoor, ik doe het toch niet. Ik ben niet zoo mal als Annie.”
„Is Annie boos op mij?”
„Ik weet het niet,” was het antwoord, „maar het zal wel; je bent ook een akelig spook om haar zoo te laten wegsturen zonder iets te zeggen.”
Louise kreeg een vreeselijke kleur en wist niets te antwoorden.
Om twaalf uur, toen Annie op Bertha van Scheik stond te wachten, kwam eensklaps Louise Bronsma naar haar toe.
„Zeg, ben je boos op me?”
„Ach ik weet het niet, zanik nu niet. Ik vond het wel flauw, dat je niets aan de juffrouw zeide, maar je durfde natuurlijk weer niet en nu kan ik morgen een uur blijven in plaats van naar buiten te gaan.”
„Zal ik het dan nog zeggen?”
„Neen, laat maar, zeur er nu maar niet meer over. Daar komt Bertha eindelijk; wat is ze laat, iedereen is al weg.”
Annie liep haar vriendinnetje te gemoet en liet Louise staan.
Toen deze zich omkeerde om ook naar huis te gaan, bonsde zij bijna tegen de directrice aan, die juist naar buiten kwam.
„Wacht je op een van de meisjes, Louise?” vroeg de juffrouw.
„Neen, juffrouw.”
„Waarom ben je dan nog hier?”
„Ik sprak even met Annie van Walen, juffrouw.”
„Ga dan nog even mee naar binnen naar mijn kamer.” En toen zij daar waren, vroeg de juffrouw:
„Jij en Annie moeten morgen schooi blijven, is het niet?”
„Ja, juffrouw.”
„Ik begrijp mij dat plezier van Annie niet om jou altijd voor te zeggen. Waarom zeg je niet tegen haar: Houd er nu eindelijk eens mee op, ik vind het vervelend?”
Nu vatte Louise al haar moed samen. Met een hoogroode kleur stamelde zij: „Ik had Annie juist gevraagd om het te doen, juffrouw.”
Het hooge woord was er uit en het arme kind voelde zich werkelijk opgelucht.
„Zoo,” antwoordde de juffrouw kalm, „hadt jij haar erom gevraagd? Het was nu de vierde maal; hadt jij haar de vorige keeren ook verzocht het te doen?”
„Ja, juffrouw.”
„Dan moet ik zeggen, dat ik het heel aardig vind van Annie, dat zij daar niets van gezegd heeft, maar waarom heb je de juffrouw niet de waarheid verteld?”
Louise liet het hoofd hangen.
„Nu, kind, ga maar naar huis,” hervatte de juffrouw, „maar probeer toch eens of je niet flinker kunt worden; je voelt toch zelf wel dat het heel onaardig is om een ander meisje straf te laten krijgen voor iets, dat eigenlijk jouw schuld is.”
„Ja juffrouw,” antwoordde Louise verlegen.
„Ga dan nu maar naar huis, doch laat zoo iets niet weer gebeuren?”
Intusschen waren Annie en Bertha samen voortgeloopen.
„Heeft je tante er al iets van gezegd, wanneer Paula zou mogen komen?” vroeg Bertha.
„Neen, nog niet.”
„Vraag het eens.”
„Neen, hoor, dat durf ik niet!”
„Ik ben zoo benieuwd om haar te zien. Ik hoop maar dat zij gauw komt?”
Toen Annie thuis kwam, riep mevrouw Stubbens haar in de huiskamer. „Ik heb een aardige verrassing voor je, Annie; Paula mag van Zaterdag tot Zondagavond hier komen.”
„O, wat dol!” riep het meisje, „meent u het werkelijk, tante?”
„Zeker, oom gaat haar Zaterdag halen; hij moet toch voor zaken daar in de buurt zijn en brengt Paula dan mee.”
„Weet oom al dat ik blijven moet?” vroeg Annie verlegen.
„Ja, ik vond het beter het maar zelf aan oom te vertellen.”
„En was oom erg boos?”
„Eerst wel, maar toen ik alles precies verteld had, zeide oom, dat hij het dezen keer door de vingers zou zien, omdat het gedeeltelijk niet jouw schuld was.”
Toen Annie het aan haar nichtjes vertelde, zeide Coba: „je wordt hier echt het verwende kindje.”
„Ja,” voegde Laura erbij, „en nu kan ik voor jouw plezier naast dat vervelende kind van Bronsma zitten.”
„Heb je haar al voorgezegd?” vroeg Coba plagend.
„Daar kan ze lang op wachten, dat vervelende wicht.”
„Gaan jullie nooit naar school? het is al bijna tien minuten voor twee!” klonk eensklaps een vroolijke jongensstem en Tom stak zijn hoofd naar binnen. „Zeg, Annie,” vervolgde hij, toen zij gezamenlijk op weg gingen, „heeft Frans je nog verteld, waarom hij weggestuurd is?”
„Ja,” antwoordde Annie nog lachend bij de herinnering.
„Nu, lach maar niet, de dokter was zoo boos, dat hij gezegd heeft, dat Frans in den eersten tijd op zijn vrije middagen niet meer uit mag. Het is een leelijk geval, want hij moet uitkomen in den grooten voetbalwedstrijd en nu heeft hij geen gelegenheid om zich te oefenen.”
„Doe jij ook mee, Tom?” vroeg Annie.
„Nou, of ik en jullie moeten komen kijken, het zal een prachtig gezicht zijn. Zondag is er een kleine onderlinge wedstrijd, komen jullie dan ook?”
„Graag, als ik mag,” antwoordde Annie, „gaan jullie ook mee, Co en Lau?”
„Zondag, neen dank je wel, dan spelen alleen de kleine jongens,” antwoordde Coba uit de hoogte.
„Dank je,” riep Tom geraakt en verdween in een zijstraat.
Coba en Laura lachten, maar Annie vond het niets aardig, dat zij Tom zoo plaagden en was vast besloten naar den wedstrijd te gaan kijken.
„Annie, je moet even bij de directrice komen,” zeide de juffrouw, toen zij het lokaal binnenkwam, waar al haar leerlingen reeds bijeen waren.
Verbaasd stond Annie op en klopte een oogenblik later bij de directrice aan.
„Zoo, ben je daar Annie?” zeide deze vriendelijk, toen het meisje haar begroet had. „Ik wilde je alleen maar zeggen, dat Louise mij alles verteld heeft en dat je morgen middag niet behoeft school te blijven.”
Annie’s oogen schitterden.
„Daar ben je blij om, hè?” hernam de juffrouw glimlachend. „Nu, ga maar gauw naar binnen, laat de juffrouw niet wachten.”
Om vier uur stond Annie met het grootste ongeduld Bertha op te wachten, om haar al het nieuws te vertellen, maar voordat zij het lokaal verliet, was zij naar Louise toegegaan en had zij dankbaar tot haar gezegd: „Dank je wel, Lou, dat je het verteld hebt, ik hoef nu niet te blijven.”
De arme Louise had werkelijk vroolijk gekeken, zij was oprecht blij.
„Bertha,” zeide Annie, toen deze aankwam, en zij stak haar arm door dien van het oudere meisje, „vind je het niet dol, ik hoef morgen niet te blijven en Zaterdag komt Paula.”
Bertha was bijna even blij als Annie, want zij dacht geen oogenblik aan de mogelijkheid, dat haar moeder haar misschien zou verbieden om naar Paula toe te gaan.
De Zaterdag kwam en toen de heer Stubbens zijn zaken had afgedaan, reed hij naar mevrouw Tillens om Paula af te halen.
Paula was zich nog aan het klaar maken en mevrouw ontving hem in het salon.
„Ik ben blij, dat ik u alleen tref, mevrouw,” zeide hij, nadat zij elkaar begroet hadden, „want ik wilde u vragen, of u verlangt dat Paula in gezelschap van de meisjes Van Scheik gebracht zal worden of niet.”
Mevrouw Tillens verbleekte, „U weet dus, wie mevrouw Van Scheik is?” vroeg zij.
„Uw zuster, ja mevrouw, en ik moet u zeggen, dat Annie al aan Bertha verteld heeft, dat Paula komt en dat Bertha brandt van verlangen om kennis te maken met haar nichtje.”
„Ik heb Paula nooit over haar tante gesproken, omdat ik wel begreep, dat er dan aan het vragen geen eind zou komen en ik vind haar nog te jong om haar hoofdje met familietwisten en zoo al meer te vullen.”
„Mevrouw van Scheik schijnt er anders over te denken, want Bertha wist aan Annie te vertellen, dat u haar tante is. Haar moeder maakt er voor haar dus blijkbaar geen geheim van, maar, daar ik niet wist hoe u erover dacht, heb ik Annie verboden er Paula over te schrijven.”
„Dat is heel vriendelijk van u, maar wij zullen de zaak nu maar aan haar beloop laten, ik had de mogelijkheid van een ontmoeting moeten voorzien. Bovendien blijft Paula zoo kort bij u, dat het mijn zuster geen moeite zal kosten de meisjes van elkaar verwijderd te houden, wanneer zij dat wil. In ieder geval moet de eerste stap tot verzoening van hun kant komen; wij hadden geen schuld.”
Op dat oogenblik kwam Paula beneden en na vroolijk afscheid te hebben genomen van haar moeder reed zij met den heer Stubbens weg.
Negende Hoofdstuk.
De Heer Stubbens Doet Een Goed Woord Voor Frans.
Toen de auto eindelijk voor het huis stilhield, stond Tom het gezelschap aan de deur op te wachten.
„Thomas wat zie je er uit!” riep zijn vader, toen hij hem zag. Hij mocht dit wel zeggen.
Tom had een paar bemodderde voetbalschoenen aan; de kleur van zijn korte, roode broek was onherkenbaar en dit kleedingstuk had een groote scheur boven een der knieën, terwijl tot overmaat van ramp Toms eigen knieën bebloed waren, en hij verder nog een blauw oog had.
„Heeft mama je al zoo gezien, jongmensch?”
„Neen, pa, ik kwam juist aan.”
„Hoe kom je aan dat blauwe oog?”
„Een van de lui heeft er mij bij ongeluk een stomp tegen gegeven, toen wij om de bal vochten. Mijn partij heeft van middag prachtig gewonnen, pa.”
„Dat kan ik zien,” antwoordde zijn vader droogjes, „en dit is nog niet eens de wedstrijd. Hoe moet je er wel uitzien, als je daar vandaan komt? Zal ik maar vast een brancard voor je bestellen?”
„Nou, het ging toch wat mooi. Ik hoop, dat het morgen net zoo gaat,” mompelde Tom verontwaardigd.
„Ik niet, want dan hebben wij kans je niet levend terug te zien,” zeide zijn vader. „Enfin, je moet het zelf weten, als jij plezier hebt je half dood te laten ranselen. Maar je moeder zal wel boos zijn, wanneer zij die kleeren ziet.”
„O, die breng ik wel gauw bij Suze, die maakt ze wel voor mij schoon,” antwoordde de jeugdige kampvechter, die teleurgesteld was, omdat zijn vader niet méér verblijd was over zijn overwinning.
„Vindt je pa het niet goed, dat je meespeelt?” vroeg Paula, nadat zij elkaar begroet hadden, bij het naar binnen gaan aan Tom.
„Ach, jawel, maar pa zegt altijd: „die voetbalnonsens kan mij niet schelen, als je maar voor een goed rapport op het gymnasium zorgt.””
Annie nam Paula mee naar binnen naar mevrouw Stubbens, die het meisje op de koele manier, die zij altijd tegenover vreemden aan den dag legde, begroette. Toch voegde zij erbij: „ik hoop, dat wij je nog dikwijls hier zullen zien, Paula, en dat je, als Annie weer naar huis is, de meisjes nog wel eens zult willen komen opzoeken.”
„Heel graag, mevrouw,” antwoordde Paula.
„Geloof jij, Annie,” zeide zij een oogenblik later tot haar vriendin, toen zij en Annie samen naar boven gingen, „dat Coba en Laura mij ooit zullen vragen? Weet je nog, hoe trotsch zij dien keer op Wilgenhorst tegen mij waren, toen zij met je tante waren meegekomen?”
„Ja, dat herinner ik mij nog wel. Ik weet niet, of ze je zullen vragen, misschien wel.”
Annie brandde van verlangen, om Paula alles te vertellen van mevrouw Van Scheik en de meisjes, maar haar oom had het haar toch nog verboden. „Niet doen hoor,” had hij gezegd, „mevrouw Van Scheik wil het niet hebben en tante en ik ook niet.”
Annie moest dus nog zwijgen. Zij vond het heel vervelend, eerst had oom gezegd, wacht tot je thuis bent en nu toen zij thuis was, had hij haar in de gang toegefluisterd het niet te doen en zij begreep maar niet, waarom.
Op Annie’s dringend verzoek had mevrouw Stubbens toegelaten, dat Paula dien nacht bij haar vriendinnetje op de kamer mocht slapen en toen de meisjes daar nu bezig waren, zich wat op te knappen, voordat zij aan tafel gingen, kwam Tom, na luid op de deur gebonsd te hebben de kamer in.
„Mag ik binnen komen?”
„Je vraagt het wel bijtijds,” antwoordde de meisjes, „maar je mag wel.”
„Zeg, jullie komen morgen toch kijken? Die twee flauwe nuffen willen niet.”
„Wie bedoel je?”
„Die twee stijve preten, Coba en Laura, maar ik zal ze wel hebben.”
„Dat moest je ma eens hooren,” zeide Annie. „Hoor je dat Paula?”
„Hij is boos, hè, Tom,” antwoordde Paula goedig. „Maar, als je ma het goed vindt, zullen wij komen, hoor, dat beloof ik je. Maar, wat heb je een buil op je oog.”
„Ja, zou hij morgen weg zijn?”
„Weg? morgen is hij blauw, geel, groen en paars,” plaagde Annie.
„Denk je dat heusch?” klonk het blij, „dat zou leuk zijn.”
„Leuk?”
„Natuurlijk, dat is iets, waarop je trotsch moet zijn, zegt Frits, het is een teeken, dat je echt gevochten hebt voor de overwinning. Dus jullie komen, hè? dat is patent,” en fluitend verliet hij de kamer.
Toen de meisjes beneden kwamen, vonden zij Tom’s drie zusjes, die bij Paula’s aankomst nog niet thuis waren geweest van de wandeling. Zij begroetten Paula wel wat verlegen, want beiden dachten zij aan de vorige ontmoeting op Wilgenhorst, toen zij zoo onaardig waren geweest. Zij begrepen wel, dat Paula dit nog niet vergeten was en lieten haar dus geheel aan Annie over.
Dien avond tegen zeven uur, toen hij wist, dat de dokter thuis zou zijn, ging de heer Stubbens den heer Van Meerel opzoeken.
„Goeden avond, Stubbens, daar doe je goed aan,” zeide de dokter, toen zijn vriend Stubbens de kamer van den dokter binnentrad, waar deze juist de krant zat te lezen. „Wil je eens opsteken?”
De heer Stubbens nam een sigaar uit den welvoorzienen koker, dien de dokter hem aanbood en nam plaats op den armstoel, welke deze voor hem bijschoof.
„Je raadt nooit, waarover ik je kom spreken,” begon de heer Stubbens.
„Als ik het toch niet kan raden, zeg het dan maar, dat spaart tijd,” merkte de dokter op.
„Over je zoon.”
„Wat heeft hij nu weer uitgehaald? Die jongen is een nagel aan mijn doodkist.”
„Zeg dat nu niet te gauw. Wil ik je eens wat zeggen, Van Meerel? jij kent je eigen zoon niet.”
„Neen, dat lijkt maar zoo! Maanden achter elkaar niets dan slechte cijfers op school; eindelijk komt hij met kunst en vliegwerk op het gymnasium, natuurlijk veel te laat, en dan haalt hij weer kattekwaad uit.”
„Het staat natuurlijk niet aan mij, het te beoordeelen,” merkte de heer Stubbens op, „maar je weet, wij hebben het er vroeger al eens over gehad en toen heb je gezegd: de jongen deugt niet voor de studie; overigens is hij flink en slim genoeg. Maar dat doet niets ter zake; waar ik nu eigenlijk voor kom, dat is om je te verzoeken, den jongen zijn vrije middagen terug te geven, om mij plezier te doen.”
„Om jou plezier te doen! maar hoe heb ik het met je? wat kan het jou nu schelen, of de jongen vrij heeft of niet?”
„Alleen maar dit: dat ik het aan hem te danken heb, dat ik mijn kleine Tine nog bezit.”
„Wat bedoel je in vredesnaam; ik weet van die heele historie niets af.”
„Dat wil ik wel gelooven. Hij vertelt je alleen zijn ondeugende streken, het goede en flinke, wat hij doet, houdt hij voor zich.” En nu vertelde mijnheer Stubbens wat er met Tine was voorgevallen en hoe Frans haar gered had.
„Hoe is het mogelijk,” antwoordde de dokter, „dat had ik nooit achter hem gezocht. Ja, zie je Stubbens, het is eigenlijk zoo ongelukkig. Als dokter heb ik zoo bitter weinig tijd om mij met den jongen te bemoeien, eigenlijk moet ik hem heelemaal aan mijn vrouw overlaten en die verwent hem, terwijl ik hem daarentegen misschien te streng aanpak, telkens als ik klachten over hem krijg. Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt. Stelde de jongen toch maar meer vertrouwen in mij, zoodat ik wist, wat hij eigenlijk graag zou worden. Ik heb het altijd als de natuurlijkste zaak van de wereld beschouwd, dat er uit hem een dokter zou groeien als zijn vader en grootvader. Hij heeft er nooit tegen geprutteld. Maar, ik geloof toch ook niet dat hij ooit zoover komt.”
„Nu, daar spreken wij later nog wel eens over, ik zal er mijn gedachten eens over laten gaan, of ik je niet wat aan de hand kan doen, als ik nu maar eerst weet, dat je hem niet langer op zijn vrije middagen opgesloten houdt, dan zal ik je niet langer ophouden.”
„Neen, ik zal hem zijn vrijheid niet langer onthouden,” antwoordde de dokter. „Ik geloof zelf niet, dat het goed voor hem is; hij klaagt dan niet, maar wordt dan alleen zoo akelig stil, dat ik er zelf zenuwachtig van word.”
„Zoo; nu, dan ben ik blij, dat ik niet vergeefs bij je heb aangeklopt, dat zou mij werkelijk gespeten hebben, ik mag den jongen zoo graag.”
„Ik dank je nog wel dat je mij dat alles verteld hebt,” merkte de dokter op.
„Niets te danken, saluut, mijn groeten aan je vrouw,” antwoordde de heer Stubbens en begaf zich opgewekt naar huis.
Tiende Hoofdstuk.
Een Teleurstelling Voor Bertha.
Den volgenden morgen stond Tom reeds vroeg op. Zijn eerste gang was naar den spiegel. Eigenlijk was dit overbodig, want zonder zich daarin te bekijken, kon hij aan zijn half dicht oog en aan de pijn, die hij daaraan had, wel voelen, dat de buil nog niet verdwenen was.
„Het doet leelijk pijn, maar dat moet je er voor over hebben, want het staat kranig,” mompelde hij bij zichzelf.
Zijn moeder was den vorigen middag inderdaad geschrikt, toen zij haar lieveling, want dat was Tom, zoo gehavend zag. Zij had zich eerst ongerust gemaakt over zijn oog, maar toen haar man haar verzekerd had, dat het niets was dan een gewone buil, was die angst geweken. Zij had er van alles aan willen doen, koude compressen en zooal meer, maar Tom had zich hier heftig tegen verzet, vreezende dat zijn fraaie buil dan misschien den volgenden dag verdwenen zou zijn.
„Niet doen, ma, anders is hij morgen misschien weg,” had hij gezegd.
„Maar, jongen, je ziet er zoo vreeselijk uit. Ik ben bang, dat je oog morgen heelemaal dicht is,” bracht zijn moeder wanhopig in het midden.
„Dan kijk ik door het andere, moes.”
En nu was het de volgende dag en stond Tom als een ijdel meisje voor den spiegel. Hij was tevreden over zijn uiterlijk, dat zijn moeder toen hij beneden kwam „verschrikkelijk” noemde en dat de lachlust opwekte van zijn twee oudste zusjes, die er hem duchtig om plaagden.
„Gaan jullie van middag ook kijken, meisjes?” vroeg mevrouw Stubbens aan Coba en Laura.
„Neen, ma, mevrouw Van Scheik heeft ons meegevraagd om vanmiddag met Coba en Bertha en mijnheer en mevrouw natuurlijk, een groote wandeling te gaan maken, als u het goed vindt.”
„Daar heb ik niets tegen, dan willen Annie en Paula Tine zeker wel meenemen, want papa en ik hebben geen tijd, wij moeten noodzakelijk eenige bezoeken afleggen. Maar zullen jullie goed op haar passen, meisjes?”
„Wij zullen haar niet uit het oog verliezen, tante,” antwoordde Annie.
„Dat is goed en pas vooral op, dat je niet op een gevaarlijke plaats gaat staan, waar je een bal tegen je aan kunt krijgen,” voegde mijnheer Stubbens erbij. „Thomas vindt dat zoo’n buil goed staat, maar ik zie jullie toch liever zonder.”
De kinderen beloofden het en een uur later begaven zij zich vroolijk op weg.
Vol geestdrift volgden zij het spel, dat met vuur gespeeld werd, en toen eindelijk na een heftigen strijd Tom’s elftal een schitterende overwinning behaalde, juichten zij hem uitbundig toe.
Intusschen was Bertha van Scheik diep ongelukkig. Reeds zoolang had zij zich op Paula’s komst verheugd en nu deze er eindelijk was, mocht zij niet naar haar toe.
„Hè, ma, ik heb er zoo naar verlangd, dat Paula komen zou,” zeide zij verdrietig tot haar moeder, „waarom mag ik nu niet met Annie en Paula mee naar den wedstrijd?”
„Neen, Bertha, ik vind het niet goed. Je weet, dat tante Tillens en wij niet wel met elkaar zijn, het kan dus niet. Tante zou er misschien niet op gesteld zijn.”
„Waarom wordt u dan niet weer goed op tante?”
„Luister nu eens, Bertha, je bent nog veel te jong om dat alles te begrijpen, maar je bent te oud om als een klein kind te dwingen. Laat het dus genoeg zijn, dat ik het liever niet heb. Vroeger was Coba zoo’n vriendin van je, is dat nu ineens uit na de komst van Annie?”
„Neen, ma, dat is het niet, maar u weet hoe onaardig Coba tegen Annie kan zijn; als u dat wist, zou u haar in mijn plaats ook niet meer tot vriendin willen hebben. Weet u, wat zij verleden week gedaan heeft? Annie heeft het thuis niet willen vertellen.”
„Annie had een mooi porceleinen beeldje en dat liet zij ons laatst zien. Zij was er erg zuinig op, want haar papa had het haar uit Engeland gezonden en zij bewaarde het ingepakt in haar koffer, uit angst dat het breken zou. Nu dan, Coba vroeg aan mij of ik dien middag met haar ging fietsen, maar ik had aan Annie beloofd om met haar te zullen gaan wandelen en toen ik haar dat zeide werd Coba zoo driftig, dat zij Annie’s beeldje nam en het met een smak op den grond wierp, waar het natuurlijk in stukken viel. „Ziezoo, naar kind,” riep zij, „dat is omdat je altijd afspraakjes met Bertha maakt, zoodat zij nooit meer met mij uitgaat.” Annie begon natuurlijk vreeselijk te huilen, en het was ook niet de eerste keer; zij doet wel meer van die dingen.”
„Foei, hoe leelijk van Coba, dat had ik nooit van haar gedacht. Is mevrouw Stubbens het nog te weten gekomen?”
„Neen, ma, Laura wou het dadelijk aan haar mama gaan vertellen, maar Annie wilde het niet hebben. Zij zag ook wel, dat Coba er eigenlijk zelf van geschrikt was, maar ondertusschen is Annie haar mooie beeldje kwijt. Coba is zoo jaloersch van Annie.”
„Het is heel onaardig van haar en het is eigenlijk zeer verkeerd dat haar moeder niet weet, dat zij zulke dingen doet, maar wij zullen ons daar maar niet mee bemoeien; jij moet vooral niets van haar aanbrengen, Bertha, dat staat zoo leelijk. Maar zeg mij eens, wat is die Paula voor een meisje, vertelt Annie je wel eens van haar?”
„O, ma, u moet haar over Paula hooren, dat is zoo’n snoes! Annie houdt dol veel van haar, zij is zoo zacht, en haar ma was altijd zoo aardig voor Annie.”
„Zij was altijd zoo lief,” mompelde mevrouw Van Scheik.
„Zeg, moesje, mag ik haar nu niet hier brengen?”
„Neen, Bep, vraag er nu niet meer om; ik kan het je niet toestaan. Het spijt mij heel erg, dat mevrouw Stubbens Paula hier gevraagd heeft, het geeft niets dan moeilijkheden.”
Bertha had er verder natuurlijk niet meer om durven vragen en was met haar vader en moeder en Clara en de meisjes Stubbens gaan wandelen, terwijl haar broers naar den wedstrijd gingen.
„Gaan jullie allemaal mee naar huis?” vroeg Tom, toen deze was afgeloopen, aan zijn vrienden, „dan kunnen wij in den tuin wat uitblazen.”
De jongens namen het graag aan en kort daarop zaten zij met de drie meisjes op het groote grasperk achter het huis van de familie Stubbens.
„Zoo, zijn jullie daar en hebben jullie gewonnen?” hoorden zij eensklaps de stem van Tom’s vader.
„O, prachtig, mijnheer, 3–1!” riepen de vrienden door elkaar. „Tom heeft zich zoo flink gehouden!”
„Nou, maar Frans was buitengewoon,” bracht Tom in het midden.
„Als jullie dan zoo dapper gestreden hebt,” merkte mevrouw Stubbens op, die er intusschen bijgekomen was, „dan zal een glas limonade zeker wel smaken?”
„Als het u blieft, mevrouw!” klonk het in koor.
Toen mevrouw Stubbens een oogenblik later met den verfrisschenden drank terugkwam, vroeg zij: „Jongelui, zouden jullie zin hebben ter eere van de overwinning hier te blijven eten? Gaat het straks maar even vragen, jelui hebt je van middag zoo flink gehouden, dat ik vind dat je wel een pretje verdient.”
De jongens vonden het natuurlijk heerlijk en nadat zij hun limonade gedronken hadden en wat waren uitgerust, spoedden zij zich naar huis om de verlangde toestemming te vragen en zich te verkleeden.
„Wel, Paula, heb je plezier gehad?” vroeg mevrouw Stubbens, toen de meisjes na het heengaan van de jongens het huis in kwamen.
„O, mevrouw, het was heerlijk, ik heb nog nooit zoo’n pret gehad.”
„Toon dan maar, dat je het hier prettig vond, door over veertien dagen terug te komen,” zeide mijnheer Stubbens, „dan is die jongejuffrouw jarig,” voegde hij op Annie wijzende erbij, „en zij vindt natuurlijk dat haar zielsvriendin daarbij hoort.”
„Dol graag, mijnheer!” antwoordde Paula met een stralend gezichtje. Zij had den geheelen dag genoten en vond het een verrukkelijk vooruitzicht, zoo spoedig te mogen terugkomen. Als haar moeder het nu maar goed vond!
„Je hadt er toch niets tegen, dat ik het meisje vroeg, Dora?” zeide de heer Stubbens, toen hij met zijn vrouw alleen was. „Zij is je toch zeker meegevallen?”
„Er was geen sprake van meevallen. Vroeger was ik bang, dat het kind geen gezelschap voor de meisjes zou zijn, maar zoodra ik wist, dat het een dochter was van Paula Helmers, was ik daar natuurlijk niet meer bang voor. Zij is een zeer net meisje, zelfs wel een beetje ouwelijk voor haar jaren, maar dat komt natuurlijk, omdat zij alleen woont met haar moeder.”
„Weet jij ook waarom mevrouw Van Scheik en haar zuster gebrouilleerd zijn?”
„Ach, dat is een heel oude geschiedenis,” antwoordde mevrouw Stubbens, terwijl ze in ieder servet een verrassing vouwde, „het ware weet ik er ook niet van. Mijnheer Tillens schijnt vroeger op het advocatenkantoor van den ouden heer Hermsen gewerkt te hebben en daar moet toen iets gebeurd zijn. Hij schijnt stukken weggemaakt te hebben, die betrekking hadden op de familie Van Scheik. Hoe het precies was, weet ik niet, maar Van Scheik was woedend op hem, vertelde Mina mij, vooral ook omdat hij bleef volhouden, dat hij er niets van wist; dat hij die papieren zelfs nooit in handen had gehad.”
„Hij werkte daar toch niet alleen?”
„Met Stokman, den vader van den jongen Stokman, die nu nog op dat kantoor is, maar die ontkende eveneens en werkelijk scheen de schijn erg tegen mijnheer Tillens te zijn. Hij is toen weggegaan en heeft buiten zijn intrek genomen in dezelfde villa, waar nu nog zijn vrouw en dochter wonen. Zij hadden juist genoeg om stilletjes van te leven, maar, zooals je weet, is de twist tusschen de beide families nooit bijgelegd. Mevrouw Van Scheik heeft mij verleden week, toen ik bij haar was om over Paula te spreken, dit alles verteld, omdat ik de geschiedenis toch al half wist. Het komt mij voor, dat zij wel graag weer met haar zuster zou willen verzoenen, maar haar man wil niet, hij is bang voor een weigering van den kant van mevrouw Tillens.”
„Ik begrijp niet, dat de menschen er plezier in hebben, zoolang in vijandschap te leven,” merkte de heer Stubbens op. „Ik houd niet van familietwisten en zou er nooit aan meedoen. Maar, van den ouden heer Hermsen gesproken, Dora, zou je niet eens met Annie een bezoek aan haar grootmoeder gaan brengen? Annie schijnt er van den zomer niet gelogeerd te hebben, dus zal de oude dame wel verlangend zijn om haar te zien.”
„Ik had er al met Annie over gesproken en als er niets tusschenbeide komt, zal ik Woensdagmiddag met haar gaan. Ik zal mevrouw vooruit schrijven, dat wij komen.”
„Dat is best. Kijk, daar komen de jongens terug, dat zal me een drukte geven aan tafel! wat heb je in die servetten gestopt?”
„Och, een kleine verrassing. Thomas houdt zooveel van zooiets, je moet eens op zijn gezicht letten, als hij het openmaakt. Het is maar een grapje.”
„Had je er zoo vast op gerekend, dat hij winnen zou?”
„Neen, maar als zij verloren hadden, zou ik hen toch uitgenoodigd hebben, omdat zij dan troost noodig hadden.”
Mijnheer Stubbens lachte en op datzelfde oogenblik kwam het heele vroolijke troepje de kamer in.
„Allemaal present? dat is flink,” zeide de heer Stubbens. „Thomas, ga jij de meisjes dan roepen, ik bedoel Annie en Paula en Tine, die zich aan het mooi maken zijn; Coba en Laura blijven bij mevrouw Van Scheik eten. Wij hebben geruild, wij hebben de jongeheeren Van Scheik en zij de meisjes Stubbens.”
Frits en Karel lachten en beweerden, dat zij die ruil wel eens leuk vonden.
„Heb je de meisjes geroepen, Thomas?” vroeg zijn moeder, toen de jonge dames zich lieten wachten.
„Ja, ma, ik hoor ze al.”
Kort daarop ging de deur open en traden Annie en Paula de kamer in, voorafgegaan door Tine. Het kind hield een pak in de hand, waarmee zij regelrecht naar Tom liep.
„Daar, Tommie, van Annie,” zeide zij, „maar ik mag het geven.”
Toen Tom het van haar wilde aannemen, voegde de kleine er echter bij, „ik zal het ook openmaken.”
Zij liep met het pak naar een stoel, legde het daarop en begon nu aan de touwtjes te trekken om ze los te krijgen. Zij trok en friemelde net zoolang tot zij het touw van het pak af had, terwijl Tom goedig zijn ongeduld bedwong en haar liet begaan.
„Nu mag Thomas het papier er af doen, Tine, geef het nu aan hem,” zeide haar moeder, „jij het touw en hij de papieren, ieder wat.”
Gehoorzaam gaf de kleine nu het pak aan Tom, die het haastig van het papier ontdeed.
„O, een nieuwe voetbal. Jongens, kijk eens wat een mooi ding! dank je wel Annie! vooruit zeg,” riep hij tot zijn vrienden, „een rondedans.”
In een oogenblik hadden de jongens met Paula en Tine een kring om Annie heen gevormd en zongen zij luidkeels: „Lang zal ze leven! lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria!”
„Maar Annie, hoe kom je er toe hun zoo’n mooie bal te geven?” vroeg mevrouw Stubbens, zoodra zij zich over het rumoer heen weer verstaanbaar kon maken. „Geen wonder dat zij blij zijn. Heb je haar zelf gekocht?”
„Oom is meegegaan, tante.”
„Ja, ik was in het geheim,” zeide de heer Stubbens. „Annie en ik zijn haar samen gaan koopen. Zij had medelijden met Tom en zijn vrienden, omdat zij zoo klaagden over hun bal en bang waren dat zij, omdat deze zoo slecht was, den grooten wedstrijd zouden verliezen. Hebben wij geen goede keus gedaan, jongens?”
„Nou, en of,” antwoordden de jongens, die allen om beurten het prachtexemplaar van nabij moesten bekijken.
„Ziezoo, nu aan tafel, dan kunnen jullie op Annie’s gezondheid drinken,” zeide de heer Stubbens. „Vooruit, maar, jongelui, naar de eetkamer.”
Toen allen gezeten waren, zag mevrouw, dat de kinderen nieuwsgierig naar hun hoog opbuilende servetten keken, maar ze niet durfden openvouwen. Alleen de kleine Tine gaf het voorbeeld, vouwde dapper haar kinderservetje open en kraaide van pret, toen zij er een aardig popje van chocolade uit te voorschijn bracht.
„De knecht van Sinterklaas,” zeide zij en wilde dat heerschap fluks naar haar mond brengen.
„Dat kan je begrijpen,” riep haar vader, die naast haar zat en de hand met den zwarten knecht nog juist kon grijpen, voordat deze haar mond had bereikt. „Eerst zoet eten en dan zullen wij eens zien of we niet een arm of een been van hem kunnen afbreken. Maar vindt je het niet jammer hem zoo gauw op te eten, Tine, als hij op is, dan is hij weg, dan heb je hem niet meer.”
„Dan geeft paatje mij wel een andere, is het niet?”
Iedereen lachte, maar de heer Stubbens verzekerde zijn jongste dochter, dat hij dat volstrekt niet van plan was. „Eens opgegeten, blijft opgegeten,” zeide hij, „dan komt er maar niet zoo dadelijk iets nieuws.”
Intusschen hadden de jongens en de andere meisjes Tine’s voorbeeld gevolgd en hun servet opengevouwen. Ieder vond iets aardigs: Tom een mooie penhouder, Frans een zakmes, Annie en Paula ieder een mooie inktlap en zoo was er voor ieder een kleinigheid.
„Dank u wel, mijnheer, dank u wel, mevrouw,” klonk het door elkaar en ieder wilde zien wat de ander gekregen had, zoodat de geschenkjes de ronde van de tafel deden en door allen bewonderd werden. Tine stond erop, dat haar popje eveneens van hand tot hand zou gaan, maar toch volgde zij het met angstige blikken en toen zij het eindelijk terug had, slaakte zij een hoorbare zucht van verlichting en koesterde het in haar tengere armpjes.
De jongens lieten zich na den strijd van dien middag het eten goed smaken en klonken allen dankbaar met de geefster van de mooie bal. Na tafel deden zij nog eenige kalme spelletjes, want zij waren allen min of meer moe en om acht uur namen zij afscheid, omdat toen de automobiel voorreed, waarin Annie en de heer Stubbens Paula naar huis zouden brengen. Tante Dora was wel bang geweest, dat het voor Annie wat laat zou worden, als zij meeging, maar de beide meisjes hadden zóó gesmeekt, dat zij het maar had toegestaan.
„Dag, mevrouw, ik dank u wel voor het plezier, dat ik gehad heb,” zeide Paula bij het afscheid nemen.
„Dag, Paula,” antwoordde mevrouw Stubbens, „ik reken er dus op, dat je Zaterdag over een week terugkomt, zeg dat maar aan je mama.”
„Graag, mevrouw,” antwoordde het meisje en verliet met Annie en haar oom de kamer.
Het volgende oogenblik snelde de auto met luid getoeter door de straten en om half tien, dus voor haar doen zeer laat, lag Annie eerst in haar bed, waar zij van voetbalwedstrijden, van Paula en Bertha en alles door elkaar droomde, terwijl Paula onder het uitkleeden aan haar moeder vertelde van al het plezier dat ze had gehad.
„En verbeeld u hoe heerlijk, moes,” zoo besloot zij, „voor Zaterdag over een week ben ik weer gevraagd, want dien Zondag is Annie jarig. Ik mag toch gaan, moes?”
„Zeker, kind, als je zooveel plezier hebt gehad, mag je nog eens gaan, ik heb er niets tegen, maar ga nu slapen,” zeide mevrouw Tillens en verliet na nog een laatste nachtkus de kamer van haar dochter.
Elfde Hoofdstuk.
Annie Op Bezoek Bij Haar Grootma.
„Annie,” zei mevrouw Stubbens den volgenden dag, „ik heb aan je grootmama geschreven, dat wij haar Woensdagmiddag een bezoek komen brengen. Wij gaan dan met de automobiel, dan kunnen wij nog vóór het eten terug zijn.”
„In de auto, tante? heerlijk!” riep Annie, „mag Tine ook mee?”
„Daar had ik zelf al over gedacht, ik zal er eens met oom over spreken. Wij gaan in ieder geval, als er geen tegenbericht komt, om half twee van hier.”
Den volgenden dag, toen mevrouw Hermsen aan de ontbijttafel zat, bracht Mina haar de brieven, welke met de eerste post gekomen waren.
„Dank je, Mina,” zeide de oude mevrouw, ze van het blaadje nemende, waarop Mina ze haar toereikte. „Vier brieven,” zeide zij bij zichzelve, toen Mina de kamer uit was. „Eén van Van Walen; één van den dokter, die vraagt zeker een bijdrage voor dat sanatorium, dat hij wil oprichten, en die zal hij hebben; één van het Hôtel du Nord in Keulen, waar ik kamers had besteld, die zijn nu niet meer noodig; en ... hé, van wie kan deze brief zijn? van Annie is hij niet en hij komt toch daar van daan, het is een dameshand, gauw eens zien, ik ben er toch benieuwd naar.”
Grootmama veegde weer zorgvuldig haar brilleglazen schoon, zette de bril toen voorzichtig op en scheurde de enveloppe open van den brief van mevrouw Stubbens, want deze was het.
„Neen maar, daar had ik nu toch niet op gerekend, dat vind ik nu eens aardig van mevrouw Stubbens,” mompelde de oude mevrouw onder het lezen. „Mina, Mina,” riep zij, toen zij Mina Holst door de gang hoorde loopen.
„Wat blief, mevrouw?” vroeg Mina, die toevallig op weg was naar de huiskamer om te zien, of zij het ontbijt al kon wegruimen; misschien ook was zij een beetje nieuwsgierig om te weten, of er soms eenig nieuws over Annie was gekomen; en Mina kwam binnen.
„Mina, Woensdag krijg ik visite, mevrouw Stubbens komt mij een bezoek brengen.”
„Met Annie, mevrouw?”
„Ja,” antwoordde de oude mevrouw met een blijden glimlach, „zij komt mee. Nu, wij hebben lang genoeg naar het kind verlangd. Maar, ik wilde je zeggen, Mina, als Annie er nu is, moet je maar niet over dat mislukte bezoek van haar spreken. Misschien heeft mevrouw Stubbens er haar niets van gezegd en dan zou het maar moeite en last geven.”
„Het is goed, mevrouw; gut, gut, ik ben toch zoo blij!”
„Ik ook, Mina, ik verlang onuitsprekelijk naar het kind, zooals je wel zult begrijpen.”
„Nu, dat spreekt, ik weet het aan mezelve, hé, en u bent haar eigen grootmoe. Dus, Woensdag,” mompelde Mina verheugd, terwijl zij de kamer verliet.
Mevrouw Hermsen schreef vlug een briefje aan mevrouw Stubbens om haar te zeggen, dat zij en Annie haar van harte welkom waren en zond, toen zij dit verstuurd had tevens een boodschap aan den jongen Stokman om te vragen of hij van kantoor komende, even bij haar wilde aanloopen.
Tegen twaalf uur verscheen hij.
„Dag, mevrouw Hermsen, wat is er van uw dienst?” vroeg hij, „moet ik het nu alweer probeeren, vindt u den tijd niet wat kort?”
„Zoo dom ben ik niet, Willem,” antwoordde de oude mevrouw, nadat zij hem begroet had, „dat ik nu alweer een tweede poging zou wagen. Neen, ik heb je alleen maar laten komen, om je te zeggen, dat Annie Woensdag komt.”
„Wat! hoe hebt u dat klaar gespeeld?”
„Maar niet voor goed.”
„Dat hangt toch maar van uzelve af, als zij nu toch uit zichzelve hier komt, dan zou ik haar ook maar ineens houden, als u daar dan zoo bijster op gesteld is.”
„Het kan niet, mevrouw Stubbens komt met haar mee.”
„Ja, dan wordt het een moeilijker geval, maar toch niet onmogelijk,” antwoordde hij nadenkend. „Blijven ze hier eten?”
„Neen, mevrouw moet vóór het eten weer thuis zijn.”
„Prachtig! mevrouw moet weer thuis zijn, maar Annie toch niet. U vraagt natuurlijk of uw kleinkind mag blijven, dan zal u haar om negen uur met de automobiel thuis laten brengen. Welnu, laat ze daar dan maar op wachten. Het kind houdt veel van u en zal dus geen moeilijkheden maken, vooral omdat zij nu niet zoo bijzonder op haar tante gesteld is, zooals u mij laatst zeide. In uw plaats deed ik het zeker, maar dan krijg ik toch wat van u, omdat ik u dit plannetje aan de hand heb gedaan, want, ziet u, ik denk er sterk over van dat andere plan af te zien, het is voor mij te gevaarlijk en het zou toch ook niet mooi zijn zooiets te ondernemen, terwijl ik mijnheer Stubbens’ voorspraak wil inroepen voor het verkrijgen van die nieuwe betrekking.”
„Je beschouwt de zaak heelemaal verkeerd,” antwoordde de oude dame. „Je vergeet, Willem, dat ik als grootmoeder toch meer recht op het kind heb dan de familie Stubbens; ik ben toch haar eigen grootmoeder. Hoe kan er nu iets verkeerds in steken, dat jij het kind bij haar grootmoeder brengt, die zoo zielsveel van haar houdt.”
„Ik denk toch niet, dat ik het doe en dit plan is werkelijk niet zoo verkeerd,” antwoordde Stokman. „Zij weten dan tenminste bij wie het kind is en u kan hun schrijven, dat u het kind verder bij u houdt.”
„Als ik had kunnen weten, dat je mij in den steek wilt laten, had ik mij de moeite kunnen besparen je te laten roepen, want dat heb ik alleen gedaan om je te waarschuwen, dat Annie Woensdag hier komt, zoodat je dan een goede gelegenheid hebt om haar te bekijken en je kunt behoeden voor een tweede vergissing.”
„Nu, het kan geen kwaad het kind nog eens te bekijken; ik zeg ook niet beslist, dat ik het niet doen wil: als mijnheer Stubbens bij voorbeeld bepaald weigert mij te helpen, dan zou het er misschien toch nog van kunnen komen. Misschien heeft u gelijk en is het niet zoo verkeerd, ik weet het zelf niet. Ik dank u intusschen voor de waarschuwing.” En hiermede nam Stokman afscheid van de oude dame en verliet het huis.
Zoodra mevrouw Hermsen alleen was, verborg zij het gelaat in beide handen. „Is het niet vreeselijk!” mompelde zij, „dat ik tot allerlei lage listen mijn toevlucht moet nemen om mijn eigen dierbaar kleinkind tegen die vreemde vrouw te beschermen! Ik ken die juffrouw Ackfield niet, maar ik heb van dien éénen Engelschman in mijn jeugd genoeg slechts ondervonden, om van deze vrouw het ergste te vreezen. Het eenig kind van mijn Annie in handen van zoo’n vreemde vrouw, die haar niet zal kunnen verstaan, nooit eens vertrouwelijk met het schatje zal spreken, haar niet zal begrijpen! neen, het is te afschuwelijk, ik mag het niet toelaten! Ik geloof, dat het laatste plan van Willem niet kwaad is, ik zal het nog eens overwegen.”
De Woensdag kwam, een donkere, regenachtige dag, zoodat mevrouw Stubbens er eerst over dacht Tine, die nogal vatbaar was, maar thuis te laten. De automobiel kon echter gesloten worden, dus meende mijnheer Stubbens, dat er in het geheel geen gevaar in was en dat het hard zou zijn het kind zonder reden thuis te laten nu zij er zich zoo’n feest van had gemaakt om mee te gaan.
De juffrouw had dien morgen een lastige leerling aan Annie die buitengewoon rusteloos was en niets deed dan met haar buurmeisje, Clara van Scheik, praten.
„Annie, als je zoo door gaat, laat ik je van middag school blijven,” zeide de juffrouw wanhopig.
„Ik moet van middag met tante uit de stad, juffrouw,” antwoordde Annie, die dit deftig vond.
„Dan schrijf ik een briefje aan je tante, dat je den heelen morgen zoo lastig bent geweest, dat ik je van middag hier houd.”
Dit hielp en Annie lette verder goed op.
Mevrouw Hermsen had al wel een kwartier lang op den uitkijk gestaan, terwijl Mina herhaaldelijk naar de deur was geloopen om te zien of zij nog niet kwamen.
Dien morgen had de oude dame het besluit gevat, het plan ten uitvoer te brengen. Zij zou het meisje ten eten vragen en zeggen dat zij het dien avond zou laten thuisbrengen. Zoodra mevrouw Stubbens dan weg was, zouden zij vlug dineeren, met de automobiel naar de stad rijden en daar den trein nemen naar Keulen. Stokman had reeds voor haar biljetten gezorgd, zoodat zij daar geen moeite mee zou hebben.
Daar zag Mina, die wel voor de twintigste maal in het laatste half uur naar de deur was geloopen, de auto aan komen en nu stormde zij de kamer in, waar de oude mevrouw vol ongeduld zat te wachten.
„Mevrouw, mevrouw, daar komen zij!” riep zij en Mina snelde weer naar buiten om de bezoeksters binnen te laten.
Het voertuig stond stil en voordat de chauffeur zijn plaats had kunnen verlaten, had Mina het portier reeds geopend; het volgende oogenblik hing Annie aan haar hals.
„Tante, dit is nu juffrouw Mina,” riep zij, terwijl zij het oudje hartelijk kuste.
„Kind, kind, wat doet het mijn oude hart goed je weer eens te zien,” antwoordde Mina met tranen in de oogen, terwijl zij Annie’s omhelzing met evenveel warmte beantwoordde, „maar, ik mag niet zoo onbeleefd zijn. Ik heb je tante nog niet eens gegroet en daar komt mevrouw ook al naar buiten, ga maar gauw naar haar toe, zij verlangt zoo naar je.”
Annie holde naar haar grootmoeder toe, die haar met uitgebreide armen te gemoet trad. „Mijn Annie, mijn eigen lieveling!” riep mevrouw Hermsen, „kindje, ik ben toch zoo blij dat je weer bij mij bent! en vind jij het nu ook prettig, weer bij grootma te zijn?”
„Dolletjes, grootma!” antwoordde het meisje, „kijk, daar zijn tante en Tineke.”
„Tineke!” herhaalde mevrouw Hermsen verbaasd.
„Ja, mijn jongste nichtje, ik heb u wel eens over haar geschreven.”
Nu trad mevrouw Stubbens naar de oude dame toe en begroetten zij elkaar, terwijl Tine met groote oogen in die voor haar vreemde omgeving stond rond te kijken.
„Mevrouw Hermsen, ik ben zoo vrij geweest mijn jongste dochter mee te brengen,” zeide mevrouw Stubbens nu, „daar had u toch zeker niet tegen?”
„Maar mevrouw, verbeeld u,” antwoordde mevrouw Hermsen, die in het kind nog geen beletsel zag voor het ten uitvoer brengen van haar plan, daar het kleintje natuurlijk niet zonder haar moeder zou achterblijven. „Kom eens hier, kleine meid,” vervolgde zij tot Tine, „en vertel mij eens hoe je heet.”
„Christine, Dorothea, Stubbens van de Keizersgracht drie en tachtig,” was het antwoord.
„Zoo, zoo, dat is flink, dat jij je adres erbij weet. Als je ooit wegraakt, dan weet iedereen waar je teruggebracht moet worden,” merkte de oude dame op, terwijl zij het kind op haar schoot trok.
„Ja, stel u voor,” begon mevrouw Stubbens en nu deed zij zeer breedvoerig het geheele verhaal van de mislukte ontvoering van kleine Tine.
Mevrouw Hermsen luisterde met aandacht. Verbeeld je toch, dacht zij, dat ik dit kleine popje had thuis gekregen.
„Oom is weggegaan, maar ik ben toch naar den dierentuin geweest met maatje,” voegde Tine aan het verhaal van haar moeder toe.
„Was het een lieve oom, Tine?” vroeg mevrouw Hermsen.
„Neen, Tom zegt, dat hij mij verkocht zou hebben aan den man met de zweep.”
„De man met de zweep, wie is dat?”
„De man, die mij zou laten koorddansen en als ik het niet kon, zou hij een groote zweep nemen, zegt Tommie en dan zou hij mij daarmee slaan.”
„Foei, dat zou toch heel slecht van hem zijn, je moet maar nooit meer met hem meegaan,” antwoordde mevrouw Hermsen. „Maar de regen is opgehouden en de zon komt door, zou je nu misschien wat in den tuin willen spelen, kleine? Wat ik zeggen wilde, mevrouw Stubbens,” voegde zij erbij, „u schreef mij, dat u vóór het eten weer thuis moest zijn, maar zou u er iets tegen hebben, dat ik Annie tot vanavond hier houd?”
„Ik wil ook blijven,” liet Tine zich hooren, voordat haar moeder iets had kunnen zeggen.
„Hè, ja, tante,” voegde Annie er aan toe, „mogen Tine en ik bij grootmama blijven eten?”
„Zoo, Tine,” antwoordde mevrouw Stubbens, „laat je maatje nu heel alleen naar huis gaan, wil je wel blijven zonder maatje?”
„Ja, maatje, met Annie,” riep Tine niet in het minst verlegen.
Mevrouw Hermsen was wanhopend. Wat moest zij nu beginnen? zij kon toch niet met de beide kinderen op reis gaan! zij had er geen oogenblik over gedacht, dat mevrouw Stubbens het kleintje alleen met haar nichtje zou laten achterblijven. Zij antwoordde dus maar:
„De meisjes mogen dus blijven, mevrouw, dan zal ik haar van avond laten thuis brengen.”
Toen dit was afgesproken, gingen de kinderen den tuin in. Tine hield er veel van kransjes te vlechten van bloemen, iets dat Annie haar geleerd had, en wat zij al heel aardig kon. Annie plukte dus voor haar allerlei grasbloempjes en een tijd lang zaten de kinderen zich daarmee te vermaken, terwijl Mina telkens even van haar werk wegwipte, om naar hen te komen kijken. Eindelijk zei Tine, „Annie, ik begin mij een klein beetje te vervelen. Ga je mee wat anders doen?”
„Wat dan?”
„Krijgertje.”
„Goed, jij bent hem, pak mij maar als je kunt. Eén, twee, drie!” en Annie liep een eindje weg. Tine holde zoo hard zij kon, haar nichtje achterna, totdat Annie zich eindelijk onder vroolijk gelach van Tine liet vangen.
„Nu moet jij mij pakken,” riep het kleintje en snelde voor Annie uit een zijpad in, waar zij eensklaps tegen een heer aanbonsde, die haar juist bijtijds vastgreep, anders zou zij gevallen zijn. Toen hij zag, dat zij geschrikt was, tilde hij het teere, kleine ding hoog in de lucht en riep: „Hoe groot ben je nu?” waarna hij haar lachend weer op den grond liet zakken.
„Wie bent u?” vroeg Annie, toen zij zag dat hij haar aankeek.
„Wou je dat graag weten? Luister dan, ik heet: Willem, Karel, Frederik, Alfred, Jeremias Stokman.”
„O, wat een boel namen!” riep Tine.
„Maar, nu moet ik toch ook weten, wie jullie zijn? wil ik het eens raden?” vroeg Stokman.
„Ja, dat is leuk,” antwoordde Annie.
„Ik wed dat jij Annie heet.”
„Hè, hoe weet u dat?”
„Dat kan ik zoo maar raden.”
„En ik?” vroeg Tine.
„Jij? nu moet ik eens even denken. Jij bent... Tine Stubbens. Is het zoo niet?”
De kinderen stonden hem met open mond aan te kijken.
„Ja, ik ben Tine,” zeide eindelijk de kleine. „Wat komt u hier doen?”
„Met jullie meespelen, als ik mag.”
„Ik blijf hier eten met Annie,” liet Tine zich weer hooren.
„Blijven jullie allebei hier eten?” vroeg Stokman verbaasd. Dat is een mooie geschiedenis, dacht hij bij zichzelf, nu ligt het mooie plan in duigen. Maar, misschien is het ook wel beter, het is toch te erg het kind zoo weg te nemen, zonder dat de familie er iets van weet.
„Zullen wij nu gaan spelen?” vroeg hij. „Wil ik jullie krijgen?”
„Ja, pak mij maar!” riep Annie en holde alvast weg.
Zoo speelden zij een heelen tijd met hem, en de kinderen hadden dolle pret. Hij liet goedig met zich sollen en vond het zelfs goed dat Tine hem de krans opzette, die zij gevlochten had. Juist toen zij hem hiermede getooid had, kwamen de dames naar buiten om te zeggen dat de automobiel voor stond en dat mevrouw Stubbens naar huis ging.
Met een kleur van verlegenheid, omdat de dames hem met die versiering gezien hadden, schudde hij het kransje af en trad op mevrouw Stubbens toe.
„Mijn naam is Stokman,” zeide hij.
„Het is mij aangenaam kennis met u te maken, mijnheer Stokman, ik zie, dat u zoo vriendelijk is geweest de kinderen wat bezig te houden,” antwoordde tante Dora en vervolgde toen tegen de meisjes: „nu, kinderen, ik ga naar huis, veel plezier verder en niet te wild zijn, hoor, zorg dat je het mevrouw Hermsen niet lastig maakt.”
„Neen, dat zullen zij niet en voor alle zekerheid zal ik mijnheer Stokman erbij vragen, misschien wil hij mij wel helpen om te maken dat de meisjes zich niet vervelen?” merkte mevrouw Hermsen op.
„Heel graag, mevrouw Hermsen, het zal mij een waar feest zijn te mogen blijven,” antwoordde Stokman. Toen de auto wegreed, nam hij de kinderen ieder bij een hand en nam hen mee naar den tuin, waar hij beloofd had haar te zullen schommelen, terwijl de oude mevrouw vóór het eten nog even ging rusten. Het duurde echter niet lang of de oude dame kwam in den tuin bij hen.
„Kom, Annie, mijn schat,” zeide zij, „ik heb nog zoo weinig aan je gehad, ga je met grootma mee naar binnen? ik heb een mooi boek voor je gekocht, dat wil ik je laten zien. Het is een prachtuitgave van de sprookjes van Moeder de Gans. Wil je het zien?”
„Ja, graag,” antwoordde het kind en huppelde aan den arm van haar grootmoeder naar binnen.
„Vind je het niet akelig, dat je straks weer van grootma weg moet, Annie?” vroeg de oude dame verdrietig.
„Ja, grootma, maar ik kom weer terug.”
„Ach, kind, wie weet wanneer dat zijn zal! niemand houdt zooveel van je als ik, na je papa, natuurlijk; wil je dat wel gelooven?”
„O, maar grootma,” riep Annie verbaasd, en telde toen op haar vingers op: „oom en tante en Tom en Paula en Tine en Bertha, die houden allemaal van mij.”
„Maar jij hieldt toch niet van tante Dora, is het wel?”
„Nu wel, bij ons thuis was tante altijd stijf, maar nu niet meer; ik krijg wel eens standjes als ik te wild ben, maar tante is toch aardig tegen mij.”
„Zoo, je voelt je daar dus thuis?” hervatte de oude dame, en haar stem klonk treurig, alsof haar dit werkelijk speet.
Het kind merkte dat echter natuurlijk niet op en antwoordde vroolijk: „O, ja, ik vind het erg prettig bij oom en tante.”
„Maar zou je niet liever bij mij willen zijn? ik ben zoo alleen.”
„Arme grootma,” zeide Annie en streek met haar handje over grootmama’s rimpelige wang, maar zij dacht aan haar vriendinnetjes en aan al die vroolijke jongens, Toms vrienden, en aangezien zij een oprecht kind was, antwoordde zij bedeesd: „ik ben liever bij tante Dora, grootma, maar ik kom wel meer bij u terug.”
Mevrouw Hermsen zweeg. Daar had zij niet op gerekend na al die verhalen, die het kind haar vroeger van haar tante had gedaan.
Intusschen was het schommelen Tine gaan vervelen en was zij met Stokman den tuin door geloopen naar de tuinmanswoning, waar hij haar bij een nest met allerliefste jonge hondjes bracht. Zij waren echter niet zoo heel jong meer, zij telden al tien weken.
„Wat zeg je daar nu van?” vroeg Stokman.
„O, wat een lieve hondjes!” riep de kleine en klapte in haar handen, „mag ik ze vasthouden?”
Stokman legde er een in haar armen. „Voorzichtig, hoor,” zeide hij, „niet laten vallen, dan huilt zijn moedertje.”
„Zou de jongejuffrouw er misschien een willen hebben?” vroeg de vrouw van den tuinman.
„Nu, Tine, zou je willen?” vroeg Stokman op zijn beurt, „en zou je ma het goed vinden?”
„Ja, Tine mag er wel een hebben en Tine wil graag,” antwoordde het kind blij.
„Wij zullen voor alle zekerheid eerst aan mama vragen of het mag,” zeide Stokman.
„Ja, ga mee, aan maatje vragen,” riep Tine ongeduldig.
„Kijk,” dacht Stokman, „nu zou mevrouw toch gelegenheid hebben haar plan ten uitvoer te brengen, wanneer het kleintje nu met mij naar huis gaat, kan zij Annie houden,” en binnen komende in de kamer, waar Annie met haar grootmoeder zat, zeide hij tot de oude dame: „Tine wil naar huis, zij wil aan haar mama gaan vragen of zij een van die aardige hondjes van den tuinman mag hebben. Wil ik haar even thuis brengen, dan kan ik wel ergens in de stad eten.”
Na haar gesprek met Annie, was de oude dame echter tot andere gedachten gekomen. Het kind was liever bij haar oom en tante, dan wilde zij haar nu ook niet tegen haar zin houden. Later, misschien, als er geen andere uitweg was, maar eerst wilde zij zien of Annie niet van zelf bij haar zou willen blijven, wanneer men haar verteld had dat zij een nieuwe mama kreeg, een vreemde dame, die zij heelemaal niet kende. Daarom zeide zij: „Neen, wij gaan eerst eten en dan rijden de meisjes naar huis en kan Tine aan haar mama vragen of zij het hondje hebben mag, dan zal ik het dadelijk laten brengen, als haar mama het toestaat.”
„Vandaag dus niet,” fluisterde Stokman de oude dame in het oor.
„Neen, vandaag niet, Willem, maar ik dank je intusschen wel dat je Tine zoo lang hebt bezig gehouden, ik heb daardoor nog een rustig oogenblikje met Annie kunnen hebben,” antwoordde mevrouw Hermsen.
Onmiddellijk na het eten nam Stokman afscheid en om half acht reed de auto vóór, waarin Mina de kinderen naar huis bracht.
Twaalfde Hoofdstuk.
Flik En Flok.
Toen Tine, die reeds half sliep, door haar moeder werd uitgekleed, zeide het kleintje met een slaperig stemmetje: „Maatje, mag ik het hondje hebben?”
„Eerst lief slapen, dan zullen wij het morgen aan papa vragen,” antwoordde haar moeder en kuste haar, toen zij eindelijk in bed lag, goeden nacht.
Den volgenden morgen, zeide mevrouw Stubbens: „Tine mag dit briefje voor mama in de bus doen. Zal je het heel netjes doen?”
„Wat voor briefje?” vroeg de kleine, nieuwsgierig naar de enveloppe kijkend. Eenige drukletters kon zij al lezen, maar geschreven schrift was haar nog te moeilijk.
„Kleine meisjes mogen niet vragen, dat heb ik Tine van morgen al meer gezegd,” antwoordde haar moeder, want de kleine had haar van het oogenblik dat zij was opgestaan, tot dat zij naar haar fröbelles zou gaan voortdurend achtervolgd met de vraag of zij het hondje mocht hebben.
In het briefje, dat zij weg moest brengen, gaf mevrouw Stubbens juist daartoe haar toestemming. Ze vroeg daarin, of Mina Holst den volgenden dag het hondje zou mogen komen brengen.
Zoodra zij om twaalf uur thuis kwam, snelde Tine naar haar moeder toe. „Heeft maatje al aan papa gevraagd of ik het hondje mag hebben?” vroeg zij dadelijk.
„Tine, luister nu goed,” zeide mevrouw Stubbens streng, „als je er nu nog ééns om vraagt, komt het hondje niet.”
Het kind begon te huilen.
„En als je huilt ook niet. Ga nu spelen.”
Pruilend verliet Tine de kamer en ging haar troost zoeken bij Tom en Annie, die juist waren thuis gekomen.
„Wat scheelt eraan, Tine, waarom huil je?” vroeg Tom.
„Ik wou zoo graag het hondje hebben, maar maatje zegt, als ik er nog ééns om vraag, dan krijg ik het hondje niet.”
„Heeft moes dat gezegd? nou wees dan maar stil, want dan geloof ik stellig, dat je het krijgt.”
„Zou je denken, Tom?” vroeg Annie, „nu, dat zou dol zijn, een kleine hond! Ik wou dat ik er een had.”
„Hebben jullie dan geen hond op Wilgenhorst?” vroeg Tom.
„Niets dan een heel ouden waakhond, maar papa zegt altijd: „als er ooit een dief komt, zal Bruno kwispelstaartend naar hem toe loopen en hem een poot geven.””
Tom begon luidkeels te lachen. „Nou, zeg, dat is ook een mooie waakhond,” zeide hij.
„Zeg, Tine,” voegde hij er een oogenblik later bij, „als jij dat hondje krijgt, zullen wij hem leeren om door een hoepel te springen en op te zitten en pootje te geven en allerlei kunstjes meer en...”
„Je weet niet eens of zij hem hebben mag, Tom,” viel Coba, die intusschen was binnengekomen, haar broer in de rede, „praat er nu niet zoo over anders geeft het weer een zondvloed van tranen, als Tine dien hond niet krijgt.”
„Als Tine hem niet hebben mag,” antwoordde Tom, „dan moet zij maar wachten, tot ik groot ben en mijn eigen geld verdien, dan kan zij bij mij komen wonen en dan nemen wij net zooveel honden als Tine maar hebben wil.”
„Een mooie rommel zal dat bij jullie worden,” merkte Coba op, „ik heb een hekel aan honden, zij bijten alles stuk.”
Toen de kinderen den volgenden dag om twaalf uur uit school kwamen, vonden zij in de huiskamer Mina, die een groote sluitmand op de schoot had. Annie snelde verheugd op het oude menschje toe en toen Mina zich eindelijk uit haar onstuimige omhelzing had losgemaakt, zeide zij: „Wat denken jullie nu wel, dat ik hier in deze mand heb? Mag ik het hun laten zien, mevrouw?”
„Zeker, Mina.”
De meisjes gingen ieder aan een kant van Mina staan om goed te kunnen zien en toen tilde de oude juffrouw voorzichtig het deksel op.
„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking, want in de mand bevonden zich twee allerliefste kleine fox-terriërs met ronde kopjes, lompe pootjes en schitterende oogjes.
Dadelijk vroeg Tine: „mag ik er een van hebben?”
„Ja,” antwoordde haar moeder, „en het andere is voor Annie.”
„Haal jij ze er nu eens netjes uit, Annie, zonder ze te laten vallen,” zeide Mina. „Zij zijn al tien weken oud en kamer-zindelijk, mevrouw,” voegde zij er tot mevrouw Stubbens bij, terwijl zij Annie hielp om de witte molletjes op den grond te zetten.
„O, Tine, zijn ze niet schattig?” riep Annie in verrukking.
„Kijk,” hervatte Mina, „zoodra ik ze zag, dacht ik dat is nu een aardig hondje voor Annie en ik had het haar met haar verjaardag willen geven maar nu ik er toch een voor Tine moest brengen, heb ik Flokje ook maar meegebracht.”
„Mag ik hem houden, tante?” vroeg Annie, het hondje opnemende.
„Wel zeker, Annie, het huis is groot genoeg.”
„Heerlijk, heerlijk, heerlijk!” riep Annie om de tafel heendansend, nadat zij Flok weer op den grond had gezet, en door haar vroolijkheid aangestoken, holden de twee witte hondjes haar achterna en rolden daarbij over elkaar heen.
Flokje was geheel wit met een bruin snoetje en bruine wenkbrauwen, terwijl Tines hondje een zwarten neus en een zwarte vlek op den rug had.
„Wel, heb ik ooit, twee, dat is leuk!” klonk eensklaps een vroolijke stem en Tom, die altijd als een bom een kamer in kwam vallen, trad binnen.
„Dag, Thomas,” zeide zijn moeder op terechtwijzenden toon.
„O, ja, dag moes,” en op Mina toestappende, gaf hij haar een hand en zeide; „dag, juffrouw.” Toen streelde hij de hondjes en vroeg: „heb jij er ook een gekregen, Ans? hoe heeten zij?”
„Ja, deze is van mij,” antwoordde Annie op haar hondje wijzende, „en hij heet Flok.”
„Dan heet de andere natuurlijk Flik,” zeide Tom. „Vind je dat goed, Tine, het is geen moeilijke naam om te zeggen, is het niet?”
„Waarom Flik?” vroeg Tine.
„Flik en Flok is de naam van een boek,” legde haar moeder uit. „Ken jij het, Thomas, heb jij het gelezen?” vroeg zij aan Tom.
„Ja, moes, Frans heeft het; het is zoo leuk, er staan zulke aardige platen in, de mooiste vind ik die, waar Flik en Flok onder water op den telegraafkabel zitten. Ik zal het nog eens aan Frans te leen vragen, dan kunnen Annie en Tine de platen ook eens zien.”
„Hè, ja,” zeide Annie, die Flok had opgenomen om hem aan Coba en Laura te laten zien, die op dat oogenblik binnenkwamen.
„Coba en Laura, dit is juffrouw Holst, over wie Annie je zoo dikwijls gesproken heeft,” zeide mevrouw Stubbens, toen de meisjes haar begroet hadden. „Je weet wel, juffrouw Mina, die het huishouden doet bij oom Van Walen en nu bij Annie’s grootmama is.”
Mevrouw Stubbens was wel trotsch, maar zij zou toch nooit willen, dat de meisjes, tegen
This reading view includes the opening portion of the book. Continue on Project Gutenberg